Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
201806537/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806537/1/V2.

Datum uitspraak: 1 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 juli 2018 in zaak nr. NL18.3779 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 12 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.A. Welling, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:915, geoordeeld over de veiligheidssituatie in Afghanistan. De Afdeling heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat er in Afghanistan geen sprake van een situatie waarbij een burger die in het geheel niet verbonden is met één van de strijdende partijen louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op een bedreiging als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarbij heeft de Afdeling rapporten en documenten van Nederlandse en internationale organisaties betrokken. Deze documenten hebben betrekking op de periode tot januari 2018. Na de uitspraak van de Afdeling is het thematisch ambtsbericht over de veiligheidssituatie in Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2018 (hierna: het ambtsbericht van mei 2018) verschenen. Deze uitspraak gaat over de vraag of dit ambtsbericht of de door de vreemdeling aangehaalde stukken van het EASO tot een ander oordeel over de veiligheidssituatie in Afghanistan leiden.

1.1.    Deze uitspraak heeft ook betekenis voor andere vreemdelingen uit Afghanistan die de algemene veiligheidssituatie daar aan hun asielaanvraag ten grondslag leggen. Gelet hierop en op de actualiteitswaarde van de uitspraak, zal de Afdeling ook ingaan op de wijziging van het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan.

Grief over de algemene veiligheidssituatie

2.    In de vijfde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de door hem overgelegde informatie niet blijkt dat sprake is van een wezenlijke verslechtering van de veiligheidssituatie in Afghanistan zoals deze is beoordeeld door de Afdeling in haar uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:915. Volgens de vreemdeling blijkt uit recente stukken dat de veiligheidssituatie slechter is geworden.

2.1.    De vreemdeling heeft ter onderbouwing van zijn betoog verwezen naar onder meer het ambtsbericht van mei 2018, het rapport van het EASO, 'Country of Origin Information Report Afghanistan, Security Situation - Update', van mei 2018 en de Country Guidance Afghanistan van het EASO van juni 2018 (hierna: de Country Guidance).

2.2.    In het ambtsbericht van mei 2018 staat dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in 2017 zorgelijk was en het aantal burgerslachtoffers hoog. Het ambtsbericht vermeldt verder dat de controle over een gebied snel kan veranderen en dat de veiligheidssituatie in veel opzichten complex en diffuus is. Volgens het ambtsbericht vormden gewapende conflicten in 63% van de gevallen de oorzaak van de veiligheidsincidenten. Het ambtsbericht vermeldt verder dat van januari tot en met mei 2018 meerdere grote aanslagen plaatsvonden. Deze aanslagen vonden met name plaats in de hoofdstad Kaboel. In het ambtsbericht staat verder vermeld dat UNAMA in de eerste drie maanden van 2018 2.258 burgerslachtoffers registreerde, waarvan 763 personen overleden en dat deze cijfers niet veel afwijken van de aantallen over dezelfde periode in 2017. Dit staat ook in het rapport van het EASO van mei 2018. IED's en complexe aanvallen veroorzaakten de meeste slachtoffers. De tweede oorzaak voor burgerslachtoffers vormden grondgevechten. Doelgerichte aanslagen, overblijfselen van oorlogsexplosieven en luchtaanvallen vormden de derde oorzaak voor burgerslachtoffers. In de Country Guidance van juni 2018 staat vermeld dat in het eerste kwartaal van 2018 de door de overheidstroepen veroorzaakte burgerslachtoffers met 13 % daalden. Hieruit kan worden afgeleid dat, zoals ook blijkt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, sprake is van voortdurende inzet van de overheidstroepen om burgerslachtoffers te beperken.

2.3.    Hoewel het EASO een glijdende schaal gebruikt voor de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie en die beoordeling een andere opzet kent dan de door de staatssecretaris verrichte beoordeling, komt uit de Country Guidance naar voren dat ook het EASO vindt dat er in Afghanistan geen gebieden zijn waarin de algemene veiligheidssituatie zo slecht is dat een vreemdeling reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Uit de hiervoor onder 2.1. vermelde rapporten komt verder naar voren dat ook in de eerste helft van 2018 het aantal burgerslachtoffers hoog bleef. Uit de stukken, die voor een groot deel ook de veiligheidssituatie in 2017 beschrijven, komt echter geen wezenlijk ander beeld naar voren dan volgt uit de stukken die in voormelde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 aan de orde waren. Deze stukken geven de Afdeling daarom geen aanleiding om anders te oordelen over de veiligheidssituatie in Afghanistan. De grief faalt.

Wijziging van het beleid

3.    De staatssecretaris heeft in zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 11 juli 2018 (Kamerstukken II  2017/18, 19 637, nr. 2416) aangeven dat hij, mede gelet op het ambtsbericht van mei 2018, het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan zal wijzigen en een binnenlands beschermingsalternatief, naast de al in het beleid opgenomen groepen, voortaan ook niet aan gezinnen met minderjarige kinderen zal tegenwerpen. Met het besluit van 31 juli 2018, nummer WBV 2018/7, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: het WBV 2018/7), is het beleid gewijzigd.

3.1.    In het ambtsbericht van mei 2018 staat dat ontheemden in Afghanistan onder zeer slechte omstandigheden leven en er een groot tekort is aan adequate huisvesting en basisbehoeften als water, voedsel, sanitaire voorzieningen en toegang tot de gezondheidszorg. Meer dan de helft van de ontheemden, vluchtelingen en terugkeerders zijn minderjarigen, waarvan een groot deel geen onderwijs volgt. Volgens schattingen krijgt Kaboel dagelijks 1200 ontheemden te verwerken. In de Country Guidance staat dat een binnenlands beschermingsalternatief voor gezinnen met kinderen niet redelijk is als het gezin over onvoldoende financiële middelen of een ondersteunend netwerk in het desbetreffende deel van Afghanistan beschikt. Gelet op voormelde informatie en gelet op wat hiervoor onder 2.3. is overwogen over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, is de keuze van de staatssecretaris om alleen de groep gezinnen met minderjarige kinderen toe te voegen aan de al in het beleid opgenomen groepen waarvoor een binnenlands beschermingsalternatief niet geldt niet kennelijk onredelijk.

Overige grieven

4.    Hetgeen de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Yildiz

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2018

594.