Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
201702374/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpsschool Rozendaal" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/556
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702374/1/R1.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Rozendaal,

2.    Stichting Behoud Karakter "Bremheuvel", gevestigd te Rozendaal, en anderen,

3.    [appellante sub 3] en anderen, allen wonend te Rozendaal,

appellanten,

en

1.    de raad van de gemeente Rozendaal,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Rozendaal,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpsschool Rozendaal" vastgesteld.

Bij separate besluiten van 8 februari 2017 heeft het college omgevingsvergunningen voor het bouwen van de nieuwe school en voor het kappen van vijf bomen verleend en een verkeersbesluit genomen in verband met de aanleg van een fietspad bij de nieuwe school.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Tegen deze gecoördineerde besluiten hebben [appellant sub 1], de stichting en anderen en [appellante sub 3] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een gezamenlijk verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], de stichting en anderen, [appellante sub 3] en anderen en de raad en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, de stichting en anderen, vertegenwoordigd door ir. H.A.M. Verhelst, M.A.A. Gockel-Gieskes en P.M.J. Gockel, bijgestaan door mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te Den Bosch, [appellante sub 3] en anderen, van wie [gemachtigden], en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door G.H. van Gorkum, A. Logemann, ing. R. Berendsen en drs. A. Roosken, bijgestaan door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is Dorpsschool Rozendaal, vertegenwoordigd door P.F. de Bruijn en J.E.M. Bruggeman, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    De bestreden besluiten hebben tot doel een zogeheten brede school op te richten en een parkeerterrein aan te leggen op het hoogste deel van de Bremheuvel in Rozendaal en te voorzien in nieuwe toegangswegen naar de school over de Bremheuvel. De brede school omvat een basisschool, een peuterspeelzaal, een gymzaal en buitenschoolse opvang. De school en gymzaal dienen ter vervanging en concentratie van verschillende (verouderde) onderwijs- en opvanggebouwen verspreid over de gemeente en de gymzaal die op ongeveer 8 km van de huidige basisschool ligt. Het plangebied omvat verder een deel van de provinciale weg Schelmseweg, die direct ten oosten van de Bremheuvel ligt, de Bremlaan direct ten zuiden van de Bremheuvel en de Akkerlaan, die ten zuiden van de Bremheuvel ligt en in een T-splitsing uitmondt in de Bremlaan. Aan de westkant wordt het plangebied begrensd door de Kappellenberglaan, waar ook de hoofdtoegang naar het schoolterrein zal komen. Het plan voorziet tevens in een ontsluiting via de zuidkant van de Bremheuvel, vanaf de Bremlaan en ter hoogte van de T-splitsing met de Akkerlaan.

2.    Ter zitting hebben [appellante sub 3] en anderen hun beroepsgrond over de invloed van het zonlicht op de kwaliteit van het onderwijs en duurzaamheid van het schoolgebouw ingetrokken.

De stichting en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond dat in de omgevingsvergunning de aanleg van 45 parkeerplaatsen had moeten worden verzekerd, ingetrokken.

Het bestemmingsplan

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Notitie gevolgen hellend gelegen wegen

4.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat de notitie "Gevolgen hellend gelegen wegen", gedateerd 23 december 2016 en opgesteld door Alcedo, na het ontwerp van het plan is opgesteld en dat zij daar niet op hebben kunnen reageren. Daarom had dit rapport buiten beschouwing moeten blijven bij het vaststellen van het plan.

4.1.    De raad stelt dat de notitie is opgesteld naar aanleiding van de zienswijzen waarin is gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met het effect van hoogteverschillen in het terrein op de emissies van het wegverkeer. Aangezien de notitie naar aanleiding van de zienswijze is opgesteld, kon deze niet bij het ontwerp worden gevoegd.

5.    De bedoelde notitie is als bijlage bij de plantoelichting opgenomen en is blijkens hoofdstuk 1 daarvan opgesteld naar aanleiding van de zienswijze. De Afdeling overweegt dat het niet ongebruikelijk is om in het kader van zorgvuldige besluitvorming vanwege specifieke ingediende zienswijzen aanvullend onderzoek te laten doen.

[appellante sub 3] en anderen hebben in hun beroepschrift kunnen aanvoeren waarom de uitgangspunten en conclusies van de notitie niet juist zouden zijn. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de notitie in het kader van de planvaststelling buiten beschouwing had moeten blijven. Het betoog faalt.

Imro-nummer

6.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat in de publicatie in de Staatscourant een onjuist identificatienummer is vermeld. Om deze reden heeft geen correcte terinzagelegging plaatsgevonden.

    Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan daarom geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Onvolledige coördinatie

7.    [appellant sub 1] betoogt dat in strijd met het coördinatiebesluit niet alle besluiten zijn genomen die ten behoeve van de school hadden moeten worden genomen. Hij stelt dat ten onrechte geen verkeersbesluit is genomen dat ertoe strekt dat de zuidelijke toegangsweg als gemotoriseerde ontsluitingsweg ter plaatse van de gronden met de bestemming "Groen" en de aanduiding "ontsluiting" wordt aangewezen. Volgens hem is dit wettelijk vereist om de aanleg en inrichting van de ontsluitingsweg midden over de Bremheuvel mogelijk te maken. Het op een later tijdstip nemen van een verkeersbesluit is niet mogelijk, omdat de gemotoriseerde weg duidelijk en kenbaar planologisch moet worden weergegeven, alsook de verdere inrichting en de daarbij behorende verkeersbesluiten.

7.1.    In het bestemmingsplan is de locatie van de zuidelijke toegangsweg aangegeven door middel van de aanduiding "ontsluitingsweg". Het is aldus duidelijk waar de ontsluitingsweg komt te liggen. Voor het aanleggen van die weg is geen verkeersbesluit nodig. Het betoog faalt.

Milieueffectrapport

8.    De stichting en anderen betogen dat de raad had moeten beoordelen of een milieueffectrapportage (hierna: MER) had moeten worden gemaakt. Zij stellen dat de bouw van de school in samenhang bezien met de wijziging van de verkeersbestemming voor de ontsluiting een stedelijk ontwikkelingsproject is zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). Omdat de activiteit blijft onder de drempelwaarden genoemd in de tweede kolom, had de raad een vormvrije m.e.r.-beoordeling, als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. moeten maken. Nu een dergelijke integrale beoordeling van milieugevolgen niet heeft plaatsgevonden in relatie tot de selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, is het vaststellingsbesluit onvoldoende gemotiveerd, aldus de stichting en anderen.

8.1.    De raad stelt dat voor de bouw van de school onderzoeken zijn gedaan naar de milieueffecten, waaronder geluid, luchtkwaliteit, bodem, ecologie, verkeer, archeologie, cultuurhistorie en externe veiligheid. Hoewel deze onderzoeken in de plantoelichting tezamen niet expliciet zijn geduid als een vormvrije MER-beoordeling, kunnen zij tezamen wel als zodanig worden beschouwd. Gelet op de aard en de omvang van het plan, namelijk een kleinschalige dorpsschool, de locatie binnen de bebouwde kom en de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken, kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu heeft in relatie tot de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Voor het plan hoefde daarom niet alsnog een MER te worden opgesteld, aldus de raad.

8.2.    Artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben."

    Het vierde lid luidt: "Ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt."

    Artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. luidt: "Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven (…)."

    Het vierde lid luidt: "Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, (…) vierde lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 4 van (…) onderdeel D van de bijlage zijn omschreven (…)."

    Het vijfde lid luidt: "(…) Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hiervan zijn uitgezonderd de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit."

    In onderdeel D, categorie 11.2, eerste en tweede kolom, is als activiteit zoals hierboven bedoeld vermeld: "de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op

1. een oppervlakte van 100 hectare of meer,

2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat,

3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer."

    In kolom 4 is bij deze categorie het bestemmingsplan aangewezen als besluit waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

8.3.    De Afdeling overweegt dat het plan voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Hoewel de drempelwaarde niet wordt overschreden, dient de raad aan de hand van de selectiecriteria, zoals bedoeld in bijlage III van de richtlijn 85/337/EEG, thans richtlijn 2011/92/EU, te bezien of kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. De stichting en anderen hebben niet kunnen aangeven welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. De raad heeft, gelet op de door hem gegeven motivering, mogen concluderen dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uit te sluiten en dat daarom een MER niet hoefde te worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017, onder 11.3, ECLI:NL:RVS:2017:437, overweging 11.3). Het betoog faalt.

Behoefte en nut en noodzaak

9.    De stichting en anderen en [appellante sub 3] en anderen betogen dat geen actuele regionale behoefte bestaat aan een nieuw schoolgebouw en dat hiervoor geen nut of noodzaak bestaat. Zij stellen dat hierdoor onder meer niet is voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Naar verwachting zal het aantal leerlingen fors krimpen. Ook de behoefte aan de peuterspeelzaal en de kinderopvang is niet in kaart gebracht en de harde plancapaciteit binnen de regio is niet betrokken bij de planvorming. Verder betwisten zij de afbakening van de regio, die zich volgens hen niet alleen op Rozendaal en Rheden, maar ook op Arnhem had moeten richten. Tot slot betogen de stichting en anderen dat de raad overleg had moeten voeren met omliggende gemeenten over stedelijke ontwikkelingen.

9.1.    De raad stelt dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte. Het plan ziet op een verplaatsing van binnen de gemeente reeds bestaande functies in bestaand stedelijk gebied. Het gaat volgens hem om functies waar op dit moment ook al een behoefte aan bestaat en in de toekomst ook zal blijven bestaan. De gestelde krimp is volgens de raad niet aan de orde en maakt ook niet dat er geen behoefte meer zou bestaan aan een school. Op grond van cijfers van het schoolbestuur van de Scholengroep Veluwezoom wordt voor de Dorpsschool Rozendaal en de directe omgeving (Velp-Noord) een groei verwacht van 7%. Op basis daarvan is een conservatieve prognose opgesteld voor de periode 2016-2020 waaruit blijkt dat er gemiddeld 220 leerlingen naar de Dorpsschool gaan. In het plan is rekening gehouden met een iets minder conservatief aantal van 224 leerlingen. Voor de periode na 2020 wordt uitgegaan van een aanwas van ongeveer 28 kinderen per jaar. Ook zal de nieuwbouw in de omgeving jonge gezinnen trekken. Met name de regio Arnhem - Velp kent een relatief sterke groei van 2,5 tot 10% van de schoolgaande kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar in de periode 2015 - 2030.

9.2.    Artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a van het Bro luidde ten tijde van het vaststellen van het plan: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;".

9.3.    Niet in geschil is dat in de huidige situatie behoefte bestaat aan de dorpsschool en dat het plan niet beoogt te voorzien in nieuwe schoolcapaciteit, maar in een concentratie van de huidige schoolgebouwen en de gymzaal op een nieuwe locatie. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat er een behoefte bestaat om de leerlingen en de opvang, die nu verspreid zijn over verschillende schoolgebouwen, en de gymzaal, die op 8 km afstand van de schoolgebouwen ligt, te concentreren op één locatie, en dat ook een nieuw schoolgebouw moet worden gebouwd omdat het schoolgebouw waarin de meeste leerlingen zijn gehuisvest, aan vernieuwing toe is. Verder heeft de raad aannemelijk gemaakt dat in de huidige situatie behoefte bestaat aan een school voor 224 kinderen. Voor zover het aantal kinderen zou afnemen in de toekomst, heeft de raad aannemelijk gemaakt dat dit niet betekent dat geen enkele behoefte meer bestaat aan een school, maar dat zulks hooguit resulteert in minder leerlingen per klas. Dat het aantal leerlingen fluctueert, betekent evenmin dat er geen behoefte is aan de school (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:774, overweging 20). Voorts ziet de Afdeling, nu het plan voorziet in een dorpsschool, geen grond voor het oordeel dat de raad de regio waarbinnen de behoefte is onderzocht, had moeten uitbreiden naar Arnhem, dan wel dat de raad ter zake met andere gemeenten had moeten overleggen. Het betoog dat geen behoefte aan en dat geen nut of noodzaak voor de in het plan voorziene ontwikkeling bestaat, faalt derhalve.

Stedelijk gebied en ontsluiting

10.    De stichting en anderen betogen dat aan de voorwaarde van artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro niet is voldaan. Volgens haar ligt de Bremheuvel buiten bestaand stedelijk gebied en kan die niet, zoals de raad doet, worden beschouwd als stedelijk groen. De locatie had in het vorige plan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden". Dat de locatie aansluitend is gesitueerd aan bebouwing leidt er niet toe dat het gebied kwalificeert als bestaand stedelijk gebied en ook de omstandigheid dat het provinciebestuur dat doet, maakt dat volgens hen niet anders.

10.1.    De raad stelt dat het plangebied ligt ingesloten binnen de bebouwde kom in het stedelijke en bebouwde gebied van Rozendaal. De locatie wordt al jaren niet meer agrarisch gebruikt en is ongeschikt om met landbouwvoertuigen te bereiken en agrarisch te bewerken. Dergelijk gebruik is nu en in de toekomst feitelijk en vanuit milieuhygiënisch perspectief ook niet mogelijk of gewenst, vanwege de nabijgelegen woonbebouwing.

10.2.    Artikel 3.1.6, tweede lid, onder b en onder c, van het Bro luidt:

"b. indien uit de beschrijving bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

    Artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro luidt: "In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; (…)."

10.3.    De Afdeling overweegt dat de raad terecht het standpunt heeft ingenomen dat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied ligt. De Bremheuvel ligt in de kern van Rozendaal en wordt aan alle zijden omsloten door bebouwing. De planologische regeling die gold voor deze gronden, behoeft niet doorslaggevend te zijn bij de vraag of een locatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In het vorige plan was grotendeels de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" aan de Bremheuvel toegekend en aan een strook grond direct ten noorden van de Bremlaan de bestemming "Groen". Verder heeft de raad aannemelijk gemaakt dat de gronden al lange tijd niet agrarisch worden gebruikt en op korte termijn niet voor agrarische doeleinden zouden worden gebruikt. Nu de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, behoeft op de passendheid van de ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder c, van het Bro niet te worden ingegaan. Het betoog faalt.

Gemeentelijk beleid

11.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met het ruimtelijk beleid van de gemeente. Het beleidsstuk "Integrale Visie Ruimtelijke Ontwikkeling" (hierna: de Visie), dat op 24 september 2002 is vastgesteld, draagt als ondertitel "Behoud van een kasteeldorp". Het beleid is daarom gericht op conservering van bestaande kwaliteit. Vanwege natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn nieuwe uitbreidingen ongewenst. Daarom is de gemeente aangewezen op inbreiding, met inachtneming van genoemde waarden.

11.1.    De Afdeling overweegt dat het feit dat de ondertitel van de Visie "Behoud van een kasteeldorp" is, op zichzelf niet betekent dat het beleid van de raad er op gericht is om geen enkele bouwmogelijkheid op bijvoorbeeld de Bremheuvel toe te staan. [appellante sub 3] en anderen hebben niet inzichtelijk gemaakt waar in het beleidsstuk is vermeld dat geen enkele nieuwe ontwikkeling is toegestaan. Het betoog faalt.

Alternatieven

12.    [appellant sub 1], de stichting en anderen en [appellante sub 3] en anderen betogen dat de keuze voor de locatie van de school onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij stellen dat de school op de bestaande onderwijslocatie aan de Steenhoek of ergens anders dan op de Bremheuvel kan worden gerealiseerd en noemen daarvoor zeven andere locaties. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom die alternatieven afvallen. Voor zover de locatie Leermolensenk zou afvallen vanwege de landschappelijke waarde die dat gebied heeft, stellen zij dat de Bremheuvel eveneens te beschermen landschappelijke waarden heeft. [appellant sub 1] betoogt verder dat de huidige schoollocatie op de Steenhoek een ruime locatie van 5.000 m2 groot is en dat het beoogde schoolgebouw ruimschoots op deze bestaande locatie gebouwd kan worden. De stichting en anderen stellen dat onduidelijk is waarom de locatie Leermolensenk is afgevallen als alternatief. Van de twee overgebleven locaties - De Del en de Bremheuvel - stelt [appellant sub 1] dat het locatieonderzoek uitwijst dat De Del een beter alternatief is. De stichting en anderen stellen dat in het programma van eisen (hierna: PvE) is uitgegaan van de bouwmogelijkheden in een totaal andere ruimtelijke situatie, buiten de bebouwde kom. In het PvE was vermeld dat als de school niet op De Del zou worden gebouwd, een nieuwe situatie zou ontstaan. Het voortborduren op het bestaande PvE is daarom onzorgvuldig, nu de school niet op De Del zal worden gebouwd. Voorts achten de stichting en anderen het PvE onjuist, omdat niet alle uitgangspunten daarin een minimum zijn of relevant zijn voor de locatiestudie. Ook een onderzoek naar de nul-fase, waarmee zij doelen op een onderzoek naar zeven alternatieve locaties, ontbreekt, terwijl de adviseur van de raad dit onderzoek wel heeft aanbevolen.

    [appellante sub 3] en anderen stellen voorts dat de locatiestudie ten tijde van vaststelling van het plan inmiddels vier jaar oud was en betwisten de stelling van de raad dat de locatiekeuze een belangrijk thema is geweest bij de gemeenteraadsverkiezingen. Zij stellen dat het plan is vastgesteld met de kleinst mogelijke meerderheid.

12.1.    De raad stelt dat de huidige situatie van de Dorpsschool in Rozendaal inmiddels onhoudbaar is geworden. De leerlingen zijn verdeeld over drie locaties in Rozendaal en Velp, waaronder de locatie Steenhoek 1 waar de groepen 3 tot en met 8 zitten. Deze locaties liggen ver uiteen. Verder moet voor elke gymles een touringcar worden gebruikt om de kinderen naar de 8 km verder weg gelegen gymzaal te brengen. Ook is het gebouw aan de Steenhoek aan het eind van zijn economische levensduur. Omdat onderhoud en verbouw van de bestaande locatie kostbaar is, is gezocht naar een nieuwe locatie. Volgens de raad is een toekomstbestendige dorpsschool van belang voor zowel het dorp als de gemeente Rozendaal en is bij de locatiekeuze zoveel mogelijk rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Nadat was gebleken dat in de gemeenteraad geen meerderheid bestond voor het plan om de school te verplaatsen naar de locatie aan De Del, is een oproep geplaatst waarbij aan de inwoners van Rozendaal is gevraagd potentiële alternatieve locaties aan te reiken voor de nieuwe school. Op grond daarvan en een eigen inventarisatie zijn negen locaties beoordeeld op basis van zeven beoordelingscriteria. Deze locaties en beoordelingen zijn opgenomen in de locatiestudie Brede school Rozendaal van 1 mei 2012. In een raadsvergadering van 15 mei 2012 is besloten om de locaties naast De Del 2, Leermolensenk en Bremlaan nader te onderzoeken. Vervolgens is in een raadsvergadering van 30 oktober 2012 unaniem besloten dat het PvE zoals vastgesteld op 20 maart 2012 als minimumeis voor de bouw van de Dorpsschool zou gelden, wat onder meer inhield dat een kavel van minimaal 4.100 m2 beschikbaar moet zijn. Verder is besloten dat de locaties Kluizenaarsweg en Het Rhedens afvallen en dat de Bremheuvel en (naast) De Del 2 als locaties nader moesten worden onderzocht. In een raadsvergadering van 13 november 2012 is uiteindelijk gekozen voor de locatie aan de Bremlaan. Deze keuze is nogmaals bevestigd in een raadsvergadering van april 2015. Over de huidige locatie stelt de raad dat de huidige locatie Steenhoek op dit moment slechts een maatschappelijke bestemming heeft ter grootte van 2.850 m2 en niet 5.000 m2 zoals [appellant sub 1] betoogt.

12.2.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

    Over het standpunt van de raad dat de school niet op de huidige locatie ver- of herbouwd kan worden, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er behoefte bestaat om de verschillende onderwijslocaties en de gymzaal te concentreren op één locatie en dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de huidige locatie aan de Steenhoek daarvoor te klein is. Daarbij heeft de raad inzichtelijk gemaakt dat op deze locatie minder ruimte beschikbaar is dan waarvan appellanten uitgaan, omdat een afstand van 30 m moet worden aangehouden tot de woningen in de omgeving ervan. Bij zijn keuze voor een andere locatie heeft de raad verder in redelijkheid het gebrek aan parkeerplaatsen ter plaatse van de huidige locatie kunnen laten meewegen.

    In de raadsvergadering van 15 mei 2012 is door de raad besloten om enkele locaties nader te laten onderzoeken en enkele locaties af te laten vallen als geschikt alternatief. Ten einde een geschikte locatie voor de nieuwe basisschool te vinden is in januari 2013 een locatieonderzoek verricht. Daarbij zijn negen locaties, waaronder de huidige locatie van het schoolgebouw op de Steenhoek, onderzocht. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een rapport van januari 2013, opgesteld door de gemeente Rozendaal, Goudappel Coffeng en mRO B.V. Bij het bepalen van de geschiktheid van de locaties is gekeken naar de ligging nabij Natura 2000-gebieden, de verkeerssituatie, de omvang van de locatie en de afstand tot omliggende gevoelige functies. In het locatieonderzoek zijn de potentiële locaties aan deze criteria getoetst en is gemotiveerd waarom de locaties al dan niet geschikt zijn. Verder is in het rapport weergegeven waarom in de raadsvergadering van 15 mei 2012 bepaalde locaties zijn afgevallen. Voor het oordeel dat een nul-faseonderzoek, in de betekenis die de stichting en anderen eraan toekennen, niet is uitgevoerd, ziet de Afdeling daarom geen aanleiding. Verder ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad niet van de uitkomsten van het locatieonderzoek heeft mogen uitgaan.

    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat van de onderzochte locaties alleen de locaties Leermolensenk, De Del en de Bremheuvel als serieuze alternatieven zijn te beschouwen. De raad heeft toegelicht dat tegen de Leermolensenk het meeste verzet uit de omgeving ervan bestond en dat deze enk volgens een advies van de Commissie Cultuurhistorie van 8 februari 2013, ook een iets grotere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt dan de Bremheuvel. Met betrekking tot De Del stelt de raad dat uit het locatieonderzoek naar voren is gekomen dat vanuit cultuurhistorisch oogpunt weliswaar enige voorkeur voor het hier bouwen van de school met bijbehorende gebouwen bestaat, maar dat een school met bijbehorende gebouwen op deze locatie ook een iets groter effect op de directe woonomgeving heeft dan bij de locatie Bremlaan het geval is. De raad heeft verder toegelicht dat cultuurhistorie niet de ter zake enige bepalende factor is, maar dat ook andere aspecten zoals bijvoorbeeld maatschappelijke weerstand een rol spelen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad deze aspecten niet zou mogen laten meewegen bij het bepalen van de locatie.

    Over het PvE en het vervallen van de locatie De Del overweegt de Afdeling dat in het PvE niet is vermeld dat de eisen die aan de nieuwe school met bijbehorende gebouwen worden gesteld, komen te vervallen indien de locatie De Del afvalt. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen in het PvE zodanig verouderd zijn dat de raad die niet meer in aanmerking heeft kunnen nemen bij de vaststelling van het plan. Of het thema van de schoollocatie belangrijk is geweest bij de gemeenteraadsverkiezingen is in het kader van het vaststellen van het plan niet van belang. Voorts maakt de omstandigheid dat het plan is vastgesteld met de kleinst mogelijke meerderheid in de raad niet dat het plan in strijd met enige rechtsregel of enig rechtsbeginsel is vastgesteld.

    Gelet op het voorgaande en nu [appellant sub 1], de stichting en anderen en [appellante sub 3] en anderen niet gemotiveerd hebben aangegeven waarom de huidige locatie ongeschikt is, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet binnen de hem toekomende beleidsruimte voor de locatie Bremheuvel heeft kunnen kiezen. Het betoog faalt.

Verkeer

Verkeersintensiteiten

13.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat het verkeersonderzoek gebaseerd is op verouderde tellingen, namelijk van tijdens de economische crisis. Nu deze crisis voorbij is, is volgens hen het verkeer op de wegen rondom het plangebied toegenomen. Voorts is geen rekening gehouden met het verkeer dat de nieuwe woonwijk De Del genereert.

13.1.    De raad stelt dat bij de vaststelling van een plan in ieder geval gebruik kan worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Dit betekent niet dat gegevens en onderzoeken die ouder zijn dan twee jaar, niet meer gebruikt kunnen worden en niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan het bestemmingsplan. Volgens de raad zijn de verkeerstellingen en de onderzoeken waarop het plan gebaseerd is voldoende actueel en bruikbaar. Verder stelt de raad dat in de cijfers rekening is gehouden met economische fluctuaties en dat daarbij ook de aanwezigheid van de nieuwe woonwijk De Del is betrokken. Hij stelt voorts dat de verkeersonderzoeken die ten grondslag liggen aan het plan buiten twijfel stellen dat de capaciteit van de bestaande woonstraten ruim voldoende is voor de geprognosticeerde toename van het verkeer. Voor verkeersontwrichting hoeft volgens hem niet te worden gevreesd.

13.2.    Artikel 3.1.1a van het Bro luidt: "Bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar."

13.3.    Zoals de raad terecht heeft opgemerkt staat artikel 3.3.1a van het Bro er niet aan in de weg dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd. Bij de plantoelichting is het rapport "Verkeersonderzoek Dorpsschool", gedateerd 29 oktober 2015 en opgesteld door Goudappel Coffeng, gevoegd. In tabel 2.1 van dit rapport is weergegeven dat de nieuwe woonwijk De Del is meegenomen in de verwachte verkeersbewegingen op de Mr. Van Hasseltlaan. De tellingen, waarop het rapport gebaseerd is, dateren van 2015. In het rapport is aangegeven dat de voertuigbewegingen met 400 toenemen op de wegen in de omgeving. Tezamen met de voertuigbewegingen als gevolg van de woonwijk aan De Del, zal het totaal aantal motorvoertuigen stijgen naar 1.250 per etmaal. Volgens het rapport hebben de wegen een capaciteit van 2.500 motorvoertuigen per etmaal.

    [appellante sub 3] en anderen hebben niet onderbouwd dat sinds de tellingen uit 2015 het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plaatsgevonden hebbende economisch herstel dusdanig is gestegen, dat de raad niet langer van die tellingen heeft kunnen uitgaan. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat de raad zich, gelet op de berekende intensiteiten, niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de wegen in de omgeving van het plangebied de verkeersintensiteiten niet kunnen verwerken. Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

14.    [appellant sub 1] betoogt dat vanuit verkeersoogpunt de schoollocatie gevaarlijk is. Hij wijst er op dat schoolgaande kinderen de provinciale weg N785 zullen moeten oversteken. Hij wijst er op dat volgens het PvE de verkeersveiligheid een belangrijke reden voor de locatiekeuze vormt. Ook de volgens het Locatieonderzoek benodigde rotonde wordt niet aangelegd. [appellante sub 3] en anderen betogen dat op het schoolterrein voetgangers, fietsers en autoverkeer elkaar kruisen en dat daarmee de verkeersafwikkeling op het parkeerterrein van de school niet veilig is. Ook de rondweg om de school is niet veilig, omdat hierop haakse parkeerplaatsen worden aangelegd. De stichting en anderen en [appellante sub 3] en anderen stellen dat bij het beoordelen van de verkeershinder onvoldoende is gekeken naar de specifieke lokale omstandigheden, zoals een scherpe bocht bij Kappellenberglaan 45, de hellingen van de wegen in de omgeving van het plangebied en ondergrondse garages van woningen langs de schoolroute. Ook zijn de wegen naar de school, die 4,5 m breed zijn, te smal. Zij wijzen er op dat de weg naar de huidige school 6 m breed is. Voorts betogen de stichting en anderen dat de eventuele toekomstige verkeersmaatregelen al in het plan hadden moeten worden opgenomen.

14.1.    De raad stelt dat het treffen van verkeersmaatregelen niet noodzakelijk is. Het plan staat er niet aan in de weg dat extra maatregelen kunnen worden getroffen, indien die tot gevolg hebben dat de verkeersveiligheid toeneemt.

    Over de breedte van de straten stelt de raad dat de straten om de huidige schoollocatie deels 5 en deels 6 m breed zijn en niet allemaal 6 m zoals wordt gesteld. Hierdoor is de wegbreedte in de huidige en de toekomstige situatie vergelijkbaar, met dien verstande dat in de nieuwe situatie op het schoolterrein zelf geparkeerd kan worden waardoor ruimte op de openbare weg vrijkomt. Het straatbeeld rond de locatie Bremlaan verschilt niet wezenlijk van het straatbeeld in de rest van Rozendaal. Kruisingen, bochten en in- en uitritten zijn in een gebied met enig reliëf niet zo gevaarlijk dat enkel om die reden moet worden geoordeeld dat de dorpsschool niet kan worden gerealiseerd. Ook zijn de verkeersintensiteiten niet zo hoog dat moet worden aangenomen dat uitritten en dergelijke niet langer veilig kunnen worden gebruikt.

14.2.    Over de verkeersveiligheid van de fietsende kinderen overweegt de Afdeling dat aan de provinciale weg de bestemming "Verkeer" is toegekend en dat in artikel 5, lid 5.1 van de planregels, voor gronden met deze bestemming is voorzien in wegen en rijwielpaden. Ter zitting heeft de raad inzichtelijk gemaakt dat voldoende ruimte bestaat om hier een veilige oversteek te maken. Verder heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 17 juni 2017 beslist tot aanleg van een middengeleider en andere aanpassingen in de provinciale weg.

    Voorts acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de wegenstructuur rondom het plangebied zodanig is opgezet, dat voor een aantasting van de verkeersveiligheid bij de woningen rondom de Bremheuvel moet worden gevreesd. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat de wegenstructuur rondom de Bremheuvel niet afwijkt van de wegenstructuur elders in Rozendaal en dat niet gebleken is dat die wegenstructuur in de praktijk voor verkeersonveilige situaties zorgt. Voorts staat het plan er niet aan in de weg dat voorzieningen kunnen worden getroffen ten einde de verkeersveiligheid te bevorderen.

    Over de veiligheid van de verkeersontsluiting van de school op de openbare weg en op het parkeerterrein zelf heeft de raad aannemelijk gemaakt dat met de voorziene twee ontsluitingen het verkeer vanaf het schoolterrein veilig de openbare weg op kan rijden en dat met de beschikbare ruimte op het parkeerterrein niet voor gevaarlijke situaties vanwege het parkeren behoeft te worden gevreesd.

    Het voorgaande brengt de Afdeling tot de conclusie dat in het aangevoerde geen grond ligt voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen aantasting van de verkeersveiligheid met zich brengt en dat hij het plan daarom niet had kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

Zuidelijke ontsluiting

15.    [appellant sub 1] betoogt dat de ontsluitingsroute aan de zuidkant van de Bremheuvel niet nodig is. Hij stelt dat kinderen via de Kappelenberglaan bij de hoofdingang kunnen worden afgeleverd en dat deze route slechts enkele meters langer is. Als de school alleen via de noordzijde bereikbaar wordt gemaakt, kan de zuidzijde van de Bremheuvel ongemoeid blijven, aldus [appellant sub 1].

    Verder betoogt hij dat de verbeelding van het plan misleidend is, omdat aan het hele zuidelijke deel van de Bremheuvel een groenbestemming is toegekend en dit dus behoud van groen suggereert, maar dat in werkelijkheid hier diverse ontsluitingswegen voor auto’s, fietsers en voetgangers zullen komen.

15.1.    De raad stelt dat is gekozen voor twee aansluitingen van de schoollocatie op het bestaande stratenpatroon, waarbij in aanmerking is genomen dat de verkeersintensiteiten relatief laag zijn. Door twee aansluitingen ontstaat er een spreiding van het verkeer en is er geen sprake van overlast. Vooralsnog is niet gekozen voor eenrichtingverkeer op de schoollocatie, waarin het verkeer de school via de Bremlaan benadert, en via de Kapellenberglaan kan verlaten. Na realisatie en de ingebruikneming van de school zal in samenspraak met omwonenden en de school nader worden bezien of het instellen van eenrichtingsverkeer eventueel nodig of gewenst is.

15.2.    Aan de zuidelijke kant van de Bremheuvel is de bestemming "Groen" toegekend. Verder zijn aan de zuidelijke kant diverse aanduidingen toegekend, die elkaar op enkele plekken overlappen. Aan een 14 m brede strook grond die vanaf de Bremlaan de heuvel oploopt, is de aanduiding "ontsluiting" toegekend.

    Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(…)

f. ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting", een ontsluitingsweg;

g. ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein", parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingen

l. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - voetpad", voetpaden;

m. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - langzaam verkeersverbinding", een verbinding voor langzaam verkeer in de vorm van fiets- en voetpaden

n. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - fietsenstalling", fietsenstallingen."    

15.3.    De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het plan misleidend is vanwege het feit dat een groenbestemming is toegekend aan delen van de Bremheuvel waar ook toegangswegen zijn voorzien. In de planregels is op kenbare wijze aangegeven welke mogelijkheden er binnen die bestemming en aanduidingen zijn. Voorts ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter belang heeft kunnen toekennen aan het waarborgen van met ook de zuidelijke ontsluitingsroute te bewerkstelligen goede verkeersdoorstroming dan aan het belang van [appellant sub 1] om gevrijwaard te blijven van die zuidelijke ontsluitingsroute. Het betoog faalt.

Parkeerterrein

16.    [appellant sub 1] betoogt dat er in totaal 2.200 m2 gereserveerd wordt voor een parkeerterrein. Hier kunnen 220 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Uitgaande van de normen voor basisscholen en een kinderopvang van 200 m2 zouden 14 parkeerplaatsen voldoende moeten zijn. Het parkeerterrein is volgens hem daarmee buitenproportioneel groot.

16.1.    De raad stelt dat de verwachte parkeeraantallen zijn gebaseerd op verkeersonderzoeken van 2011 en 2012 en op de algemeen aanvaarde CROW-normen, die ook een bandbreedte kennen. De onderzoeken uit 2011 en 2012 hebben uitgewezen dat er in Rozendaal in de huidige situatie een hoger percentage kinderen per auto wordt gebracht ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Zekerheidshalve is de bovenkant van de bandbreedte, die varieert van 29 tot 45 parkeerplaatsen, gekozen en is uitgegaan van minimaal 45 benodigde parkeerplaatsen. Hiermee wordt in ieder geval parkeeroverlast in de buurt, zoals op de Steenhoek thans het geval is, voorkomen, aldus de raad.

16.2.    De raad is bij het bepalen van de benodigde parkeerruimte uitgegaan van het aantal auto’s dat op een gemiddelde dag naar de school zal rijden. Daarbij heeft hij aansluiting gezocht bij het rapport "Beoordeling ontsluitingsvarianten Dorpsschool Rozendaal", gedateerd 12 februari 2015 en opgesteld door Goudappel Coffeng, waarin een aantal van 66 auto’s is genoemd. Die aantallen zijn niet gemotiveerd bestreden. Verder ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet binnen de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft mogen kiezen om de bovenkant van de bandbreedte van de CROW-normen aan te houden. De raad heeft verder inzichtelijk gemaakt hoe de omvang van het parkeerterrein in dit geval aansluit bij het benodigde aantal parkeerplaatsen en de manoeuvreerruimte op het terrein. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad heeft voorzien in een parkeerterrein dat veel groter dan nodig is voor de 45 parkeerplaatsen en dat het plan in zoverre daarom in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

Aantasting landschappelijke en cultuurhistorische waarden

17.    [appellant sub 1] betoogt dat het plan in strijd is met het beeldkwaliteitsplan, waarin het plangebied is aangemerkt als een bijzondere landschappelijke locatie met cultuurhistorische waarde, die zoveel mogelijk behouden dient te worden. De inrichting van de Bremheuvel met de school midden op de heuvel, de parkeermogelijkheden, de fietsenstalling en de toegangswegen voor voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer, zorgt er volgens hem voor dat het landschappelijk karakter van de heuvel verloren gaat. Dat het welstandsadvies positief is, kan volgens [appellant sub 1] er niet aan afdoen dat het plan in strijd is met het beeldkwaliteitsplan. Hij wijst er op dat een welstandsadvies betrekking heeft op materiaal en kleurgebruik en niet ziet op de situering van het gebouw, de ontsluitingen en terreinverhardingen en inrichting met wegen.

    [appellante sub 3] en anderen stellen dat het beeldkwaliteitsplan niet in werking is getreden en dus geen welstandsbeleid kan behelzen waaraan wordt getoetst in het kader van de omgevingsvergunning. Verder is niet gebleken dat de beeldkwaliteits- en welstandsaspecten van de extra geluidschermen en de grotere hoogten daarvan zijn getoetst en in orde zijn bevonden.

    De stichting en anderen en [appellante sub 3] en anderen stellen dat in strijd met de Verordening op de Commissie Cultuurhistorie geen advies is ingewonnen bij de commissie Cultuurhistorie Gemeente Rheden - Rozendaal (hierna: de commissie Cultuurhistorie) en dat advies moest worden ingewonnen bij het Gelders Landschap. De eerdere uitgebrachte adviezen van de commissie Cultuurhistorie betekenen volgens hen dat op de Bremheuvel niet gebouwd mag worden. Verder stellen de stichting en anderen dat in het rapport van RAAP, waarin de cultuurhistorische waarde is beschreven, de bijzondere beeldbepalende waarde van de Bremheuvel niet zorgvuldig is beoordeeld. Voorts is onvoldoende gemotiveerd waarom de in het vigerende bestemmingsplan "Kom 2008" opgenomen uitgangspunten en juridische waarborgen omtrent de landschappelijke waarden van de Bremheuvel worden losgelaten.

    De stichting en anderen stellen dat het beeldkwaliteitsplan is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan en daarnaar is toegeschreven. Volgens hen dient het beeldkwaliteitsplan te worden opgesteld vanuit de landschappelijke waarden en architectonische kwaliteit van het gebied. Het beeldkwaliteitsplan miskent het waardevolle landschappelijke en cultuurhistorische karakter van het gebied en de noodzaak tot behoud daarvan. Volgens hen zal de school met het geluidscherm het unieke karakter van de omgeving aantasten en zal het reliëf verdwijnen. Ook de stellingen dat de school op het hoogste punt van het bestaande reliëf en aan de randen van het plangebied komt, is volgens hen onjuist.

17.1.    De raad stelt dat het beeldkwaliteitsplan na vaststelling niet is gepubliceerd, omdat er geen bezwaar en beroep tegen mogelijk is. Het beeldkwaliteitsplan is opgesteld om een kwalitatieve invulling van de Bremheuvel te bewerkstelligen, die betrokken wordt bij de opstelling van het bestemmingsplan. Hij stelt dat het terrein aan de zijde van de Bremlaan een groenbestemming heeft gekregen om de groene uitstraling van de heuvel zo veel mogelijk te behouden. Binnen de groenbestemming is geen bebouwing mogelijk in de vorm die binnen de bestemming "Gemengd" wel mogelijk is. Ook zal het schoolgebouw deels in de heuvel worden ingegraven. Het beeld van een groene heuvel wordt daarmee veilig gesteld. Verder is het beeldkwaliteitsplan in samenspraak met de welstandscommissie opgesteld. Over het behoud van cultuurhistorie stelt de raad dat overleg is gevoerd met en advies is ingewonnen bij de commissie Cultuurhistorie. In het locatieonderzoek is dit verwoord en volgens hem heeft hij dit advies ook laten meewegen in de locatiekeuze. Verder is door bureau RAAP een cultuurhistorische analyse voor de locatie uitgevoerd. In dit onderzoek is de Bremheuvel wat betreft cultuurhistorische waarde met 2,7 punten op een schaal van 1 tot en met 5 beoordeeld, hetgeen volgens de raad betekent dat er een middelmatige cultuurhistorische waarde aan de heuvel kan worden toegekend. Behoud van de heuvel in zijn huidige toestand is daarom niet noodzakelijk, maar in het rapport van RAAP is wel aanbevolen bij de terreininrichting rekening te houden met het groene open karakter en het reliëf. Volgens de raad voorziet het plan erin dat het terrein zoveel mogelijk intact wordt gelaten.

    Over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidschermen van 2,5 m hoogte stelt de raad dat die niet zijn getoetst aan het beeldkwaliteitsplan omdat die pas zullen worden geplaatst als een verdere beperking van de geluidbelasting in de toekomst nodig wordt geacht. Uit oogpunt van landschappelijke inpassing heeft de raad gesteld dat eventuele geluidschermen van 2,5 m hoogte aanvaardbaar zijn, omdat zij alleen kunnen worden geplaatst op de stroken grond waarbij hoge bomen staan. Zichtlijnen zullen daarom zo min mogelijk worden geschaad. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen, zal worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand.

17.2.    Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder o, van de planregels luidt: "De voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(...)

o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - geluidscherm', een geluidscherm."

    Artikel 3, lid 3.2, luidt: "Op de voor "Groen" aangewezen gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met dien verstande dat:

a. geluidschermen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'geluidscherm' en 'specifieke vorm van groen - geluidscherm';

b. de bouwhoogte van geluidschermen niet meer mag bedragen dan 2,5 meter;

(...)."

17.3.    Het beeldkwaliteitsplan, dat in januari 2017 is opgesteld door mRO, heeft blijkens paragraaf 1.1 daarvan tot doel om antwoord te geven op de vragen welke sfeer het gebied moet oproepen, wat centraal staat bij de inrichting van de openbare ruimte en welke typologie van de bebouwing gewenst is.

    In hoofdstuk 3 is een algemene omschrijving gegeven van de omgeving en zijn enkele uitgangspunten geadviseerd voor de plaatsing van de bebouwing en de buitenruimtes op de heuvel en de inpassing van de parkeerplaatsen.

    In hoofdstuk 4 zijn stedenbouwkundige uitgangspunten weergegeven die de basis vormen voor de verdere uitwerking van het programma binnen het plangebied. De uitgangspunten zijn (deels) vertaald in een kaart, die in hoofdstuk 4.3 van het beeldkwaliteitsplan is weergegeven. Daarbij is vermeld dat de heuvel zoveel mogelijk intact wordt gelaten, onder meer door ondergronds bouwen, dat de school zo ver mogelijk in de noordoosthoek van de Bremheuvel komt te liggen en dat de zone tussen het schoolgebouw en de provinciale weg wordt gebruikt voor parkeren.

    In hoofdstuk 5 van het beeldkwaliteitsplan zijn enkele algemene uitgangspunten voor de architectuur weergegeven. De bouwhoogte en het oppervlak van het schoolgebouw zijn daarbij weergegeven en er zijn uitgangspunten voor materiaal- en kleurgebruik en de beeldkwaliteitseisen voor de openbare buitenruimte weergegeven. Daarbij is vermeld dat voor het toe te passen materiaal en het kleurgebruik aansluiting wordt gezocht bij het natuurlijke karakter van de omgeving en het verbijzonderde karakter van het gebouw en dat toegepaste materialen duurzaam en hoogwaardig moeten zijn. Over het schoolplein is vermeld dat het hoofduitgangspunt is dat er één samenhangend geheel van het groene talud met het schoolplein moet zijn.

17.4.    De Afdeling overweegt dat, anders dan [appellant sub 1] veronderstelt, het beeldkwaliteitsplan niet louter uitgangspunten voor de welstand bevat, maar ook uitgangspunten voor de ruimtelijke inpassing van het schoolgebouw en speelplein, parkeerplaatsen en behoud van groen. De raad heeft blijkens de plantoelichting met de vaststelling van het beeldkwaliteitsplan beoogd zich te committeren aan de uitgangspunten en het kaartmateriaal in hoofdstuk 4 daarvan, omdat hij deze uitgangspunten onderschrijft als de planologisch wenselijke en aanvaardbare situatie op het gebied van de bescherming van de landschappelijke waarden van de Bremheuvel en omdat de welstandscommissie heeft gereageerd op het concept van het beeldkwaliteitsplan. In het beeldkwaliteitsplan is niet vermeld dat de Bremheuvel vanwege de cultuurhistorische waarden niet mag worden aangetast. In het beeldkwaliteitsplan zijn de cultuurhistorische en landschappelijke waarden onderkend, en is aan de hand van enkele uitgangspunten aangegeven hoe deze waarden ook planologisch zoveel mogelijk kunnen worden behouden. De Afdeling ziet in het aangevoerde daarom geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan, door ter plaatse van de Bremheuvel een ontwikkeling mogelijk te maken als in het plan voorzien, niet in overeenstemming zou zijn met het beeldkwaliteitsplan. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorzieningen en gebouwen die het plan mogelijk maakt in strijd zijn met de kaart in hoofdstuk 4.3 van het beeldkwaliteitsplan. Ook ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Zo is advies ingewonnen bij de Commissie en is cultuurhistorisch onderzoek verricht door RAAP. Voor het oordeel dat het rapport van RAAP onzorgvuldig is geweest, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanknopingspunten. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad gehouden was om naast het rapport van RAAP en het advies van de Commissie ook het Gelders Landschap om zijn mening te vragen. Evenmin heeft de raad de toelichting bij het hiervoor geldende bestemmingsplan uit 2008 bepalend hoeven achten bij het vaststellen van het ter beoordeling staande plan. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad na afweging van alle betrokken belangen aan het onaangeroerd blijven van de Bremheuvel een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die het plan dient.

17.5.    Het voorgaande leidt de Afdeling tot de slotsom dat het betoog dat het bestemmingsplan in strijd is met het beeldkwaliteitsplan en dat cultuurhistorische waarden onaanvaardbaar worden aangetast, faalt.

Luchtkwaliteit

18.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de luchtkwaliteit. Zij stellen dat enkel op basis van berekeningen en niet op grond van metingen is geoordeeld dat het plan niet in strijd is met de normen voor de luchtkwaliteit. Verder is volgens hen ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s als gevolg van fijn stof in de vorm van PM 2,5 op het schoolterrein. Ook zal het verwijderen van struiken ten behoeve van de bouw met zich brengen dat die geen fijn stof meer kunnen opvangen.

    [appellant sub 1] stelt dat het uit oogpunt van luchtkwaliteit niet nodig is om een zone van 50 m tussen de school en de provinciale weg aan te houden. Hij stelt dat de wettelijke grenswaarden voor de luchtkwaliteit niet worden overschreden of dreigen te worden overschreden. Het bouwvlak voor het schoolgebouw had daarom verder noordoostwaarts kunnen worden gelegd.

18.1.    De raad stelt dat door bureau Alcedo onderzoek is verricht naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit ten gevolge van de verkeerstoename. Uit het onderzoek blijkt dat de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10, en PM2,5 niet worden overschreden. Er is dus wel degelijk onderzoek gedaan naar PM2,5 en omdat de grenswaarden niet worden overschreden is sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het is volgens hem gebruikelijk dat het onderzoek gebaseerd is op berekeningen en niet op metingen. Metingen kunnen immers niet verricht worden aangezien de school nog niet is gebouwd, aldus de raad.

18.2.    In een rapport van 7 december 2015, opgesteld door Alcedo B.V., zijn de resultaten van het onderzoek naar de luchtkwaliteit weergegeven. Geconcludeerd is dat de wettelijke normen niet worden overschreden. Dat berekeningen zijn gemaakt en geen metingen zijn uitgevoerd acht de Afdeling niet in strijd met het recht. [appellante sub 3] en anderen hebben niet onderbouwd dat uit metingen zou blijken dat de toepasselijke normen worden overschreden. Voorts hebben [appellante sub 3] en anderen niet onderbouwd aangegeven wat de gevolgen van het verwijderen van struiken zijn voor de luchtkwaliteit bij hun woningen.

    Over het dichter bij de provinciale weg bouwen, overweegt de Afdeling dat in een advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (hierna: VGGM) van 28 januari 2013 is aangegeven dat er geen noodzaak is om nader onderzoek te doen naar de luchtkwaliteit ter plaatse, omdat de verblijfsruimten en buitenspeelplaats voor de kinderen verder dan 50 m van de provinciale weg liggen. Daarbij heeft de VGGM zich gebaseerd op de GGD Richtlijn luchtkwaliteit en gezondheid van het RIVM. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij, naast dit advies van de VGGM, ook een verdergaande bescherming tegen luchtvervuiling wil bieden aan de scholieren dan op grond van de wettelijke normen zou moeten. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad in dit geval een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het beschermen van kinderen tegen de gevolgen van fijn stof, dan aan het belang van [appellant sub 1] bij het behoud van zijn uitzicht. Het betoog faalt.

Ecologie

19.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat ten onrechte door de raad is gesteld dat dier- en plantensoorten die in de tuinen van omwonenden voorkomen buiten de strekking van het bestemmingsplan vallen. Een bestemmingsplan heeft reflexwerking naar de omgeving en dieren en planten houden zich niet aan grenzen. Ten onrechte wordt in de notitie van Foreest Groen van 11 november 2016 gesteld dat geen van de soorten een relevant beslag legt op het gebied en daarom geen enkele soort zal worden aangetast. Het verdwijnen van de Bremheuvel leidt volgens hen tot verschraling en afname van de biodiversiteit.

19.1.    De raad stelt dat voor soorten die hun verblijfplaats hebben in tuinen het plangebied een functie kan hebben als foerageergebied. Foerageergebieden zijn uitsluitend beschermd indien deze een onlosmakelijke eenheid vormen met vaste rust- en verblijfplaatsen en als bij het verdwijnen van het foerageergebied de gunstige staat van instandhouding van de soort gevaar loopt. In een Notitie van Foreest Groen Consult van 11 november 2016, die als bijlage bij de nota van zienswijzen is opgenomen, is ingegaan op de effecten van het plan op het foerageergebied van soorten die in tuinen zouden voorkomen. Per soort zijn de effecten beschreven. Hieruit kan volgens de raad worden geconcludeerd dat de realisatie van het plan geen (wezenlijke) invloed heeft op deze soorten en het aanwezig zijn van de diersoorten niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat.

19.2.    In de bovengenoemde notitie van 11 november 2016 is vermeld dat vleermuizen, eekhoorns, spechten en uilen, kevers en een snip in de tuinen rondom het plangebied voorkomen. In het rapport is vermeld dat genoeg foerageergebied overblijft voor deze dieren als het plangebied daarvoor wegvalt. [appellante sub 3] en anderen hebben die conclusie van het rapport niet gemotiveerd bestreden. De raad heeft zich gelet op de conclusie van het rapport in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot een zodanige afname van de biodiversiteit leidt, dat het plan om die reden niet had kunnen worden vastgesteld. Het betoog faalt.

Geluidhinder

20.    De stichting en anderen betogen dat de school onaanvaardbare geluidhinder in de nabije woonwijk met zich zal brengen. De woonwijk is te beschouwen als een rustige woonwijk waarvoor een norm van 45 dB(A) geldt. Deze norm wordt ruimschoots overschreden. De stichting en anderen stellen verder dat in het akoestisch rapport is vermeld dat om deze norm te halen een geluidscherm van 2 tot 2,5 m hoog nodig is aan de noordzijde en de oostzijde. Het plan voorziet evenwel enkel bij voorwaardelijke verplichting in een scherm van 1,6 m hoog.

    Verder stellen de stichting en anderen en Wolf-van Steenacker en anderen dat het geluid over het scherm heen zal gaan, vanwege het reliëf van de heuvel en de omstandigheid dat de school en het plein daaromheen op het hoogste punt liggen. Uit het akoestisch rapport is niet af te leiden of de geluidbelasting van de naschoolse opvang, peuterspeelzaal en de basisschool gelijktijdig optreedt, of is gemiddeld over de dagperiode. De stichting en anderen stellen dat planologisch had moeten worden vastgelegd hoeveel kinderen maximaal tegelijk buiten mogen spelen en ook het maximale aantal uren dat dat gebeurt. [appellante sub 3] en anderen betogen verder dat de verkeerstoename zal zorgen voor geluidoverlast.

20.1.    De raad stelt dat het geluidonderzoek op een representatieve geluidsituatie is gebaseerd. Verder stelt hij dat een geluidbelasting van 50 dB(A) in dit geval aanvaardbaar is, omdat deze aansluit bij de normen in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geluidhinder ten aanzien van industrielawaai. Verder treedt die geluidbelasting vrijwel alleen op tijdens de openings- en speeltijden van de school en dus niet de hele dag of het hele jaar. De geluidbelasting, zonder het stemgeluid mee te rekenen, bedraagt volgens hem slechts 39 dB(A) op de gevels.

    Over de geluidbelasting van het verkeer stelt de raad dat bij een deel van de woningen aan de Kapellenberglaan en Bremlaan de geluidbelasting zal afnemen, vanwege de afschermende werking van de school ten opzichte van de provinciale weg. De hoogste geluidbelasting zal 48 dB zijn, waarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai in de Wet geluidhinder. De raad stelt dat bij deze geluidbelasting niet voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege wegverkeer behoeft te worden gevreesd.

20.2.    Artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels luidt: "Het gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm" in de bestemming "Groen" over de volledige lengte van de aanduiding een geluidabsorberend geluidscherm met een bouwhoogte van minimaal 1,6 meter is gerealiseerd en in stand wordt gehouden."

20.3.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat een van de school met bijbehorende gebouwen uitgaande geluidbelasting van 50 dB(A) op de gevels van omliggende woningen aanvaardbaar kan worden geacht, omdat deze geluidbelasting in het Activiteitenbesluit milieubeheer gehanteerd wordt. Hoewel stemgeluid is uitgezonderd als te toetsen element voor de geluidbelasting in het Activiteitenbesluit milieubeheer, heeft de raad dit blijkens de plantoelichting vanuit het algemene principe van een goede ruimtelijke ordening wel meegenomen in de uiteindelijke afweging van de aanvaardbaarheid van het plan.

    In het akoestisch rapport dat aan het plan ten grondslag is gelegd, is in tabel 5 vermeld wat de bronsterkte is van het stemgeluid van de kinderen tijdens de buitenspeeltijden in de dagperiode. Daarbij is een uitsplitsing gemaakt voor de groepen 1 en 2, groep 3, groep 4 tot en met 8, de tussen- en buitenschoolse opvang, de peuterspeelzaal en de kinderdagopvang. De gemiddelde bronsterktes voor de vijf eerstgenoemde groepen zijn bepaald op 86 dB(A) en die voor de twee laatst genoemde op 76 (A). Voor het maximale geluidniveau is uitgegaan van 107 dB(A). In het rapport zijn vervolgens de bronsterktes gecorrigeerd voor het aantal kinderen en is aangegeven hoe lang de verschillende groepen in de dagperiode buitenspelen. Dit varieert van een half uur voor 120 kinderen in de tussenschoolse opvang tot tweeëneenhalf uur voor 16 kinderen in de kinderdag opvang. Weliswaar is in het rapport niet vermeld wat de bronsterkte is op het moment dat alle kinderen tegelijkertijd buiten zijn en tegelijkertijd hun maximale geluidniveau veroorzaken, maar de raad heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat deze situatie in de representatieve schoolsituatie niet te verwachten is. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat niet van een representatieve bronsterkte is uitgegaan en dat de raad de betreffende gegevens in het akoestisch rapport niet ten grondslag had mogen leggen aan de beoordeling van de geluideffecten.

    In het rapport is vermeld dat een geluidbelasting van 50 dB(A) kan worden gewaarborgd door een 1,6 m hoog geluidscherm aan de noordzijde van het plangebied. Blijkens de invoergegevens van het akoestisch rapport is voor het maximale geluidniveau van de kinderen gerekend met maaiveldhoogtes van 42,04 tot 47 m. Het geluidscherm van 1,6 m hoogte dat op grond van de voorwaardelijke verplichting moet worden opgericht, komt blijkens de hoogtekaart in de plantoelichting te liggen op de strook grond waarvan de hoogte 46,5 tot 48 m bedraagt. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad bij het bepalen van de hoogte van het geluidscherm onvoldoende rekening heeft gehouden met het reliëf van dit deel van de Bremheuvel. Nu de geluidgrenswaarde van 50 dB(A) kan worden gehaald door een geluidscherm van 1,6 m te plaatsen, heeft de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een hoger geluidscherm niet als voorwaardelijke verplichting in het plan hoefde te worden geregeld.

    Over het wegverkeerslawaai overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Niet gebleken is dat deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege verkeer met als bestemming de voorziene school behoeft te worden gevreesd. Het betoog faalt.

Waterhuishoudkundige gevolgen

21.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat de waterhuishoudkundige gevolgen van de gymzaal, die onder het maaiveld zal worden aangelegd, onvoldoende in beeld zijn gebracht. Voorts stellen zij dat onduidelijk is of al het hemelwater via infiltratie zal worden afgevoerd. Zij wijzen er op dat veel verhardingen worden aangelegd en dat er geluidwallen zullen worden aangelegd op funderingen die water tegenhouden. Volgens hen hadden daarom grindkoffers of een waterberging in het plan als voorwaardelijke verplichting moeten worden opgenomen.

21.1.    De raad stelt dat uit het bij de plantoelichting gevoegde bodemonderzoek blijkt dat de gemiddelde stand van het freatisch grondwater ongeveer 18,5 m boven NAP bedraagt, waardoor het grondwater zich naar verwachting op ongeveer 28,5 m onder maaiveld bevindt. De raad heeft er verder op gewezen dat de bouwput voor de gymzaal inmiddels is uitgegraven en dat daarbij geen grondwater is aangetroffen.

21.2.    In de plantoelichting is vermeld dat het uitgangspunt is dat het hemelwater in de bodem wordt geïnfiltreerd. De zandige bodem met een relatief hoge doorlatendheid staat dit volgens de plantoelichting ook toe. Verder is vermeld dat de school wordt aangesloten op het bestaande rioolsysteem. Het hemelwater op de terreinverhardingen wordt volgens de plantoelichting in principe geïnfiltreerd, maar tevens zal een overstortmogelijkheid worden gerealiseerd. Het hemelwater dat neerkomt op de bebouwing en op de terreinverhardingen wordt niet afgevoerd via de riolering, maar kan, bijvoorbeeld via grindkoffers, infiltreren naar het grondwater. Volgens de plantoelichting zal vanwege de toename van het verhard oppervlak een waterberging van 185 m3 moeten worden aangelegd. Ter zitting heeft de raad verklaard dat overleg is gevoerd met het waterschap over deze waterberging. Hij heeft toegezegd dat de berging zal worden uitgevoerd overeenkomstig de eisen van het waterschap en verklaard dat dit ook mogelijk is, nu de gemeente eigenaar is van de betreffende gronden, realisator is van de in het plan voorziene ontwikkeling en de gemeente daarop ook aanspreekbaar is. [appellante sub 3] en anderen hebben niet onderbouwd dat onder deze omstandigheden voor onaanvaardbare wateroverlast ter plaatse van hun woningen behoeft te worden gevreesd.

Over de gymzaal overweegt de Afdeling dat [appellante sub 3] en anderen het standpunt van de raad met betrekking tot de grondwaterstand niet gemotiveerd hebben bestreden. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gymzaal geen onaanvaardbare waterhuishoudkundige effecten zal hebben. Het betoog faalt.

Draagvlak en maatschappelijke uitvoerbaarheid

22.    De stichting en anderen stellen dat er geen maatschappelijk draagvlak bestaat voor de nieuwe locatie van de school. Voorts is volgens hen de raad ten onrechte niet in de nota van zienswijzen ingegaan op bijlage 19 van de zienswijze, waarin dit aspect uitvoerig is besproken.

[appellante sub 3] en anderen stellen dat de ingestelde klankbordgroep niet serieus is genomen.

22.1.    De raad stelt dat de omstandigheid dat de omwonenden het niet eens zijn met de ontwikkeling niet betekent dat er geen draagvlak is. Hij stelt dat er voorstanders voor het plan zijn.

22.2.    Artikel 3.1.6, aanhef en onder e en f, van het Bro luidt: "Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

(…)

e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken".

22.3.    In hoofdstuk 8 van de plantoelichting is ingegaan op de maatschappelijke gevolgen van het plan en welke organisaties zijn geconsulteerd in de fase voor het opstellen van het ontwerp van het plan. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, aanhef en onder e, tot stand is gekomen. Voorts is in de nota van zienswijzen onder paragraaf 3.10 "Maatschappelijke uitvoerbaarheid" in algemene zin een antwoord gegeven op de zienswijzen over maatschappelijke uitvoerbaarheid. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad zienswijze samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7724, overweging 2.4.2). Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

    Over de klankbordgroep overweegt de Afdeling dat het instellen of raadplegen van een dergelijke groep geen wettelijk vereiste is en dat de raad niet gebonden is aan de mening van een klankbordgroep. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het plan wegens strijd met de uitkomsten van het overleg met de klankbordgroep zou moeten worden vernietigd. Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

23.    De stichting en anderen betogen dat het taakstellend budget dat de raad heeft gereserveerd tekortschiet. Zij stellen dat de kosten van de aanleg van een geluidscherm, de toegangsweg en de parkeerplaatsen en ook de aanpak van de ontsluitingswegen, de realisatie van de veilige oversteek, de te vergoeden planschade en de kosten voor het opruimen van munitie uit de Tweede Wereldoorlog zijn onderschat. Verder menen zij dat het onduidelijk is in hoeverre het aanbestedingstraject zorgvuldig is verlopen en of er nog risico’s bestaan. Voorts stellen zij dat de overeenkomst met de projectontwikkelaar wankel is en dat niet duidelijk is wie de bouw van de gymzaal zal verzorgen. Zij stellen dat met een klein aantal kinderen de school niet rendabel is en met de onduidelijkheden over de verhuur van de gymzaal in de periodes dat er geen gymles is, het totale budget met 1,2 miljoen euro zal stijgen. [appellante sub 3] en anderen betogen dat de formule van een brede school een achterhaald concept is en dat niet bekend is of er voldoende middelen voor zijn. Zij betogen dat de reserves van de gemeente niet kunnen worden ingezet voor de aanleg en exploitatie van de school. Verder stellen zij dat in de raadsvergadering van 28 maart 2017 een herziening van het begrotingsontwerp is opgesteld.

23.1.    De raad stelt dat de bouw van de school en het direct omliggende terrein is aanbesteed en dat er een overeenkomst is gesloten met een aannemer. Ook is er een raming voor de inrichting van het terrein en is er een overeenkomst gesloten met de provincie voor het aanleggen van de oversteekplaats op de provinciale weg voor fietsers. Het ter zake beschikbaar gestelde krediet blijkt daarvoor toereikend te zijn.

23.2.    Volgens de plantoelichting is een budget voor de school vastgesteld van 4,8 miljoen euro. Na een inventarisatie van de mogelijke planschade is deze geraamd op 260.000 euro. Voor het realiseren van de oversteek over de provinciale weg is een overeenkomst gesloten met de wegbeheerder, te weten de provincie Gelderland. Op basis van een raming van de provincie is voor de veilige oversteek van de provinciale weg door de raad een krediet beschikbaar gesteld van 350.000 euro. Verder is vermeld dat een overschrijding van het budget niet wenselijk is, maar dat gelet op de financiële positie, de algemene reserve en de liquiditeit van de gemeente een overschrijding geen probleem zou zijn. De stichting en anderen hebben niet inzichtelijk gemaakt waarom deze bedragen onjuist zouden zijn, dan wel waarom eventueel extra benodigd budget niet kan of niet mag worden verstrekt. Voorts is niet onderbouwd dat de eventuele kosten voor het opruimen van munitie zo hoog zullen zijn dat het plan financieel niet meer kan worden uitgevoerd. Over de aanbestedingsprocedure overweegt de Afdeling dat de eventuele verplichting tot aanbesteding van de uitvoering op zichzelf niet in de weg staat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De enkele omstandigheid dat ten tijde van het vaststellen van plan nog niet duidelijk was wie de gymzaal zou gaan bouwen, maakt niet dat het plan onuitvoerbaar is. Voorts is niet gebleken dat de financiële haalbaarheid van het plan afhankelijk is van de verhuur van de gymzaal aan derden. Daarbij betrekt de Afdeling dat ingevolge artikel 4, lid 4.3.2, van de planregels de gymvoorzieningen uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van schoolgerelateerde activiteiten. Over de gewijzigde begroting overweegt de Afdeling dat dit, daargelaten of dit tot een ander oordeel zou moeten leiden, dateert van na het nemen van het bestreden besluit en daarom niet kan leiden tot de vernietiging daarvan. Het voorgaande brengt de Afdeling tot de slotsom dat de raad in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat financiële aspecten niet op voorhand een belemmering zijn voor de uitvoering van het plan binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Het betoog faalt.

Wijzigingsbevoegdheid

24.    [appellante sub 3] en anderen betogen dat de wijzigingsbevoegdheid die in artikel 4, lid 4.4, van de planregels is opgenomen, te ruim is.

24.1.    De raad stelt dat in de definities in de planregels duidelijk is omschreven wat onder maatschappelijke voorzieningen valt. Daarmee is duidelijk ingekaderd welke andere maatschappelijke voorzieningen dan een school mogelijk zijn.

24.2.    Artikel 4, lid 4, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het plan te wijzigen om andere maatschappelijke voorzieningen dan bedoeld in lid 4.1, onder a, toe te staan, mits:

a. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;

b. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast."

    Lid 4.1, aanhef en onder a, luidt: "De voor maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen in de vorm van:

1. Een school met bijbehorende gymvoorzieningen;

2. Een peuterspeelzaal;

3. Kinderopvang;"

    Artikel 1, lid 1.20 luidt "Maatschappelijke voorzieningen: voorzieningen op het gebied van welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, onderwijs (inclusief bijbehorende gymvoorzieningen), verenigingsleven, opvoeding, kinderopvang, openbaar bestuur en andere openbare en sociale voorzieningen."

24.3.    Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) luidt: "Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen."

24.4.    Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsregeling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsregeling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

    De raad heeft in de stukken noch ter zitting inzichtelijk gemaakt onder welke omstandigheden de wijzigingsbevoegdheid zal worden toegepast. Verder maakt de definitie in artikel 1, lid 1.20, van de planregels, artikel 4, lid 4, het mogelijk dat andere openbare en sociale voorzieningen in het schoolgebouw worden gevestigd. Niet duidelijk is evenwel wat moet worden verstaan onder "andere openbare en sociale voorzieningen". Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief bepaald. Het betoog slaagt.

De omgevingsvergunning voor het bouwen

25.    De stichting en anderen betogen dat de gegevens van de aanvrager om de omgevingsvergunning niet blijken uit het aanvraagformulier. Nu aan de aanvraag een fundamenteel gebrek kleeft, had daarop niet kunnen worden beslist. Dat uit de ontwerpvergunning zou blijken wie de aanvrager is, maakt dat niet anders.

25.1.    Het college stelt dat de vergunning is verleend aan de aanvrager, in dit geval ARX Architecten. Hij stelt dat door het digitale omgevingsloket waar de aanvraag is ingediend twee formulieren worden gegenereerd, namelijk een formulier dat gepubliceerd kan worden en een formulier dat voor de toetsing kan worden gebruikt. Alleen het te publiceren formulier is als bijlage bij de vergunning gevoegd.

25.2.    Op het aanvraagformulier, zoals dat is gegenereerd door het digitale Omgevingsloket en gepubliceerd is met het besluit tot vergunningverlening, zijn de NAW-gegevens van de aanvrager niet vermeld. Uit het ontwerp van het besluit van vergunningverlening en uit de aanvulling aanvraag blijkt evenwel dat ARX Architecten de aanvrager om vergunning is. Het is daarom aannemelijk dat ARX Architecten haar naam, adres en woonplaats heeft ingevuld in het elektronische aanvraagformulier zoals ingediend bij het Omgevingsloket. Zonder die gegevens kon het college immers het (ontwerp van het) besluit tot vergunningverlening niet aan de aanvrager toezenden en haar het aangevraagde vergunnen of haar verzoeken om een aanvulling op de aanvraag. Voorts blijkt ook uit de aanvulling op de aanvraag dat deze door ARX Architecten was ingediend. Voor het oordeel dat het aanvraagformulier niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.3 van het ROR en dat het college de aanvraag daarom wegens een fundamenteel gebrek buiten behandeling had moeten laten, ziet de Afdeling geen aanleiding. Het betoog faalt.

Welstand

26.    De stichting en anderen en [appellante sub 3] en anderen betogen dat het college in dit geval geen genoegen had kunnen nemen met het stempeladvies van de welstandscommissie, waarbij positief is geadviseerd over het bouwplan. Volgens hen had het op de weg gelegen van het college om een gemotiveerd advies aan de welstandscommissie te vragen, gelet op de bezwaren die zijn geuit tegen het ontwerp van het beeldkwaliteitsplan die eveneens geacht moesten worden te zijn gericht tegen de welstandelijke aspecten van de omgevingsvergunning. Verder betogen zij dat de school met het geluidscherm niet past in het beeld van de omgeving. De massa en bouwvorm sluit niet aan bij de woonwijk en er is geen architectonische harmonie tussen de bestaande woonbebouwing en de school. Ook het landschappelijke en historische karakter van het kasteeldorp wordt ernstig aangetast, onder meer omdat de school een gebouw met twee lagen is en op de Bremheuvel zal worden gebouwd. Daarmee stijgt de school uit boven de omgeving. Ook op zichzelf beschouwd voldoet het bouwwerk niet aan de redelijke eisen van welstand.

    [appellante sub 3] en anderen betogen dat het bouwplan in strijd is met de Welstandsnota. In de Welstandsnota ontbreken welstandscriteria specifiek toegeschreven op deze locatie, omdat de Bremheuvel planologisch altijd als groen en niet bebouwbaar was bestemd. Wanneer de uitgangspunten van de Welstandsnota worden vertaald naar de Bremheuvel, blijkt dat de openheid van de bebouwingsopzet en het groene karakter van het straatbeeld worden verstoord door de grote bouwmassa van de school. Zij betwisten dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, de bouwverordening, het Bouwbesluit en het beeldkwaliteitsplan.

26.1.    Het college stelt dat het plan drie keer in het kader van vooroverleg in de voltallige welstandscommissie besproken is. Bij de derde behandeling was het ontwerpplan in principe akkoord en werden er nog slechts enkele aanbevelingen op detailniveau gedaan. Het plan dat in het kader van de aanvraag is beoordeeld week niet af het laatste ontwerpbouwplan dat was behandeld in de voltallige commissie. Aangezien de mening van de commissie bekend was, is het plan onder mandaat, met een zogenaamd stempeladvies afgedaan, aldus het college.

    Over de welstand stelt het college onder meer dat de kavels in de omgeving, net als de kavel waarop de school komt, zeer ruim zijn en dat het bebouwingsbeeld relatief divers en vooral individueel is wat betreft architectonische uitstraling. Verder wijst het college er op dat naar aanleiding van het advies van de welstandcommissie over de eerste schetsontwerpen het gebouw lager bij het maaiveld is geplaatst en dat de raamkaders ingetogener van kleurstelling zijn. Ook zal het geluidscherm in de bosstrook worden opgericht en zal het een groene uitstraling krijgen. Het landschappelijk karakter van het kasteeldorp zal niet worden verstoord, aldus het college.

26.2.    Artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht luidt: "Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

    […]

    d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend."

    Artikel 12a, eerste lid,  van de Woningwet luidt: "De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling:

a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;

(…)".    

26.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2747, overweging 5.2), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook die laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met redelijke eisen van welstand of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

26.4.    De Afdeling overweegt dat, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, het bouwplan onder meer is getoetst aan de algemene welstandscriteria in de welstandsnota. Voorts is het beeldkwaliteitsplan in samenspraak met de welstandscommissie opgesteld. Daarin zijn ook uitgangspunten voor de welstand opgenomen. De aanvraag om de omgevingsvergunning is aan een toen voorhanden zijnd ontwerp ervan getoetst. De welstandscommissie heeft op 7 september 2016 een positief advies afgegeven. De Stichting en anderen hebben geen advies van een deskundige overgelegd waarin het advies van de welstandscommissie wordt bestreden. Dat de stichting en anderen er een andere inrichtingsvisie op na houden dan de welstandcommissie, brengt niet met zich dat het bouwplan in strijd is met de welstandscriteria en dat het college aan advisering vanwege de welstandscommissie geen doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen. Niet gesteld of gebleken is dat in het door het college gevolgde welstandsadvies van een onjuiste feitelijke situatie wordt uitgegaan, dat de welstandscommissie aan onjuiste criteria heeft getoetst of dat die criteria naar hun aard aanleiding kunnen geven tot uiteenlopende waarderingen van het bouwplan. In het aangevoerde ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Verder hebben de stichting en anderen geen argumenten naar voren gebracht waarom het bouwplan in strijd met de bouwverordening of het beeldkwaliteitsplan is. Het betoog faalt.

De omgevingsvergunning voor het kappen

27.    [appellante sub 3] en anderen kunnen zich niet verenigen met de kap van twee bomen aan de Schelmseweg en drie bomen op de Bremheuvel. Deze bomen zijn beeldbepalend en zorgen voor biodiversiteit. Tot slot stellen zij dat het college onvoldoende op hun zienswijze hieromtrent is ingegaan.

27.1.    Artikel 4.11, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV) luidt: "De vergunning kan worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand."

27.2.    De Afdeling overweegt dat het college de aanvraag om de vergunning voor het kappen van bomen heeft getoetst aan de bovengenoemde facultatieve weigeringsgronden als opgesomd in de APV en in zijn besluit heeft gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat in ieder geval twee bomen worden gekapt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de bomen niet beeldbepalend, zoals bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder d, van de APV, zijn. [appellante sub 3] en anderen hebben dit niet overtuigend bestreden. Het college heeft daarom terecht in de APV geen reden gezien om de kapvergunning te weigeren. Ook anderszins hebben [appellante sub 3] en anderen niet gemotiveerd onderbouwd dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 4.11, tweede lid, van de APV is verleend. Het betoog faalt.

Slotconclusie

28.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] en anderen gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro te worden vernietigd, voor zover het artikel 4, lid 4, van de planregels betreft. De beroepen van [appellant sub 1] en de stichting en anderen zijn ongegrond. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

29.    De raad dient wat betreft [appellante sub 3] en anderen op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] en de stichting en anderen bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 3] en anderen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rozendaal van 31 januari 2017 waarbij het bestemmingsplan "Dorpsschool Rozendaal" is vastgesteld voor zover het betreft artikel 4, lid 4.4, van de planregels;

III.    draagt de raad van de gemeente Rozendaal op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel onder II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV.    verklaart de beroepen [appellant sub 1] en de Stichting Behoud Karakter "Bremheuvel" en anderen ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Rozendaal tot vergoeding van bij [appellante sub 3] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Rozendaal aan [appellante sub 3] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Van Helvoort

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018

361.