Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3122

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201708901/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2017 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod voor een periode van tien dagen opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708901/1/A3.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Baarn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 september 2017 in zaak nr. C/16441923 / FA RK 17-3662 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Baarn.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2017 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod voor een periode van tien dagen opgelegd.

Bij besluit van 1 juni 2017 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen.

Bij uitspraak van 27 september 2017 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 5 september 2018 aan de orde gesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont samen met zijn echtgenote, hun meerderjarig kind en hun vier minderjarige kinderen in de woning aan de [locatie] in Baarn.

 

Opleggen van een huisverbod

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn aanwezigheid in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth).

    Daarover voert hij aan dat het vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar alleen steunt op de verklaringen van zijn echtgenote en dat dit niet voldoende is om aan hem een huisverbod op te leggen. Daarnaast wijst [appellant] erop dat al maanden hulpverleners bij het gezin waren betrokken en dat deze niet eerder aanleiding hebben gezien om misstanden te melden.

2.1.    Artikel 2, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat."

2.2.    Uit het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld en het rapport van de situatie ter plaatse blijkt dat twee maatschappelijk medewerkers die vanuit de gemeente Baarn betrokken zijn bij het gezin wegens diverse problematiek op 20 mei 2017 de politie hebben gebeld, omdat zij zich ernstige zorgen maakten over de veiligheid van de echtgenote. De echtgenote heeft verklaard dat [appellant] haar de nacht ervoor mishandeld heeft en dat zij zichtbaar letsel op haar benen, hand en armen had opgelopen. De aanleiding van het geweld zou te maken hebben met seksualiteit. De echtgenote heeft verklaard dat zij meerdere malen door [appellant] is verkracht. De afdeling Zeden van de politie verricht hiernaar nader onderzoek. Op 21 mei 2017 is een aangifte mishandeling opgenomen. Verder heeft de burgemeester eerder bij besluit van 23 september 2015 aan [appellant] een huisverbod opgelegd wegens een geweldincident tussen hem en de echtgenote.

2.3.    Anders dan [appellant] betoogt, heeft de burgemeester het besluit van 22 mei 2017 niet alleen op de verklaringen van de echtgenote gebaseerd, maar ook op de omstandigheden dat eerder aan [appellant] een huisverbod is opgelegd wegens een geweldincident tussen hem en de echtgenote en dat de bij het gezin betrokken hulpverleners zich zorgen maakten om de veiligheid van de echtgenote. Zoals de burgemeester verder terecht naar voren heeft gebracht, is het volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2384), gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, voor de in het besluit van 22 mei 2017 genoemde personen opleveren. De burgemeester heeft zich op grond van de onder 2.2 weergegeven feiten en omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth of dat een ernstig vermoeden van zulk gevaar bestond. Dat de bij het gezin betrokken hulpverleners niet eerder melding hebben gemaakt van misstanden in het gezin, wat daar ook van zij, betekent niet dat, zoals de burgemeester terecht heeft gesteld, geen huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester bevoegd was krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wth een huisverbod aan [appellant] op te leggen.

Het betoog faalt.

De verlenging van het huisverbod

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dreiging van het gevaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wth zich voortzet. Daarover voert hij aan dat het in zijn cultuur gebruikelijk is om familieleden in te schakelen voor een bemiddelingspoging. Dat hij in dat kader drie mannen naar zijn echtgenote heeft gestuurd, is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dan ook niet een bevestiging van de problematische situatie in het gezin.

3.1.    Artikel 9, eerste lid, van de Wth luidt: "De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet." […]

3.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dreiging van het gevaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wth zich voortzet.

    De burgemeester heeft daaraan terecht ten grondslag gelegd dat in het zorgadvies van 31 mei 2017 staat dat de veiligheid van de echtgenote en de kinderen nog niet kan worden gegarandeerd en dat er nog meer hulp voor de kinderen moet worden ingezet. Weliswaar blijkt uit het zorgadvies dat [appellant] de aangeboden hulp deels heeft geaccepteerd, maar daaruit blijkt ook dat hij zich niet aan het contactverbod, dat deel uitmaakt van het huisverbod, met de echtgenote heeft gehouden. [appellant] heeft zijn echtgenote op verschillende plekken opgewacht om vervolgens achter haar aan te rijden of te fietsen. Dit leidt tot onrust in het gezin en een onveilig gevoel bij de echtgenote. Daarnaast blijkt uit het zorgadvies dat [appellant] niet volledig heeft geaccepteerd dat de echtgenote van hem wil scheiden en dat hij daarom drie mannen naar de echtgenote heeft gestuurd om te spreken over een bemiddelingspoging. De rechtbank heeft, anders dan [appellant] betoogt, terecht overwogen dat de burgemeester zich hierover terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] daarmee in strijd met het contactverbod druk blijft uitoefenen op de echtgenote en dat dit een bevestiging is van de problematische situatie in het gezin.

Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier.

w.g. Borman    w.g. Crombach

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

689.