Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
201800895/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Goossen Janssenstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/250 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2018/249 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JWA 2018/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800895/1/R1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Ophemert, gemeente Neerijnen (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),

en

de raad van de gemeente Neerijnen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Goossen Janssenstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2018, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door K. Antonise MSc, K. Smit en ing. J.J.J. de Vrees, zijn verschenen. De zaak is ter zitting gevoegd behandeld met zaak nr. 201708597/1/R1. De Afdeling heeft de zaken na de zitting gesplitst.

Buiten bezwaar van partijen zijn ter zitting stukken overgelegd.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het plan voorziet in de bouw van twee woningen op de hoek van de Waalbandijk en de Goossen Janssenstraat te Ophemert. De locatie is gelegen aan de rand van de kern Ophemert, aan de binnenzijde van de Waalbandijk, die direct ten zuiden van het plangebied gelegen is. De initiatiefnemer is [partij].

    [appellant], omwonende, kan zich niet met het plan verenigen. [appellant] vreest onder meer voor de gevolgen van het plan ten aanzien van de waterhuishouding, de verkeersveiligheid en het leefgebied van de bever.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Plangrens

3.    [appellant] voert aan dat de raad ten onrechte het op 21 september 2017 vastgestelde bestemmingsplan "Slingerbos" niet samen met dit plan in één bestemmingsplan heeft opgenomen. Nu de raad heeft gekozen voor twee aparte bestemmingsplannen is een integrale analyse, afweging en beoordeling moeilijk te maken. In dit verband wijst [appellant] op het nabijgelegen Natura 2000-gebied en de effecten daarop als gevolg van het plan.

3.1.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft toegelicht dat dit plan en het plan "Slingerbos" twee verschillende trajecten zijn, met een afwijkende planning en een andere ontwikkelaar. Het traject voor de ontwikkeling binnen dit plan, een particulier initiatief, is reeds gestart in 1992. Pas later zijn de plannen van de gemeente voor de ontwikkeling waar het plan "Slingerbos" op ziet, ontstaan. Gelet op de toelichting door de raad, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet is gebleken dat tussen de gronden in dit plangebied en het gebied van het bestemmingsplan "Slingerbos" een zodanige samenhang bestaat dat de raad de begrenzing van dit plangebied niet zo heeft kunnen vaststellen en deze gronden in het bestemmingsplan "Slingerbos" had moeten betrekken.

    Het betoog faalt.

Woonvisie Gelderland en behoefte

4.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte de bouw van twee vrijstaande woningen in het dure segment mogelijk maakt, nu dit in strijd is met de Woonvisie Gelderland en een behoefte aan dure woningen ontbreekt. [appellant] wijst op de beleidsopgaven die staan opgenomen in het tweede deel van de Woonvisie Gelderland waaruit volgt dat in de regio Rivierenland beduidend meer woningen in het goedkope segment moeten worden gebouwd en beduidend minder woningen in het dure segment. De raad faciliteert de bouw van nieuwe woningen voor een andere doelgroep dan op grond van de Woonvisie Gelderland noodzakelijk is.

4.1.    Op de verbeelding is aan het plangebied grotendeels de bestemming "Wonen" toegekend met twee bouwvlakken. Aan de bouwvlakken is de bouwaanduiding "vrijstaand" toegekend.

    In het plan is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4 Wonen

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

[…]

4.2 Bouwregels

4.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ mogen uitsluitend de aangeduide type worden gebouwd;

b. hoofdgebouwen dienen binnen het aangeduide bouwvlak te worden gebouwd;

[…]"

4.2.    Voor zover het betoog van [appellant] ziet op de Woonvisie Gelderland overweegt de Afdeling het volgende. Om ontwikkelingen op de regionale woningmarkt inzichtelijk te maken, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland de Woonvisie Gelderland opgesteld. De Woonvisie Gelderland bestond uit drie delen. Het eerste en het tweede deel met daarin algemene beleidsvoornemens en een toespitsing van de woonvisie op regionaal niveau zijn bij het besluit van provinciale staten van 9 juli 2014 tot vaststelling van de Omgevingsvisie Gelderland, ingetrokken. Het derde deel is een regionaal afsprakenpakket over de ambities en opgaven op het gebied van wonen, vastgelegd in het Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 (hierna: Kwalitatief Woonprogramma) van de provincie Gelderland. De beleidsopgave waar [appellant] naar verwijst, stond opgenomen in het tweede deel van de Woonvisie Gelderland. Nu dit deel is ingetrokken ziet de Afdeling reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met het tweede deel van de Woonvisie Gelderland.

    Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan strijdig is met het derde deel van de Woonvisie Gelderland, het Kwalitatief Woonprogramma. Uit het Kwalitatief Woonprogramma volgt dat de gemeenten in de regio Rivierenland de opdracht hebben gekregen om gezamenlijk te werken aan een "goedkoper programma". Daarbij staat aangegeven dat deze opgave in een aantal gemeenten anders kan liggen in verband met een relatief reeds omvangrijke aanwezige minder dure voorraad. In het Kwalitatief Woonprogramma is afgesproken dat de gemeenten in de regio zich gezamenlijk met de provincie zullen inspannen om het regionaal woonprogramma 2010-2019 om te buigen naar minder dure woningen, hetgeen volgens het Kwalitatief Woonprogramma betekent dat 46 procent van de nieuw te bouwen woningen in de minder dure segmenten vallen. Naar het oordeel van de Afdeling volgt hieruit niet dat er geen nieuwbouw van woningen in het dure segment meer mogelijk is, maar dat de gemeenten in de regio in onderling overleg afspraken moeten maken om aan de woningbehoefte in de regio te kunnen voldoen.

    Het betoog faalt in zoverre.

4.3.    Voor zover het betoog van [appellant] ziet op de behoefte overweegt de Afdeling het volgende. Voor de beoordeling van de behoefte aan deze ontwikkeling heeft de raad gebruik gemaakt van het regionale woningbouwprogramma van de regio Rivierenland. Meer specifiek heeft de raad gebruik gemaakt van het Regionaal Woningbehoefteonderzoek Regio Rivierenland van 28 april 2015 en de Monitor 2016, actualisatie en vervolgacties, van 20 juni 2017 van de Regionale woningbouwprogrammering Rivierenland. Uit de monitor blijkt dat de woningbehoefte in Neerijnen in de periode 2015-2025 553 woningen bedraagt. De raad heeft toegelicht dat binnen de regio een behoefte bestaat van 10.225 woningen, waarvan 553 woningen zijn toegekend aan Neerijnen. De gemeente verdeelt deze 553 woningen zelf over de verschillende deelgebieden in de gemeente. Van deze 553 woningen moet 36 procent in het sociale segment gebouwd worden. Dit percentage ziet op de gehele gemeente en niet op elk plan afzonderlijk. Nu uit de monitor blijkt dat de zogenoemde harde plancapaciteit in Neerijnen 379 woningen bedraagt, het plan "Slingerbos" voorziet in maximaal 77 woningen en de raad heeft toegelicht dat in 2015 en 2016 in totaal 91 woningen zijn opgeleverd, wordt het aan Neerijnen toegekende aantal van 553 woningen na vaststelling van dit plan dus nog niet overschreden.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in een behoefte.

    Het betoog faalt.

Alternatieven

5.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte op deze locatie voorziet in een woonbestemming, nu de bestemmingswijziging ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving, het plangebied zeer kwetsbaar is vanwege de waterproblematiek, de belangrijke archeologische waarden en de beschermde natuuromgeving. Andere inbreidingslocaties zoals "Kern Ophemert" en "Sportvelden" zouden de voorkeur moeten hebben boven deze uitbreidingslocatie.

5.1.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in de afweging te worden meegenomen.

    De raad heeft toegelicht dat alternatieven zijn onderzocht. De raad heeft gekeken naar de door [appellant] aangedragen locatie "Sportvelden". Volgens de raad zijn de kosten voor de verplaatsing van de sportvelden echter te hoog gebleken. Ten aanzien van de locatie "Kern Ophemert" heeft de raad toegelicht dat de twee woningen weliswaar binnen de kern van Ophemert zouden kunnen worden voorzien, maar dan zou deze locatie - waar bovendien al eerder een woning heeft gestaan - een niet openbaar toegankelijk, braakliggend terrein blijven dat begroeid is met gras. Onder verwijzing naar het voorgaande stelt de raad zich op het standpunt dat het belang van de ontwikkelaar bij de ontwikkeling van de twee woningen op de bij hem in eigendom zijnde locatie "Goossen Janssenstraat" zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het behoud van de bestemming "Groen".

    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de voor- en nadelen van alternatieve locaties voldoende in zijn afweging heeft meegenomen.

    Het betoog faalt.

Waterhuishouding

6.    [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderzocht hoe de kwelwaterproblemen op zijn perceel kunnen worden opgelost en wat de gevolgen van het plan zijn ten aanzien van de waterhuishouding. [appellant] wijst in dit verband op het kwelwater in het plangebied als gevolg van de hoge waterstand in de rivier de Waal. [appellant] vreest op zijn perceel voor onaanvaardbare wateroverlast als gevolg van het kwelwater dat volgens hem naar boven zal komen door de verhogingen en verhardingen in het plangebied. [appellant] verwijst in dit verband naar het plan "Vijverterrein", ongeveer 5 km ten noorden van het plangebied, ten behoeve waarvan de raad en het waterschap Rivierenland onderzoek hebben gedaan en ingrijpende maatregelen hebben getroffen ten aanzien van het kwelwater. Volgens [appellant] hebben deze maatregelen en onderzoeken niet geholpen en heeft het gebied als gevolg van hoge waterstanden in de Waal onaanvaardbare overlast van kwelwater.

    [appellant] betoogt verder dat in de plantoelichting staat opgenomen dat de initiatiefnemer hydrologisch neutraal zal bouwen, maar dat uit het plan niet volgt hoe de initiatiefnemer dit exact gaat realiseren.

6.1.    Artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) luidt: "Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding."

6.2.    Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat niet inzichtelijk is op welke wijze de initiatiefnemer hydrologisch neutraal gaat bouwen overweegt de Afdeling het volgende. De exacte wijze waarop de waterhuishouding bij de uitvoering van het bestemmingsplan wordt vormgegeven, heeft geen betrekking op het bestemmingsplan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

    Het betoog faalt in zoverre.

6.3.    De Afdeling stelt verder voorop dat dit plan niet de bestaande waterproblemen hoeft op te lossen. Ter zitting is gebleken dat de waterproblematiek in het gebied bekend is bij het waterschap Rivierenland. Het waterschap wil met de procedures rond de dijkversterking tevens de huidige waterhuishoudkundige situatie verbeteren. In deze procedure moet beoordeeld worden of de raad had moeten concluderen dat de ontwikkeling die met dit plan mogelijk wordt gemaakt onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterhuishoudkundige situatie.

    In paragraaf 4.3 van de plantoelichting wordt overeenkomstig artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Bro ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Uit deze paragraaf volgt dat de toename van verharding boven de drempel van 500 m² dient te worden gecompenseerd, maar dat het plan onder deze grenswaarde blijft, waardoor compensatie niet nodig is. Voorts volgt uit deze paragraaf dat de initiatiefnemer hydrologisch neutraal zal bouwen en dat bij de afkoppeling van hemelwater geen uitlogende materialen worden gebruikt. Verder volgt uit deze paragraaf dat in overleg met het waterschap Rivierenland is bepaald dat de twee woningen boven "het profiel van vrije ruimte" gebouwd moeten worden, dat de bodem ter plaatse wordt opgehoogd, de woningen op palen worden gerealiseerd en voldoende ruimte is vrijgehouden voor de toekomstige versterking van de dijk waardoor de waterveiligheid niet in het gedrang komt. Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast heeft de raad toegelicht dat uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden met het waterschap Rivierenland over de waterhuishouding en de kwelproblematiek. Het waterschap Rivierenland is volgens de raad akkoord gegaan met het plan en uit bijlage 11 bij de plantoelichting volgt dat het waterschap een watervergunning heeft verleend voor de bouw van de twee woningen. De raad stelt zich op het standpunt dat hiermee voldoende is geborgd dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor de waterhuishoudkundige situatie.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het plan ten aanzien van de waterhuishouding. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zodanige gevolgen voor de waterhuishouding zal hebben dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

    Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

7.    [appellant] betoogt dat de voorziene ontsluiting aan de oostkant van het plangebied via de Goossen Janssenstraat en de Waalbandijk onveilig is, omdat de weg richting de Waalbandijk steil is en de woning aan de Goossen Janssenstraat 14 het zicht op het verkeer ontneemt.

7.1.    Ter zitting is gebleken dat één van de twee woningen zal worden ontsloten via de weg aan de oostkant van het plangebied. Verder is gebleken dat op de locatie voorheen een bedrijf was gevestigd dat eveneens over deze weg werd ontsloten. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het betoog dat een verkeersonveilige situatie zal ontstaan, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woningen veilig kunnen worden ontsloten.

    Het betoog faalt.

Geotechnisch advies en advies veiligheid

8.    [appellant] voert aan dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan een geotechnisch advies had moeten worden opgesteld ten behoeve van het bouwrijp maken van de gronden. [appellant] verwijst naar het plan "Slingerbos", waarbij wel een dergelijk advies is opgesteld. Hetzelfde geldt volgens hem voor het advies in het kader van het "Instrument Ruimtelijke Veiligheid".

8.1.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat de voorziene ontwikkeling uit het plan "Slingerbos" zich in een andere fase bevindt dan deze ontwikkeling. In voorbereiding op de realisatie van de ontwikkeling uit het plan "Slingerbos" is reeds gestart met het bouwrijp maken van de gronden, waardoor al meer onderzoeken zijn gedaan dan voor de vaststelling van dit plan het geval is. De raad sluit niet uit dat ook voor de verdere ontwikkeling van dit plan dergelijke onderzoeken nodig zijn. De Afdeling overweegt dat het betoog van [appellant] geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. De beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

    Het betoog faalt.

Bouwhoogte

9.    [appellant] voert aan dat in het plan ten onrechte is voorzien in een maximum goothoogte van 6 m en een maximum bouwhoogte van 10 m, zonder dat rekening is gehouden met de ophogingen van het maaiveld. [appellant] stelt dat het plan ten onrechte niet overeenkomt met het welstandsadvies van 10 maart 2010 voor de locatie "Slingerbos", waarin wordt geadviseerd aan te sluiten bij het dorpse karakter door een beperking van de bouwhoogte tot één laag met kap. [appellant] stelt dat het welstandsadvies weliswaar ziet op de locatie "Slingerbos", maar dat dit advies ook geldt voor dit plan omdat het dezelfde omgeving en hetzelfde straatbeeld betreft. Volgens [appellant] is het advies uit 2010 nog steeds relevant nu de omgeving in de afgelopen 10 jaar niet veranderd is.

9.1.    In het plan is aan de twee bouwvlakken de maatvoering "maximum bouwhoogte (m) = 10" en "maximum goothoogte (m) = 6" toegekend.

    In het plan onder meer is het volgende bepaald:

"Artikel 4 Wonen

[…]

4.2 Bouwregels

4.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

[…]

d. de goot- en bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;

[…]"

9.2.    Voor zover het betoog van [appellant] ziet op aspecten van redelijke eisen van welstand overweegt de Afdeling dat deze aspecten in deze procedure niet aan de orde kunnen komen en het betoog derhalve buiten beschouwing moet blijven.

    Het betoog faalt in zoverre.

9.3.    De Afdeling stelt vast dat de maximale bouwhoogte van de voorziene woningen 10 m bedraagt en de maximale goothoogte 6 m. Gebleken is dat dergelijke goot- en bouwhoogten niet ongebruikelijk zijn in de omgeving, hetgeen [appellant] ter zitting ook heeft bevestigd.

    Gezien de situering van de woningen, is het aannemelijk dat het plan in enige mate gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van [appellant], maar deze gevolgen zijn naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van een onevenredige aantasting geen sprake is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn, ook niet na het overleg met het waterschap Rivierenland, dat het maaiveld verder moet worden opgehoogd. De raad heeft ter zitting in het kader van het voorgaande toegelicht dat het terrein door afgraving is verlaagd en het maaiveld hooguit gelijk zal worden gemaakt, waardoor de grond op het oude maaiveldniveau zal uitkomen.

    Het betoog faalt.

Archeologie

10.    [appellant] voert aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het plan ten aanzien van archeologische waarden. Hij stelt daartoe dat het plangebied is aangewezen als locatie met hoge archeologische verwachtingswaarden. [appellant] stelt dat uit de plantoelichting volgt dat tussen de betrokken partijen is afgesproken dat het maaiveld met 1 m wordt verhoogd en dat er een aangepast palenplan komt, zodat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het aspect archeologie. [appellant] kan alleen het oude palenplan dat bijna 14 jaar oud is terugvinden. Hij stelt dat het palenplan dan ook zeer gedateerd is en geen betrekking heeft op het huidige woningbouwplan. [appellant] stelt verder dat niet blijkt uit stukken behorend bij het plan dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft ingestemd of positief heeft geadviseerd over het actuele woningbouwplan. Voorts stelt hij dat ten onrechte niet is onderzocht of het bodempakket met archeologische verwachtingen moet worden ingesneden voor de realisatie van de vuil- en hemelwaterafvoeren op het bestaande riool.

10.1.    In artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

10.2.    Het betoog van [appellant] heeft geen betrekking op zijn eigen belang, dat is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat, maar gaat over het algemene belang van het behoud van archeologische waarden. Dit betoog kan gelet op artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden omdat dit niet zijn eigen belang is. Dit betoog behoeft dus geen inhoudelijke bespreking. De Afdeling wijst in dit verband ter vergelijking op haar uitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:309, onder 5.3.

Bodemverontreiniging

11.    [appellant] voert aan dat de bodemverontreiniging een belemmering vormt voor de realisatie van het plan. [appellant] verwijst in dit verband naar een bodemnotitie van november 2014 waaruit volgt dat een saneringsplan dient te worden opgesteld en sanering van de bodem en grondwater noodzakelijk is. Volgens [appellant] wordt in het bodemonderzoek van oktober 2017 ten onrechte slechts gekeken naar de sanering van asbest. [appellant] stelt dat het onzeker is of alle verontreinigingen worden gesaneerd en dat een saneringsplan bij de vaststelling van het plan aanwezig had moeten zijn.

11.1.    De Afdeling overweegt dat de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van een plan in de weg staat. De raad heeft toegelicht dat de bodemgesteldheid via meerdere bodemonderzoeken is vastgesteld en na sanering geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het bodemonderzoek van oktober 2017 is volgens de raad slechts een actualiserend onderzoek van de bovengrond waarin de olieverontreiniging in de ondergrond niet meer aanvullend is onderzocht. Daarvoor verwijst de raad naar de eerdere onderzoeken.

    Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bodemgesteldheid niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Het betoog faalt.

Aanwezige boom

12.    [appellant] voert aan dat de raad bij de beantwoording van de zienswijzen heeft aangegeven dat in het plan een aanvullende regeling zal worden opgenomen voor de instandhouding van de aanwezige boom, terwijl een dergelijke regeling niet is terug te vinden in het plan.

12.1.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat het woord "geen" is weggevallen in de reactie op de zienswijze. Volgens de raad hoort in de reactie te staan dat er geen aanvullende regeling zal worden opgenomen voor de instandhouding van de aanwezige boom, nu er geen sprake is van een monumentale boom. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een regeling had moeten opnemen voor de instandhouding van de aanwezige boom.

    Het betoog faalt.

Aanwezigheid bevers

13.    [appellant] voert aan de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de negatieve effecten van het plan op het nabijgelegen leefgebied van de bever. [appellant] wijst op de Quickscan natuurwetgeving opgesteld door Agel Adviseurs B.V. van 19 september 2017 (hierna: Quickscan) waaruit volgt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de bever voorkomt in het plangebied gezien de heersende biotoop. Hieruit volgt volgens [appellant] dat niet is onderzocht of de bever voorkomt in de zeer nabijgelegen uiterwaarden, terwijl hij foto’s heeft van knaagsporen en bevers dichtbij de voorziene woningen.

13.1.    Uit de Quickscan volgt dat een actueel overzicht is verkregen van waarnemingen van beschermde soorten nabij de locatie uit de Nationale Database Flora en Fauna in de afgelopen vijf jaar. Alle waarnemingen binnen een afstand van 1 km respectievelijk 5 km van het plangebied zijn opgenomen in een tabel. In deze tabel staat opgenomen dat de bever is waargenomen op een afstand van maximaal 1 km van de locatie. Uit de Quickscan volgt verder dat het gezien de heersende biotoop zeer onwaarschijnlijk is dat de bever voorkomt in het plangebied. Dit betekent, anders dan [appellant] veronderstelt, niet dat er geen rekening is gehouden met de negatieve effecten van het plan op het leefgebied van de bever.

    Ter zitting heeft de raad toegelicht dat naar aanleiding van de knaagsporen met een natuurgids onderzoek is gedaan naar het leefgebied van de bever. Volgens de raad klopt het dat de bevers zich ten tijde van de hoge waterstanden van de Waal tijdelijk hebben verplaatst naar de locatie vlakbij het plangebied - maar nog wel aan de andere kant van de dijk - zoals ook blijkt uit de foto’s van [appellant]. De raad stelt dat deze locatie echter niet tot het normale foerageergebied van de bevers behoort, maar slechts een tijdelijke verblijfplaats is geweest in verband met het hoge water. Toen de waterstanden waren gezakt zijn de bevers teruggekeerd naar de burcht, het gebied waar ze normaal gesproken foerageren. Dit gebied ligt volgens de raad dichter bij reeds bestaande woningen dan bij de voorziene woningen. De raad heeft verder toegelicht dat de bevers zich, bij hoge waterstanden, ook kunnen verplaatsen richting het oosten in plaats van richting de voorziene woningen. De Afdeling stelt vast dat de raad, anders dan [appellant] veronderstelt, rekening heeft gehouden met het leefgebied van de bever. Gelet op het voorgaande biedt het betoog van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het plan voor het leefgebied van de bever.

    Het betoog faalt.

Vergunning Wet natuurbescherming

14.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming heeft aangevraagd, vanwege de negatieve gevolgen van het plan voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. [appellant] wijst in dit verband op de naastgelegen locatie "Slingerbos" waarvoor een vergunning als bedoeld in de Natuurbeschermingswet 1998 nodig was vanwege de effecten op het Natura 2000-gebied.

14.1.    Uit de Quickscan volgt dat negatieve effecten als gevolg van het plan op de instandhoudingsdoelen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet nodig wordt geacht. Het betoog van [appellant] biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet uit heeft mogen gaan van deze conclusie. Gelet op het voorgaande heeft de raad er vanuit mogen gaan dat voor deze ontwikkeling geen vergunning als bedoeld in de Wet Natuurbescherming nodig is.

    Het betoog faalt.

Zienswijze herhaald en ingelast

15.    Voor zover [appellant] in zijn beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze over het ontwerpplan, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzenota is ingegaan op deze zienswijze. Afgezien van wat hiervoor aan de orde is geweest, heeft [appellant] in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze in het bestreden besluit onvoldoende of onjuist is.

Conclusie

16.    Het beroep is ongegrond.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Zwemstra

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2018

91-849.