Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
201800868/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:10060, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2016 heeft de burgemeester het op naam van [appellant] gestelde rijbewijs met het [nummer] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800868/1/A2.

Datum uitspraak: 3 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2017 in zaak nr. 17/1441 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2016 heeft de burgemeester het op naam van [appellant] gestelde rijbewijs met het [nummer] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K.C van de Wijngaart, advocaat te Schiedam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. P.A.M. Badal, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    De burgemeester heeft op 3 juli 2001 aan [appellant] zijn eerste rijbewijs verstrekt. Het rijbewijs is op 24 juni 2011 vernieuwd. Op 23 april 2014 heeft de burgemeester op naam van [appellant] het rijbewijs met het [nummer] verstrekt. Vervolgens is bij een gesprek van [appellant] met de politie gebleken dat een derde dit rijbewijs op zijn naam had aangevraagd. Het rijbewijs is daarop bij het besluit van 8 juli 2016 ongeldig verklaard, omdat het is voorzien van een foto waarop een ander is afgebeeld.

3.    [appellant] heeft in bezwaar verzocht de ongeldigverklaring van het op 23 april 2014 afgegeven rijbewijs te handhaven en de ongeldigverklaring van het op 24 juni 2011 afgegeven rijbewijs op te heffen. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] niet kon bereiken wat hij met het indienen van het bezwaar heeft beoogd. Het op 24 juli 2011 afgegeven rijbewijs heeft zijn geldigheid van rechtswege verloren door de afgifte van het rijbewijs van 23 april 2014.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het bepaalde in artikel 123, eerste lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet (hierna: Wvw) volgt dat een rijbewijs zijn geldigheid door het uitreiken van een nieuw of vervangend rijbewijs verliest en het dus niet mogelijk is om het op 24 juni 2011 verstrekte rijbewijs opnieuw geldig te verklaren. Dit betekent dat het doel van [appellant] niet door middel van een juridische procedure tegen het besluit van 8 juli 2016 kan worden bereikt. Voor zover [appellant] ter zitting heeft aangevoerd dat de burgemeester de ongeldigheid van het op 23 april 2014 verstrekte rijbewijs dient op te heffen, omdat hij het slachtoffer is van identiteitsfraude heeft de rechtbank overwogen dat uit de tekst van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder a van de Wvw volgt dat de burgemeester bij een ongeldigverklaring van een rijbewijs als het gevolg van het verschaffen van onjuiste informatie geen ruimte heeft voor een belangenafweging. De rechtbank heeft ten overvloede overwogen zij het niet aannemelijk acht dat [appellant] het slachtoffer is van identiteitsfraude. Hij heeft dat weliswaar gesteld, maar hiervan nimmer aangifte gedaan of bewijsstukken overgelegd.

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank een onjuist oordeel heeft gegeven. Hij voert daartoe aan dat hij is geconfronteerd met de afgifte van een rijbewijs op zijn naam aan een derde zonder dat dit hem bekend was. [appellant] is wel degelijk het slachtoffer van identiteitsfraude, die slechts tot stand kon komen door fouten van de gemeente zelf bij de behandeling van de aanvraag voor een rijbewijs door een ander dan [appellant]. Van gemeentewege is nagelaten de identiteit van de ontvanger te controleren. De foto stemt niet overeen met die in het paspoort en het eerdere rijbewijs. Bovendien is nagelaten het oude rijbewijs in te nemen. [appellant] is nog steeds in het bezit van het op 24 juni 2011 afgegeven rijbewijs en hij is zelf nimmer bij de gemeente geweest voor een aanvraag van een vervanging. Ten slotte stelt hij dat in zijn geval wel degelijk ruimte is voor een belangenafweging, zeker nu de rechtbank ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht dat hij slachtoffer is van identiteitsfraude. Het verliezen van de geldigheid van het rijbewijs door uitreiking van een frauduleus rijbewijs aan een ander kan niet worden geacht te vallen onder de strekking van artikel 123, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw, nu daarvan het uitgangspunt is dat iemand zijn eigen rijbewijs laat vervangen door een nieuw eigen rijbewijs en de wetgever uitgaat van een deugdelijke controle door de gemeente.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2631) is een bestuursorgaan slechts gehouden tot een inhoudelijke beoordeling van een tegen een besluit gemaakt bezwaar, indien de bezwaarmaker daarbij een actueel en reëel belang heeft.

    Voor zover [appellant] in zijn bezwaar heeft aangevoerd dat hij wenst dat de intrekking van het op 23 april 2014 afgegeven rijbewijs in stand blijft, moet worden vastgesteld dat er op dit punt geen geschil is over de inhoud van het besluit van 8 juli 2016. In zoverre heeft hij geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. Voor zover het bezwaar van [appellant] is gericht tegen het vervallen van zijn op 24 juni 2011 afgegeven rijbewijs, moet worden vastgesteld dat dit niet is gericht tegen een als besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het vervallen van het op 24 juni 2011 afgegeven rijbewijs is een rechtsgevolg dat artikel 123, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw aan de afgifte van een nieuw rijbewijs verbindt, zonder dat daarvoor een nader besluit nodig is. De vraag of in dit geval het rechtsgevolg in werking is getreden na de verstrekking van het rijbewijs van 23 april 2014 kan in deze procedure niet aan de orde komen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de burgemeester het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2018

17. BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 123, eerste lid, aanhef en onder a.

1. Onverminderd de artikelen 122 en 131, tweede lid, verliest een rijbewijs zijn geldigheid:

a. door uitreiking van een nieuw of vervangend rijbewijs

Artikel 124.

1. Onverminderd de artikelen 132, tweede lid, 132b, tweede lid, en 134, vierde lid, wordt een rijbewijs overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels voor een of meer categorieën van motorrijtuigen of voor een deel van de geldigheidsduur ongeldig verklaard indien:

a. het rijbewijs is afgegeven op grond van door de houder verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest;

b. […];

c. […];

d. […];

e. […].

2. De ongeldigverklaring geschiedt

a. […];

b. […];

c. in de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde gevallen door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs dat niet is afgegeven door de Dienst Wegverkeer of door Onze Minister, dan wel door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

d. […];

e. […];

f. […];

g. […].

3.  De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.

4.  De houder van het ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden, in te leveren bij degene die het ongeldig heeft verklaard.

5. […].

6. […].

7. […].

8. […].

9. […].

Reglement rijbewijzen

Artikel 33, eerste lid

Bij de aanvraag van een rijbewijs dienen de volgende bescheiden te worden overgelegd:

a. […].

b. […].

c. […].

d. een pasfoto van de aanvrager, die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.