Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201803206/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening Wielwijk, Crabbehof en Zuidhoven, locatie Parkrand (Wielwijkpark en Reeweg Zuid)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803206/1/R6.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Dordrecht,

en

de raad van de gemeente Dordrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening Wielwijk, Crabbehof en Zuidhoven, locatie Parkrand (Wielwijkpark en Reeweg Zuid)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, ing. P.A.C. Veenbrink, M.E. Kiewiet bacc. en ing. R. Kraak, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan maakt maximaal 20 woningen mogelijk ten noorden, ten noordoosten en ten noordwesten van de Reeweg Zuid te Dordrecht.

2.    [appellante] woont aan de [locatie] te Dordrecht.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Verkeersontsluiting

4.    [appellante] voert aan dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verkeersontsluiting van de Reeweg Zuid. Volgens [appellante] is de Reeweg Zuid te smal voor het toekomstige verkeer. Daarbij wijst [appellante] erop dat de weg ook als fietsroute gebruikt wordt door scholieren. Zij stelt dat de Reeweg Zuid 3,8 m breed is, terwijl volgens de aanbevelingen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: de CROW) de weg minimaal 4,8 m breed moet zijn. Volgens haar zullen de twee kruisingen die nodig zijn om de nieuwe woningen te ontsluiten voor autoverkeer, niet bijdragen aan de verkeersveiligheid.

    Verder stelt [appellante] dat de raad op dezelfde datum als de vaststelling van het bestreden plan een motie heeft aangenomen om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een eventuele alternatieve ontsluiting van het plangebied. Volgens [appellante] blijkt hieruit dat de raad niet overtuigd was van de aanvaardbaarheid van de gekozen ontsluiting.  

4.1.    Niet in geschil is dat de Reeweg Zuid een erftoegangsweg is.

De raad stelt dat de breedte van de weg varieert van 3,6 m tot 4,5 m. [appellante] stelt dat de breedte van de weg ter hoogte van haar woning 3,8 m is.

4.2.    Volgens de aanbevelingen van het CROW zoals opgenomen in de publicatie "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2012" dient een erftoegangsweg een minimale breedte van 4,8 m te hebben. Gelet op paragraaf 11.2.4 van deze publicatie mogen parkeervakken daar niet bij worden meegerekend.

4.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende weten te motiveren waarom in dit geval in redelijkheid van de aanbeveling van het CROW van 4,8 m breedte kon worden afgeweken en de raad een breedte van tussen de 3,6 en 4,5 m op de Reeweg Zuid voldoende kon achten voor de afwikkeling van het verkeer. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat de Reeweg Zuid de toekomstige hoeveelheid verkeer kan verwerken. Het gaat volgens de raad om een toename op het drukste uur van de dag van maximaal achttien auto’s. Zo stelt de raad dat een groot deel van het verkeer wordt verwacht vanuit westelijke richting. Dit verkeer slaat linksaf het park in ter hoogte van Reeweg Zuid 32. Deze auto's rijden op dat moment dus niet verder over de Reeweg Zuid tussen de huisnummers 32 en 68. Het verkeer dat de Parkrand verlaat kan dat alleen bij de oostelijke ontsluiting. Dat is ter hoogte van huisnummer 68. Daar heeft het verkeer de keuze om via de Reeweg Zuid naar het oosten of het westen te rijden, afhankelijk van de bestemming. Het deel dat in oostelijke richting rijdt (richting Smitsweg) komt niet langs de huisnummers 32 tot en met 68. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Reeweg Zuid in de bestaande situatie al zoveel verkeer te verwerken heeft dat de raad de verkeerstoename door het plan onaanvaardbaar had moeten achten.

4.4.    Daarnaast is de Afdeling van oordeel dat de raad in zijn motivering het aspect van de verkeersveiligheid op de nieuwe kruispunten heeft meegewogen. Zo stelt de raad dat deze kruispunten op de Reeweg Zuid worden aangepast en dat er verkeersplateaus worden aangebracht om het verkeer af te remmen en te attenderen op andere verkeersdeelnemers.

4.5.    Voorts heeft de raad ter zitting gesteld dat de motie, die inhoudt dat het college van burgemeester en wethouders wordt verzocht onderzoek te doen naar een alternatieve verkeersontsluiting, geen aanleiding was om het bestreden plan niet vast te stellen. De raad wijst er in dit verband op dat de motie mede is aangenomen met het oog op de nog niet concrete plannen voor woningbouw op het volkstuinencomplex en de locatie Smitsweg, de zogenoemde fase 2. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de motie niet worden afgeleid dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan van oordeel was dat de ontsluiting van verkeer als gevolg van het plan over de Reeweg Zuid niet aanvaardbaar is.

4.6.    Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie op de Reeweg Zuid. De betogen falen.

Geluidsbelasting

5.    [appellante] betoogt dat het aantal verkeersbewegingen op de

Reeweg Zuid toeneemt als gevolg van het bestreden plan en dat dit leidt tot een verhoging van de geluidsbelasting van haar woning. Volgens [appellante] is de geluidsbelasting van haar woning door de nabijheid van de A16, de N3, een spoorweg en industrielawaai al hoog.

5.1.    Een eventuele toename van geluid als gevolg van het plan op de woning van [appellante], is voornamelijk afkomstig van verkeer over de Reeweg Zuid. De stelling van de raad ter zitting dat de toename van verkeersbewegingen door het bestreden plan tot een zeer geringe toename van geluid op de woning van [appellante] leidt, heeft [appellante] niet gemotiveerd weersproken. De juistheid van die stelling komt de Afdeling ook niet onaannemelijk voor, gelet op de onder 4.3 reeds genoemde omvang van de verkeerstoename als gevolg van het plan. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door deze toename een geluidsbelasting op haar woning ontstaat die de raad onaanvaardbaar had moeten achten. Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

6.    [appellante] voert aan dat de raad er ten onrechte vanuit is gegaan dat het bestreden plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.  Zo stelt [appellante] dat de raad ten onrechte artikel 5 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) niet heeft toegepast.

6.1.    De raad stelt dat op grond van artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer en artikel 4 van het Besluit in bijlage 3A van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (hierna: de Regeling) categorieën van gevallen zijn aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. De grens van de hier van belang zijnde categorie van gevallen ligt op 1.500 woningen. Volgens de raad wordt die grens ook niet overschreden als je de 19 woningen zou meerekenen die in de toekomst wellicht op de volkstuinenlocatie en de locatie Smitsweg mogelijk worden gemaakt.

6.2.    De relevante wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

6.3.    Op grond van artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer en artikel 4 van het Besluit zijn in bijlage 3A van de Regeling categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Voor zover hier van belang zijn als categorie van gevallen aangewezen woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat.

6.4.    De Afdeling stelt vast dat het bestreden plan één ontsluitingsweg kent en minder dan 1.500 woningen mogelijk maakt, te weten 20 woningen. Wat de plannen voor woningbouw betreft op de volkstuinenlocatie, de locatie Smitsweg en het terrein van het voormalige ziekenhuis, is niet gebleken dat die plannen ten tijde van de vaststelling van het plan al zo concreet waren dat sprake was van, zoals voor de toepasselijkheid van artikel 5 van het Besluit is vereist, woningbouwlocaties waarvan redelijkerwijs voorzienbaar is dat deze met toepassing van het Besluit worden of zullen worden gerealiseerd gedurende de periode waarop het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet, betrekking heeft. Gelet hierop worden die locaties niet tezamen met de onderhavige locatie als één locatie beschouwd voor de toepassing van het Besluit en de daarop berustende bepalingen. Het bestreden plan behoort daarom tot een categorie van gevallen die in voorschrift 3A.2 van bijlage 3A van de Regeling is aangewezen en de vaststelling daarvan draagt niet in betekenende mate bij als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.

6.5.    Gelet het op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer is vastgesteld.

    Het betoog faalt.

Privacy en inbraakgevaar

7.    [appellante] betoogt dat het bestreden plan niet rechtszeker is, voor zover binnen de bestemming "Water" onder meer ook groenvoorzieningen mogelijk zijn. Het plan kan volgens haar leiden tot versmalling of mogelijk zelfs het verdwijnen van een watergang, wat leidt tot aantasting van de privacy en inbraakgevaar.

7.1.    De raad stelt dat de afstand tussen de woning van [appellante] en het bouwvlak van de nieuwe woningen in de Parkrand 75 m bedraagt en de afstand tussen de woning van [appellante] en de bouwvlakken achter de Reeweg Zuid 54 tot en met 68 minimaal 36 m bedraagt. Volgens de raad is er geen sprake van onaanvaardbare afstanden en derhalve geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

    Daarnaast stelt de raad dat de bestaande watergang ter hoogte van de woning van [appellante] breder wordt gemaakt. In de watergang wordt een eiland aangelegd met een smal voetpad. Langs dit voetpad worden bomen en struiken aangeplant, zodat de inkijk in de achtertuinen van de woningen aan de Reeweg Zuid beperkt wordt. Door dit voetpad en de watergang met een breedte van 5 m is het volgens de raad niet mogelijk om vanaf het struinpad de achtertuin van de woning van [appellante] te bereiken.

7.2.    Aan de gronden direct achter de woning van [appellante] zijn de bestemmingen "Water" en "Groen - Park" toegekend. De relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

7.3.    [appellante] heeft gelijk dat de bestemming "Water" ook groenvoorzieningen mogelijk maakt en dat dit zou kunnen leiden tot het dempen van de watergang achter haar tuin. Hoewel de raad ter zitting stellig heeft verklaard dat het niet de bedoeling is om de watergang te dempen, is de Afdeling van oordeel dat zelfs als de watergang zou worden gedempt, de privacy van [appellante] niet onaanvaardbaar wordt aangetast. De woning van [appellante] ligt immers op een afstand van ongeveer 47 m van de gronden met de bestemmingen "Water" en "Groen - Park". Verder kan [appellante] een schutting plaatsen om zicht op haar tuin te beperken. Daarbij betrekt de Afdeling dat een recht op blijvend vrij uitzicht niet bestaat.

7.4.    Voor zover het inbraakgevaar bij het dempen van de watergang groter wordt, omdat het gemakkelijker wordt het perceel van [appellante] vanaf de noordzijde te betreden, overweegt de Afdeling dat ook hiervoor geldt dat [appellante] door het plaatsen van een schutting het inbraakgevaar kan beperken. In een stedelijke omgeving is het niet ongebruikelijk om inbraakgevaar op die wijze te beperken.

7.5.    Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellante] dan wel in zoverre leidt tot een onaanvaardbaar inbraakgevaar. Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

288-867. BIJLAGE

Artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer luidt: "Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

    c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen."

    Artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer luidt: "Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin."

    Artikel 4, eerste lid, van het Besluit luidt: "Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt."

    Artikel 5 van het Besluit luidt: "Bedrijfslocaties, kantoorlocaties, woningbouwlocaties, locaties voor inrichtingen en locaties voor infrastructuur ten aanzien waarvan redelijkerwijs voorzienbaar is dat deze met toepassing van dit besluit worden of zullen worden gerealiseerd gedurende de periode, waar het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet, betrekking op heeft, worden voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen als één locatie beschouwd, voor zover die locaties:

    a. gebruikmaken of zullen maken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur, en

    b. aan elkaar grenzen of zullen grenzen dan wel in elkaars directe nabijheid zijn gelegen of zullen zijn gelegen, tot een afstand van ten hoogste 1000 meter vanaf de grens van de betreffende locatie of inrichting, met dien verstande dat locaties en inrichtingen buiten beschouwing blijven voor zover de toename van de concentraties ter plaatse niet meer bedraagt dan 0,1 microgram/m3."

    Artikel 4, eerste lid, van de Regeling luidt: "Aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit worden de in bijlage 3A genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijk voorschriften betrekking heeft op een kantoorlocatie, woningbouwlocatie of combinatie daarvan."

    Voorschrift 3A.2 van bijlage 3A van de Regeling luidt: "Aangewezen ingevolge artikel 4, eerste lid, worden woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3000 woningen omvat."

    Artikel 7, aanhef en lid 7.1, van de planregels luidt: "De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor

a. watergangen;

b. waterhuishouding;

c. bruggen, ter plaatse van de aanduiding 'brug';

d. bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, (overige) bruggen en nutsvoorzieningen."

    Artikel 4, aanhef en lid 4.1, van de planregels luidt: "De voor 'Groen - Park' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. park;

b. ontsluitingsweg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkeer';

c. perceelsontsluitingen;

d. water;

e. parkeerplaatsen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';

f. bij de bestemming behorende voorzieningen, speelvoorzieningen, recreatievoorzieningen, verhardingen, voet- en fietspaden, verblijfsruimten, bruggen en nutsvoorzieningen,

met inachtneming van lid 4.3."