Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
201707914/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4495, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2016 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707914/1/A3.

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 augustus 2017 in zaak nr. 17/1289 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister voor Rechtsbescherming.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2016 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 16 maart 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.J.M. Smelt, advocaat te Eindhoven, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Trijsburg, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De relevante wettelijke bepalingen uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 2013, 5409, hierna: de beleidsregels) zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage is bij de uitspraak gevoegd en maakt hiervan deel uit.

2.    [appellant] heeft een aanvraag ingediend ter verkrijging van een VOG. Die VOG heeft hij aangevraagd om de door hem gewenste werkzaamheden bij Mad Science, vergelijkbaar met de functie van docent basisschool, te kunnen blijven verrichten. De staatssecretaris heeft bij de beoordeling van de aanvraag van [appellant] de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de beleidsregels. Daarnaast heeft de staatssecretaris het specifieke screeningsprofiel onderwijs op de aanvraag toegepast. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen in verband met de registratie van een zedendelict in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS).

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat uit het besluit van 16 maart 2017 blijkt dat de staatssecretaris de persoonlijke omstandigheden van [appellant] heeft meegewogen. Ook heeft de staatssecretaris bij de beoordeling betrokken dat de strafrechtelijke veroordeling uit 2005 stamt en dat [appellant], mede gezien zijn leeftijd, mogelijk beperkte kansen heeft op de arbeidsmarkt. Verder hoefde de staatssecretaris niet nader in te gaan op de omstandigheden waaronder het strafbare feit werd gepleegd en de omstandigheden van de strafprocedure. De staatssecretaris heeft voorts een groot gewicht toegekend aan het niet lichte karakter van het delict en aan de omstandigheid dat [appellant] bij Mad Science met minderjarige kinderen zou werken waarbij sprake is van een afhankelijkheidssituatie en machtsongelijkheid. De staatssecretaris heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het belang van de samenleving bij de weigering de VOG te verstrekken een groter gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van [appellant] bij verstrekking daarvan en dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van [appellant]

4.    [appellant] betoogt dat de weigering de VOG te verlenen evident disproportioneel is. Hij voert aan dat het niet makkelijk is om in een andere branche te gaan werken en dat hij in het verleden door het werk in de verzekeringsbranche juist persoonlijke problemen heeft gekregen. Verder is de rechtbank ten onrechte niet nader ingegaan op de omstandigheden van de strafrechtelijke veroordeling. Hij wijst daarbij onder meer op het feit dat hij niet werd bijgestaan door een advocaat. Daarnaast had van belang moeten worden geacht dat het delict destijds niet is gepleegd in de uitoefening van een beroep en dat het alleen het bezitten en bekijken van beeldmateriaal betrof. [appellant] verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:8815 en betoogt dat ook in zijn geval onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat hij soortgelijke werkzaamheden al 16 jaar heeft uitgevoerd. [appellant] geeft bovendien educatief entertainment aan groepen kinderen en er is dus geen sprake van één-op-éénrelaties. Het is onbegrijpelijk dat hij deze functie wel in zijn eigen bedrijf mag uitoefenen maar niet in dienst van een bedrijf als Mad Science, aldus [appellant].

Het standpunt van de minister

5.    De minister heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting benadrukt dat van belang is dat kinderen zich in een veilige en vertrouwde leeromgeving moeten kunnen ontwikkelen. Daarom worden hogere integriteitseisen gesteld aan de functie van docent op een basisschool. In de functie-uitoefening van docent is sprake van een gezags- en afhankelijkheidsrelatie en machtsongelijkheid ten opzichte van de leerlingen. Dit kan hen kwetsbaar maken voor onzedelijk gedrag. De minister benadrukt voorts dat hij een eigen wettelijke taak, verantwoordelijkheid en beoordelingskader heeft bij het beschermen van de samenleving tegen onaanvaardbare risico's. Naar aanleiding van een aanvraag wordt aan de hand van de beleidsregels vastgesteld of er een risico voor de samenleving bestaat als een VOG wordt afgegeven. In dit geval is het risico voor de samenleving nog te groot. [appellant] dient over een langere periode te laten zien dat hij geen strafbare feiten meer pleegt en dat de door hem gestelde gedragsverbetering bestendig is, aldus de minister.

Het oordeel van de Afdeling

6.    Omdat [appellant] is veroordeeld voor een zedendelict als bedoeld in de beleidsregels mocht de staatssecretaris het zogenoemde verzwaarde subjectieve toetsingscriterium hanteren. Er bestaat op grond daarvan slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot afgifte van een VOG, omdat sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. De VOG kan daarom enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt, zo volgt uit de beleidsregels, beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden van het geval die altijd bij de beoordeling van het subjectieve criterium worden betrokken zijn onder andere de afdoening van de strafzaak en het tijdsverloop.

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het subjectieve criterium geen aanleiding geeft om alsnog over te gaan tot afgifte van de VOG. Het beroep dat [appellant] doet op de onder 4. genoemde uitspraak maakt dat niet anders, omdat in die zaak de termijn van 20 jaar bijna geheel verstreken was en de registratie van [appellant] een veroordeling uit 2005 betreft. Verder heeft de staatssecretaris in dit geval om zijn standpunt goed en zorgvuldig te kunnen bepalen informatie bij het Openbaar Ministerie opgevraagd om zich te vergewissen van de feiten en omstandigheden van de in het JDS vermelde veroordeling. Tevens blijkt uit het besluit van 16 maart 2017 dat de staatssecretaris de leeftijd en het arbeidsverleden van [appellant] bij zijn beoordeling heeft betrokken. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering van de VOG in dit geval niet evident disproportioneel is.

Conclusie en proceskosten

7.    Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2018

545. BIJLAGE

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35

1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

[…]

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013

Paragraaf 3

[…] Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS, wordt zonder meer een VOG afgegeven.

    Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium (zie hieronder paragraaf 3.2 en 3.3).

Paragraaf 3.1

Bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager wordt een terugkijktermijn in acht genomen. […]

Paragraaf 3.1.1

Ten aanzien van de periodes waarover wordt teruggekeken wordt een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de terugkijktermijn niet in duur wordt beperkt en gevallen waarin de terugkijktermijn wel in duur wordt beperkt.

Terugkijktermijn niet in duur beperkt

In de navolgende gevallen wordt de terugkijktermijn niet in duur beperkt:

Indien het justitiële gegevens betreft over misdrijven tegen de zeden zoals opgenomen in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 250a tot en met 250ter (oud) en/of artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en/of s 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht. In het navolgende zal in dit verband worden gesproken over zedendelicten zoals bedoeld in deze beleidsregels.

[…]

Paragraaf 3.2

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

[…]

Paragraaf 3.2.2

Het COVOG toetst of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat.

    Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is niet relevant of het feit plaatsvond in de privésfeer. Evenmin is het relevant of er sprake is van een reëel recidivegevaar.

Paragraaf 3.2.3

Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Paragraaf 3.2.4

De relatie tussen het justitiële gegeven en de functie/taak/bezigheid die de aanvrager gaat vervullen bepaalt of een justitieel gegeven, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid kan voorts bestaan op grond van:

- de aard van het delict en/of

- de locatie waar de werkzaamheden worden verricht.

Bij zedendelicten als bedoeld in deze beleidsregels wordt - naast het bovenstaande - óók beoordeeld of bij de uitoefening van de betreffende functie/taak/bezigheid sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. Indien daarvan sprake is, wordt altijd uitgegaan van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid. Indien er sprake is van een zedendelict en de betreffende functie/taak/bezigheid wordt uitgevoerd op een locatie waar zich kwetsbare personen bevinden wordt eveneens altijd uitgegaan van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.3

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

[…]

Paragraaf 3.3.1

Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG.

Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

- de afdoening van de strafzaak;

- het tijdsverloop;

- de hoeveelheid antecedenten.

[…]

Paragraaf 3.3.2.

Bij misdrijven tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of wanneer op grond van de locatie een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie wordt aangenomen. In de hieronder genoemde gevallen geldt een verscherpt toetsingskader waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de VOG wordt geweigerd.

1.    […]

2.    De aanvrager is in de twintig jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels éénmaal veroordeeld tot:

- een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf,

- (on)voorwaardelijke TBS,

- (on)voorwaardelijke jeugddetentie,

- een (on)voorwaardelijke PIJ, plaatsing in een tuchtschool of APZ en/of

- een (on)voorwaardelijke taakstraf.

3.    […]

De VOG kan enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

Screeningsprofielen

De specifieke screeningsprofielen

60. Onderwijs

Onder dit screeningsprofiel valt al het personeel dat werkzaam is op een educatieve instelling. Het screeningsprofiel is van toepassing op functies bij educatieve instellingen in onder andere het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Zij zijn belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van leerlingen. Zodra leerlingen aan de zorg van (onderwijzend) personeel zijn toevertrouwd, kunnen zich één op één relaties voordoen waarbij sprake is van afhankelijkheid. Het risico bestaat van machtsmisbruik, bijvoorbeeld door middel van afpersing, chantage (afdreiging) of zeden en geweldsdelicten.

Sommige functionarissen - zoals de directeur, (con)rectoren en het administratieve personeel hebben toegang tot gevoelige informatie. Het risico bestaat van misbruik van gegevens, bijvoorbeeld door middel van afpersing, chantage, diefstal en verduistering van gegevens.

Directeuren en (con)rectoren sturen de organisatie en het personeel aan en hebben instructiebevoegdheden jegens hun medewerkers. Medewerkers zouden aangezet kunnen worden tot strafbare gedragingen.