Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
201704888/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 23 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van 20 april 2017 geschorst, voor zover het betreft het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" en voor zover dat bestemmingsplan betrekking heeft op het perceel [locatie A] te Heeswijk-Dinther.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704888/3/R2.

Datum uitspraak: 28 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

[verzoekster], gevestigd te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

verzoekster,

om opheffing of wijziging (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) van de bij uitspraak van 23 augustus 2017, zaak nr. 201704888/2/R2, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:

[partij], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

en

de raad van de gemeente Bernheze,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 23 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van 20 april 2017 geschorst, voor zover het betreft het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" en voor zover dat bestemmingsplan betrekking heeft op het perceel [locatie A] te Heeswijk-Dinther.

Bij besluit van 24 mei 2018 is het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" gewijzigd vastgesteld.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 september 2018, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door  [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door E. van Dijk, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen. Verder is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. I.L. van Geel, advocaat te Helmond, gehoord.

Overwegingen

1.    Artikel 8:87, eerste lid, van de Awb luidt: "De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, ook als zij is getroffen met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid."

    De wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2.    Bij besluit van 20 april 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" vastgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt het bedrijf van [verzoekster] aan de [locatie B] in Heeswijk-Dinther als zodanig bestemd en wordt de mogelijkheid geboden om het bedrijf op het aangrenzende perceel [locatie A] uit te breiden. [verzoekster] exploiteert een aannemersbedrijf en gebruikt de gronden aan de [locatie B] kort gezegd voor het op- en overslaan, sorteren en bewerken van afvalstoffen, bouwstoffen en grond. In de verbeelding van het bestemmingsplan is aan de gronden aan de [locatie A] en [locatie B] de bestemming "Bedrijf", de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-, sloop- en recyclingbedrijf" en een bouwvlak van ongeveer 2,7 hectare toegekend.

    Bij besluit van 24 mei 2018 heeft de raad het besluit van 20 april 2017 gewijzigd, in die zin dat de planregeling voor de bestemming "Bedrijf" is aangepast en de gronden met de bestemming "Bedrijf" niet langer de aanduiding "gebiedsaanduiding geluidzone - industrie" hebben. Het besluit van 24 mei 2018 wordt gelet op artikel 8:81, vierde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

3.    De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 23 augustus 2017, zaak nr. 201704888/2/R2, geoordeeld dat niet is uitgesloten dat artikel 6.10 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014) in de weg staat aan de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling. Gelet daarop en in aanmerking genomen de reikwijdte van het verzoek om voorlopige voorziening alsmede de onomkeerbare gevolgen die konden ontstaan omdat het plan in werking was getreden, heeft de voorzieningenrechter toen aanleiding gezien om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen voor zover het betreft het bestemmingsplan "Heeswijkse Aa-Beemden" en voor zover dat plan betrekking heeft op het perceel [locatie A]. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat [verzoekster] ter zitting te kennen had gegeven dat hij op korte termijn een omgevingsvergunning voor bouwen aangaande het perceel [locatie A] zou gaan aanvragen.

4.    Deze uitspraak heeft betrekking op het verzoek van [verzoekster] tot opheffing van de bij uitspraak van 23 augustus 2017, zaak nr. 201704888/2/R2, uitgesproken schorsing. Onder verwijzing naar een door de raad gegeven nadere motivering van het plan van 5 juli 2018 betoogt [verzoekster] dat de Verordening 2014 hoe dan ook niet in de weg staat aan de vaststelling van het plan. Daar komt bij dat de raad bij besluit van 24 mei 2018 het oorspronkelijke besluit van 20 april 2017 op een aantal punten van technische aard heeft gewijzigd en het StAB-rapport van 21 november 2017 laat zien dat de milieuaspecten geluid, luchtkwaliteit en trillingen geen belemmering vormen voor de vaststelling van het plan. Op basis van deze omstandigheden stelt [verzoekster] zich primair op het standpunt dat de uitgesproken schorsing dient te worden opgeheven en stelt zij zich subsidiair op het standpunt dat de uitgesproken schorsing in ieder geval zodanig dient te worden gewijzigd dat voor de winterperiode op de gronden aan de [locatie A] voorbereidende infrastructurele werkzaamheden - waaronder het verharden van de gronden - kunnen worden getroffen.

5.    [partij] en de raad zijn onder andere verdeeld over de vraag of het plan is vastgesteld in overeenstemming met artikel 6.10 van de Verordening 2014. Artikel 6 van Hoofdstuk 3 (structuren) van de Verordening 2014 bevat regels die van toepassing zijn op de groenblauwe mantel. Vast staat dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ligt binnen een gebied dat in de Verordening 2014 is aangemerkt als groenblauwe mantel. Voorts staat vast en is overigens tussen partijen niet in geschil dat het plan voorziet in een niet-agrarische functie. Ingevolge het eerste lid van artikel 6.10 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel onder een aantal voorwaarden voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie. Ingevolge het tweede en derde lid van dat artikel kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel onder een aantal voorwaarden voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie.

6.    Blijkens de plantoelichting gaat de raad ervan uit dat het bedrijf dat op het perceel [locatie B] is gevestigd, een bestaand niet-agrarisch bedrijf is als bedoeld in de Verordening 2014. Daarvoor heeft de raad zich in de procedure waarin het verzoek van [partij] om een voorlopige voorziening voorlag, op het standpunt gesteld dat op basis van artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014 sprake was van een bestaande niet-agrarische functie. In de uitspraak van 23 augustus 2017 is overwogen dat de voorzieningenrechter er niet van overtuigd is dat het plan voorziet in een bestaande niet-agrarische functie als bedoeld artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014.

    In de nadere motivering van 5 juli 2018 stelt de raad zich op het standpunt dat een deel van de bestaande gebruiksactiviteiten op het perceel [locatie B] in het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" als zodanig is bestemd als niet-agrarisch loonbedrijf en dat het gebruik van de gronden voor niet-agrarische activiteiten voor zover in strijd met dat bestemmingsplan onder het overgangsrecht van dat plan en het daarop volgende plan valt en daarvan vaststaat dat handhaving niet meer mogelijk is. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het gebruik op het perceel [locatie B] wellicht is geïntensiveerd, maar dat dat gegeven niet relevant is aangezien zonder meer niet-agrarische gebruiksactiviteiten plaatsvonden voor het van kracht worden van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998". De raad gaat er dan ook van uit dat met toepassing van artikel 2, derde lid, aanhef, onder a en b, van de Verordening 2014 sprake is van een bestaande niet-agrarische functie. In deze procedure moet worden beoordeeld of deze nadere motivering aanleiding geeft om de uitgesproken schorsing op te heffen dan wel te wijzigen als bedoeld in artikel 8:87 van de Awb. Of het bestreden besluit rechtmatig is, dient door de Afdeling naar aanleiding van de behandeling van de zaak in de bodemprocedure te worden beoordeeld.

7.    De voorzieningenrechter ziet in de nadere motivering van 5 juli 2018 geen aanleiding het verzoek van [verzoekster] tot opheffing dan wel wijziging van de uitgesproken schorsing toe te wijzen. De gegeven motivering dat wellicht het gebruik op het perceel [locatie B] is geïntensiveerd, maar dat dat gegeven niet relevant is aangezien zonder meer niet-agrarische gebruiksactiviteiten plaatsvonden is niet op voorhand zodanig overtuigend dat vaststaat dat deze opvatting in de bodemprocedure stand houdt. De raad koppelt hieraan dat de exacte omvang van het bedrijf toen en nu niet relevant is voor de vraag of sprake is van een bestaand niet-agrarisch bedrijf als bedoeld in de Verordening 2014. De voorzieningenrechter oordeelt dat in de bodemprocedure aan de orde moet komen waarop de raad deze uitleg van de Verordening 2014 baseert. Een onderbouwing van dit standpunt volgt niet uit de nadere motivering van 5 juli 2018 en de beoordeling van de juistheid van dit standpunt vergt nadere bestudering waarvoor deze procedure zich niet leent.

8.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de twijfel of artikel 6.10 van de Verordening 2014 in de weg staat aan de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling niet weggenomen. De voorzieningenrechter ziet daarom en omdat de bodemprocedure binnen afzienbare tijd op zitting wordt behandeld geen aanleiding het verzoek van [verzoekster] tot opheffing dan wel wijziging van de uitgesproken schorsing toe te wijzen. Dit betekent dat de uitgesproken schorsing in stand blijft.

9.    De raad dient ten aanzien van [partij] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    wijst het verzoek van [verzoekster] af;

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Bernheze tot vergoeding van bij [partij] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 549,17 (zegge: vijfhonderdnegenenveertig euro en zeventien cent), waarvan € 501,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Reichardt, griffier.

w.g. Helder    w.g. Reichardt

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2018

772.

BIJLAGE

Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant

Artikel 2 Werking van deze verordening

[…] 3. Waar in deze verordening gesproken wordt over een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, wordt daaronder verstaan:

a.    datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden toestaat, met inbegrip van datgene wat nadien wordt toegestaan op grond van:

I.    een uitwerking van het geldend bestemmingsplan, mits dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet; of

II.    een besluit van het gemeentebestuur als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter.

b.    datgene waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.

Artikel 6.10 Niet-agrarische functies

1.    Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits:

a.    de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m2 bedraagt;

b.    de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

c.    is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;

d.    de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

e.    de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;

f.    de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;

g.    de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2;

h.    is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang;

i.    de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.

2.    Een bestemmingsplan kan voorzien in een uitbreiding of wijziging van een bestaande niet-agrarische functie onder overeenkomstige toepassing van de bepalingen in het eerste lid.

3.    In afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a.    de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;

b.    overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6, tweede lid (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebied) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt;

c.    de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

d.    de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.