Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3132

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201800398/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:11859, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2014 heeft de raad van de gemeente Meerssen het verzoek van [appellant] om een weg aan de openbaarheid te onttrekken afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/85 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800398/1/A3.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Bunde, gemeente Meerssen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 december 2017 in zaak nr. 16/3317 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2014 heeft de raad van de gemeente Meerssen het verzoek van [appellant] om een weg aan de openbaarheid te onttrekken afgewezen.

Bij besluit van 12 september 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[partij] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. E. Weusten, is verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij], bijgestaan door mr. P. van Roy, advocaat te Beek, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen, vertegenwoordigd door E.H.G. Moonen, als partij gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] woont aan de [locatie A] te Bunde. De weg, met perceelnummer [nummer], is met een klein begroeid talud afgescheiden van een pad, waarover door het bos naar Geulle kan worden gewandeld. De Boschweg is eigendom van de NS Vastgoed B.V. De weg is in 2007 in eigendom overgegaan van de NS naar [appellant].

    Net voor het perceel, ten zuiden van nummer [locatie A], staat een woning met [nummer locatie B]. Tussen het perceel dat bij nummer [locatie B] hoort en het perceel dat bij nummer [locatie A] hoort ligt een strook die eigendom is van [partij]. [partij] woonde tot 1987 aan de [locatie B]. Daarna is zij verhuisd naar de woning aan de [locatie C]. Deze woning ligt ten oosten van de [locatie B] en [locatie A] en de percelen grenzen aan elkaar. Door middel van de strook tussen de percelen van de [locatie B] en [locatie A] heeft zij een achteruitgang naar de Boschweg. Om van de strook op de Boschweg te komen, moet [partij] over de weg. [appellant] moet om bij haar woning te kunnen komen ook over de weg.

    [appellant] heeft de raad verzocht de weg te onttrekken aan de openbaarheid dan wel te bepalen of te bevestigen dat de weg niet openbaar is. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat weg openbaar is. Hierbij heeft de raad het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 4 februari 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:201) betrokken. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat de weg openbaar is. Omdat de raad het belang van [partij] om een achteruitgang te behouden zwaarder vindt wegen dan het belang van [appellant] om de door haar gestelde overlast tegen te kunnen gaan, heeft hij het verzoek van [appellant] om de weg aan de openbaarheid te onttrekken, afgewezen. Het college heeft dit besluit juist geacht en heeft het administratief beroep ongegrond verklaard.

Wettelijk kader

2.    Artikel 4 van de Wegenwet luidt: "1. Een weg is openbaar:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

[…]

2. Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig […] jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is."

    Artikel 9, eerste lid, luidt: "Een weg […] kan aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen."

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de weg openbaar is in de zin van artikel 4 van de Wegenwet. Met betrekking tot het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 16 november 2010 een brief gestuurd waarin staat dat de weg niet openbaar is. Dat met deze brief verwachtingen zijn gewekt, betekent niet dat de raad in deze procedure geen ander standpunt heeft kunnen innemen, zeker gezien de belangen van [partij] die aan honorering van het bij [appellant] gewekte vertrouwen in de weg staan. Het college heeft vanwege deze belangen redelijkerwijs kunnen besluiten de weg niet aan de openbaarheid te onttrekken, aldus de rechtbank.

Gronden in hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de weg openbaar is. Op de Boschweg is uitsluitend bestemmingsverkeer toegestaan. De weg is het laatste stuk van de Boschweg dat nog met de auto is te bereiken. Dit stuk werd altijd als privé beschouwd. Vreemden zijn daar nooit gedoogd. Dit werd bekendgemaakt door een witte streep op de weg met de tekst "eigen weg" en een bord "verboden te parkeren". Ook betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad een andere afweging mocht maken dan het college van burgemeester en wethouders en dat het vertrouwensbeginsel dus niet is geschonden. De belangen van [partij] waren al bekend bij het college van burgemeester en wethouders toen het de brief verstuurde met daarin de verklaring dat de weg niet openbaar is. [partij] heeft via haar advocaat op 3 juni 2010 een brief naar de raad en het college van burgemeester en wethouders gestuurd, waarin zij schreef dat door het onttrekken van de weg aan de openbaarheid haar achteruitgang zal worden belemmerd. Achteraf kan dan de raad, en vervolgens het college, niet vanwege deze belangen van deze verklaring afwijken, aldus [appellant].

Oordeel van de Afdeling

5.    Tot 2007 was de weg in eigendom van de NS. De NS had geen borden geplaatst waarmee de toegang tot de weg werd beperkt. Het feit dat de Boschweg slechts is opengesteld voor wandelaars, fietsers en bestemmingsverkeer, maakt niet dat de weg niet openbaar is. De weg is vrij toegankelijk voor iedereen die niet onder het verbod valt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de weg meer dan dertig jaar lang voor een ieder toegankelijk is geweest en dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat voor 2007 niet op enig moment gedurende een jaar de toegang tot de weg is beperkt. De weg is daarom ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet openbaar.

    [appellant] heeft, nadat zij de weg in eigendom heeft gekregen in 2007, een witte streep op de weg gezet met de woorden "eigen weg" en twee borden geplaatst met "verboden te parkeren" en "verboden toegang".

De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet, [appellant] hiermee niet meer kon bewerkstelligen dat de weg niet openbaar zou zijn, omdat de weg op dat moment langer dan dertig jaar toegankelijk was voor een ieder.

5.1.    Ter zitting heeft [partij] toegelicht dat zij de weg gebruikt om met de auto bij haar atelier te komen, zodat zij haar atelier kan bevoorraden en schilderijen kan in- en uitladen. Ook gebruiken haar kinderen en kleinkinderen de weg als zij weten dat [partij] in haar atelier is. Via de oprit naar haar woning vanaf de Op de Locht kan zij haar atelier zeer moeilijk bereiken, dit gezien de grote afstand tussen de woning en het atelier en het glooiende terrein. De hinder die [appellant] stelt te ondervinden bestaat uit auto’s die de weg gebruiken om te keren, wandelaars en fietsers die de weg inlopen en tuinafval dat achtergelaten wordt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van [appellant] niet zodanig zwaarwegend zijn dat deze in redelijkheid zouden dienen te prevaleren boven de belangen van [partij]. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] op andere wijze kan opkomen tegen de gestelde overlast.

5.2.    Het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden nagekomen. Nog daargelaten of het vertrouwen in dit geval is gewekt door het daartoe bevoegde orgaan, had de raad geen beslissingsruimte bij de vraag of de weg openbaar is. Zoals onder 5 is overwogen, is de weg openbaar en was de mededeling van het college van burgemeester en wethouders dus niet juist. Of de belangen van [partij] al bekend waren toen het college van burgemeester en wethouders de brief verstuurde, is niet van belang, omdat deze belangen niet relevant zijn voor de vraag of de weg openbaar is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:891)), strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver dat een bestuursorgaan gehouden is in strijd met de wet te handelen. Bovendien staat het belang van [partij], zoals omschreven onder 3.3, in de weg aan honorering van het ten onrechte gewekte vertrouwen en heeft [appellant] niet naar aanleiding van het gewekte vertrouwen gehandeld en als gevolg daarvan schade of nadeel geleden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het gewekte vertrouwen niet gehonoreerd hoefde te worden en het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.

5.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Klein

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

176-851.