Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201705973/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2017 heeft het college het wijzigingsplan "Anderen Dorp, tussen [locatie 2] en [locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705973/1/R3.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Anderen, gemeente Aa en Hunze,

en

het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2017 heeft het college het wijzigingsplan "Anderen Dorp, tussen [locatie 2] en [locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2018, waar [appellant] en anderen, van wie [appellant] en [gemachtigde] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door T. Bruining LLB, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Prolander, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

    Overwegingen

Inleiding

1.    Bij het wijzigingsplan is met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 20, aanhef en lid b, van de planregels van het bestemmingsplan "Anderen dorp", vastgesteld door de raad van de gemeente Aa en Hunze bij besluit van 26 mei 2010, de bestemming

"Wonen - 3" gewijzigd in "Wonen - 3" met een bouwvlak.

2.    Het wijzigingsplan voorziet in de realisatie van twee vrijstaande woningen of één grote vrijstaande woning in het noordoosten van Anderen op het perceel naast [locatie 1] te Anderen (hierna: het perceel). Het plan is vastgesteld op verzoek van een initiatiefnemer.

3.    [appellant] en anderen zijn woonachtig aan [locatie 1] en aan [locatie 2] te Anderen.

Toetsingskader

4.    Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college van burgemeester en wethouders onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

5.    Artikel 20, aanhef en lid b, van de planregels bij het bestemmingsplan "Anderen dorp" luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden, het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het plan wijzigen in die zin dat:

b. binnen de bestemming ‘Wonen - 3’ nieuwe bouwvlakken in het bestemmingsvlak worden aangebracht, mits:

    1. deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding ‘wro-zone - wijzigingsgebied 1’;

    2. het aantal bouwvlakken ten hoogste 2 bedraagt;

    3. een goede ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing wordt gerealiseerd, waarbij wordt aangesloten op de ruimtelijke structuur en de kwaliteiten van de omgeving;

    4. ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd dat aan kan tonen dat de ruimtelijke ontwikkeling vanuit ecologisch oogpunt acceptabel is;

    5. voorafgaand aan de ontwikkeling van het gebied in een vroegtijdig stadium overleg zal worden gepleegd met het waterschap."

Behoefte

6.    [appellant] en anderen betogen dat het bestreden plan in strijd is met de Quickscan van de woningmarkt voor Anderen, waaraan gerefereerd wordt in de toelichting van het bestemmingsplan "Anderen dorp". Volgens [appellant] en anderen is er geen behoefte aan nieuwe woningen in Anderen. Daarbij stellen [appellant] en anderen dat volgens het bestemmingsplan "Anderen dorp" nieuwbouw plaats moet vinden aan de Gevelakkers.

6.1.    In de Quickscan van de woningmarkt voor Anderen van 26 februari 2008 (hierna: de Quickscan) is opgenomen dat tot circa 2013 ongeveer vijf woningen nodig zijn voor de eigen ontwikkeling van Anderen. Tot 2018 hoeven er volgens de prognose uit de Quickscan geen woningen meer te worden gerealiseerd in Anderen. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat er geen behoefte is aan nieuwe woningen, overweegt de Afdeling dat het college ter zitting heeft toegelicht dat, na het realiseren van de nieuwbouw van de Gevelakkers, in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan "Anderen dorp" met behulp van de Quickscan de woningbehoefte van het dorp Anderen is bepaald en dat daarna geen nieuwe woningen in Anderen zijn opgericht. Nu [appellant] en anderen dit niet hebben weersproken, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling de behoefte aan de woningen in dit plan voldoende gemotiveerd. Het plan voorziet alsnog gedeeltelijk in de behoefte aan vijf woningen voor de eigen ontwikkeling van Anderen, zoals omschreven in de Quickscan. Het betoog faalt.

Aantasting landschap en bebouwingsmogelijkheden

7.    [appellant] en anderen vrezen dat het bestreden plan leidt tot ernstige aantasting van het open, oorspronkelijke karakter van het landschap, omdat er te ruime bebouwingsmogelijkheden worden geboden. Zo menen [appellant] en anderen dat de breedte van het bouwvlak en daarbij de eventueel te realiseren aan- en bijgebouwen zorgen voor een verdichting van de lintbebouwing.

    Voorts stellen zij dat het bouwvlak te ver naar achter is gesitueerd ten opzichte van de rooilijn van de andere woningen in het bouwlint. Volgens [appellant] en anderen is de boom, die langs de weg op het perceel [locatie 1] is gesitueerd en in eigendom is van [appellant], recent gesnoeid, waardoor het argument van het college dat het oostelijke deel van het bouwvlak naar achteren is verplaatst om niet in de kroonprojectie van de boom te worden gesitueerd, niet meer opgaat. Daarbij komt, naar [appellant] en anderen stellen, dat de boom niet is aangemerkt als een te beschermen boom in het bestemmingsplan en ook zou kunnen worden gekapt.

    Daarnaast stellen [appellant] en anderen dat het bestreden plan het doorzicht vanaf de straat naar de achtergelegen essen aantast. Verder voeren de bewoners van het perceel [locatie 2] aan dat hun uitzicht op de essen verdwijnt.

7.1.    Aan het plangebied is in het bestemmingsplan "Anderen dorp", vastgesteld door de raad van de gemeente Aa en Hunze bij besluit van 26 mei 2010, de bestemming "Wonen - 3" zonder bouwvlakken toegekend. De raad heeft het toestaan van woningen op het perceel in dat plan al ruimtelijk aanvaardbaar geacht.

7.2.    Aan het perceel in het plangebied zijn de aanduidingen "bouwvlak", "specifieke bouwaanduiding - 1" en "specifieke bouwaanduiding - 2" toegekend.

    Artikel 3, lid 3.2.1, van de regels van het bestreden plan luidt:

"Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;

b. een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

c. het aantal hoofdgebouwen binnen een bouwvlak zal ten hoogste het aantal bedragen zoals weergegeven op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal woningen’, waarvoor geldt dat:

    1. binnen het gebied op de verbeelding aangeduid met ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ er maximaal 1 hoofdgebouw mag worden gebouwd;

    2. binnen het gebied op de verbeelding aangeduid met ‘specifieke bouwaanduiding - 2’ er maximaal 1 hoofdgebouw per aanduiding mag worden gebouwd;

d. een hoofdgebouw zal vrijstaand worden gebouwd;

[…]"

    Lid 3.2.2, aanhef en onder b, luidt:

"Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

[…]

b. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 1,00 m vanaf de zijdelingse perceelgrens dan wel op de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd."

7.3.    Anders dan hetgeen [appellant] en anderen stellen over de te ruime bebouwingsmogelijkheden in het bestreden plan, is de Afdeling van oordeel dat de breedte van de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - 1" en "specifieke bouwaanduiding - 2" binnen het bouwvlak op het perceel vergelijkbaar is met de breedte van de bouwvlakken in de omgeving van het plangebied, waaronder het bouwvlak op het perceel van [appellant] op [locatie 1]. Daarnaast mogen ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder b, van de planregels op het perceel bijgebouwen tot de perceelgrens worden gebouwd. In beginsel is het mogelijk om over de volle breedte van het perceel te bouwen. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de openheid van het landschap hiermee onaanvaardbaar wordt aangetast. Hierbij is van belang dat het bepaalde in deze planregel ook voor alle andere percelen met een woonbestemming in de directe omgeving van het plangebied geldt op grond van het bestemmingsplan "Anderen dorp". Het betoog faalt.

7.4.    Ten aanzien van de stelling van [appellant] en anderen dat het college rekening had moeten houden met de rooilijn van de andere woningen in het bouwlint, overweegt de Afdeling dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwvlak op het perceel in het verlengde ligt van de bestaande bebouwingslijn vanaf het Oldend richting ’t Loeg. Het college heeft toegelicht dat voor de positie van de oostelijk gelegen aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2" rekening is gehouden met de kroonprojectie van een bestaande boom op het perceel van [locatie 1]. De Afdeling is van oordeel dat het college hiermee in redelijkheid rekening heeft kunnen houden. Voor zover [appellant] en anderen stellen dat de boom is gesnoeid, doet dit aan het vorenstaande niet af, omdat de kroonprojectie niet ziet op de takken maar op de zone waarin zich de wortels van de boom bevinden. Ten aanzien van de stelling van [appellant] en anderen dat de boom ook gekapt kan worden, heeft het college ter zitting te kennen gegeven dat de boom beschermd is en dat er een kapvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) van de gemeente Aa en Hunze nodig is om hem te kappen. De boom kan op grond van artikel 4:12A, lid 2, van de APV van de gemeente Aa en Hunze alleen worden gekapt als er een noodzaak voor bestaat. Die noodzaak ontbreekt. Het betoog faalt.

7.5.    [appellant] en anderen wijzen erop dat het bestreden plan tot verlies van doorzicht naar de essen vanaf de straatzijde leidt, maar het college heeft de bebouwingsmogelijkheden in dit plan naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij is van belang dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Anderen dorp" het perceel niet heeft aangemerkt als een perceel dat doorzicht naar de essen moet kunnen verschaffen. De raad heeft zich daarbij destijds gebaseerd op het rapport "Beschrijving ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit in Anderen" van Buro Vijn B.V. van 1 december 2009, dat als bijlage 2 bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd. Daarnaast acht de Afdeling het aannemelijk dat door realisering van de voorziene woning of woningen in het plangebied het uitzicht vanaf het perceel [locatie 2] op de Essen in zeer geringe mate zal worden beperkt. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college geen zwaarder gewicht heeft hoeven toekennen aan het belang van [appellant] en anderen bij het behoud van het doorzicht en hun uitzicht op de essen. De betogen falen.

Potentiële gegadigden

8.    [appellant] en anderen stellen dat de huidige potentiële gegadigden voor de woningen die het bestreden plan mogelijk maakt, geen inwoners uit Anderen zijn. Zij stellen dat het voor hen belangrijk is dat enkel inwoners uit het dorp Anderen in de woning of de woningen in het plangebied mogen wonen en dat die voorwaarde volgt uit het bestemmingsplan "Anderen dorp".

8.1.    De door [appellant] en anderen voorgestane voorwaarde dat in de woningen enkel inwoners uit Anderen mogen wonen, heeft geen ruimtelijke relevantie en kan, gelet op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, om die reden niet in een planregel worden opgenomen. Het betoog faalt reeds hierom.

    Ten overvloede merkt de Afdeling nog op dat zover [appellant] en anderen deze voorwaarde hebben afgeleid uit de woorden "nodig voor eigen ontwikkeling" op pagina 50 van de Quickscan, dit op een misverstand berust omdat met die woorden wordt gedoeld op de ontwikkeling van de gemeente. Daarbij wordt ook rekening gehouden met mensen die naar de gemeente verhuizen.

Privacy

9.    [appellant] en anderen vrezen dat hun privacy wordt aangetast, doordat de voorgevel van de nog te realiseren woning of woningen gelijk aan de achtergevel van de woningen van [appellant] en anderen is gesitueerd.

9.1.    De Afdeling acht aannemelijk dat door realisering van de voorziene woning of woningen in het plangebied er weliswaar zicht kan zijn op de achtergevel van de woning op het perceel [locatie 1], maar dat de mogelijke inbreuk op de privacy kan worden weggenomen door - zoals ter zitting is besproken - een schutting te plaatsen of door de bestaande heg te vergroten op het perceel [locatie 1]. Daarnaast heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een eventuele inbreuk op de privacy op het perceel [locatie 2] beperkt is, nu de woning op dat perceel op ongeveer gelijke hoogte is gesitueerd als het westelijke deel van het bouwvlak van het bestreden plan.

    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de privacy van [appellant] en anderen niet onaanvaardbaar wordt aangetast.

    De betogen falen.

Conclusie

10.    Het beroep is ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

288-867.