Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
201802364/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie C], Duiven" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802364/1/R1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Duiven,

2.    [appellant sub 2], wonend te Duiven,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Duiven,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie C], Duiven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2018, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bij monde van [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door M. Wiggers-Hesselink, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen aan de [locatie A] en [appellant sub 2] woont aan de [locatie B]. De aanleiding voor hun vrees is dat het plan op het naastgelegen perceel [locatie C] (hierna: het perceel) een vrijstaande woning mogelijk maakt. De eigenaar van het perceel is [eigenaar]. Het steekt [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] dat de raad en [eigenaar] niet met hen hebben overlegd over het plan. Ook vinden zij dat de raad [eigenaar] heeft bevoordeeld.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Procedurele bezwaren

3.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat de raad en [eigenaar] ten onrechte niet voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp met omwonenden hebben overlegd.

3.1.    De Afdeling overweegt dat het ontwerp in overeenstemming met de wettelijke voorschriften ter inzage heeft gelegen en dat iedereen daarover zienswijzen naar voren heeft kunnen brengen. Er bestaat geen wettelijke verplichting voor het gemeentebestuur of een initiatiefnemer om met omwonenden over een ontwerp te overleggen.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat de terinzagelegging van het ontwerp ten onrechte plaatsvond in de zomervakantie.

4.1.    De Afdeling overweegt dat noch de Wet ruimtelijke ordening noch de Algemene wet bestuursrecht zich ertegen verzet dat het ontwerp in de zomervakantie ter inzage wordt gelegd. Bovendien hebben zij tijdig een zienswijze naar voren gebracht

    Het betoog faalt.

5.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het besluit tot vaststelling van het plan te laat is bekendgemaakt en dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ten onrechte geen brief hebben ontvangen van de gemeente over de vaststelling van het plan.

5.1.    De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond betrekking heeft op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en al om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

    Het betoog faalt.

Gemeentelijk beleid

6.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd is met het gemeentelijke beleid, omdat dat beleid geen nieuwe kleine inbreidingsplannen in de kern Duiven toestaat, tenzij sprake is van een groot maatschappelijk belang. Dit staat volgens hen verwoord in de gemeentelijke beleidsstukken "Notitie Nieuwbouwplannen gemeente Duiven 2012-2020" (hierna: de notitie Nieuwbouwplannen) van 12 maart 2012 en de "Notitie Woningbouwopgave gemeente Duiven 2015-2020 en verder" (hierna: notitie Woningbouwopgave) van 9 februari 2015. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] vinden dat er geen sprake is van een groot maatschappelijk belang, omdat met het plan alleen het belang van [eigenaar] is gemoeid. De raad heeft volgens hen het bouwplan van [eigenaar] ten onrechte als een bestaand bouwplan aangemerkt.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het gemeentelijk beleid. Volgens de raad kan bouwplan van [eigenaar] als een bestaand bouwplan worden aangemerkt.

6.2.    De Afdeling stelt vast dat de notitie Nieuwbouwplannen bij de vaststelling van de notitie Woningbouwopgave is ingetrokken en dus niet meer geldend beleid is. De Afdeling is voorts van oordeel dat het plan niet in strijd is met de notitie Woningbouwopgave. Daarin is een onderscheid gemaakt tussen nieuwe bouwplannen en bestaande bouwplannen. Aan nieuwe bouwplannen kan alleen medewerking worden verleend als sprake is van een groot maatschappelijk belang. Aan bestaande bouwplannen die nog niet planologisch mogelijk zijn gemaakt, de zogeheten zachte plannen, kan tot 2020 geen uitvoering worden gegeven, tenzij binnen deze termijn aantoonbaar evenredig veel woningen uit harde plannen komen te vervallen. De raad heeft het bouwplan van [eigenaar] als een bestaand bouwplan kunnen aanmerken, omdat het college van burgemeester en wethouders in een principebesluit van 19 april 2011 onder voorwaarden heeft ingestemd met woningbouw op het perceel naar aanleiding van een verzoek van de vorige eigenaar van het perceel. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben daartegen aangevoerd dat het principebesluit niet meer geldig is, omdat de vorige eigenaar het perceel heeft verkocht. Dat feit is echter niet relevant voor de vraag of een bouwplan als een bestaand bouwplan kan worden aangemerkt. Het plan voldoet aan de voorwaarde in de notitie Woningbouwopgave dat aantoonbaar evenredig veel woningen uit harde plannen zijn komen te vervallen. De raad heeft namelijk in de nota van zienswijzen toegelicht dat in de gemeente Duiven de laatste jaren een aantal woningen in harde plannen zijn komen te vervallen waardoor ruimte is ontstaan om uitvoering te geven aan het plan. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben dit niet betwist.

    Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

7.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat de woning zal leiden tot een ernstige aantasting van hun uitzicht en privacy en tot geluidoverlast. Volgens [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] komt de woning namelijk te dicht bij hun percelen te liggen. Dit is volgens hen in strijd met het stuk "Kavelpaspoort Broekstraat 2" (hierna: het kavelpaspoort) van juni 2013, omdat het bouwvlak daarin verder van hun woningen was gesitueerd. Volgens [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] heeft de raad te veel gewicht toegekend aan het belang van [eigenaar] door van het kavelpaspoort af te wijken.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de woning niet zal leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2].

7.2.    De afstand van de woning tot de percelen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] is ongeveer 10 m. De afstand van de woning tot de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] is ongeveer 23 m en tot de woning van [appellant sub 2] ongeveer 25 m. De toegestane oppervlakte van de woning is 125 m2 en de toegestane bouwhoogte is 7 m.

7.3.    De Afdeling stelt vast dat het kavelpaspoort geen bindend beleidsstuk is. De raad heeft bij de vaststelling van het plan dezelfde oppervlakten en hoogtematen als in het kavelpaspoort gehanteerd maar het bouwvlak op kortere afstand van de woningen van [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] gesitueerd. Daarbij heeft de raad overwogen dat deze afstand past in het gemeentelijk stedenbouwkundig beleid en niet ongebruikelijk is in een woonwijk. De invloed van de nieuwe op de directe omgeving, wat betreft zicht, licht en geluid, acht de raad niet onaanvaardbaar. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in de afweging van alle belangen onevenredig veel gewicht heeft toegekend aan het belang van [eigenaar].

    Het betoog faalt.

Groen

8.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het plan ten onrechte zal leiden tot aantasting van groen, omdat de ontsluiting van het perceel zal worden aangelegd op gronden met openbaar groen.

8.1.    Niet in geschil is dat de ontsluiting van het perceel op gronden met openbaar groen zal worden aangelegd. De raad heeft dit in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten, omdat de ontsluiting op een beperkt gedeelte van het openbaar groen zal worden aangelegd.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    De beroepen zijn ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Van Heijningen    w.g. Van Driel Kluit

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2018

703.