Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201708953/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:3951, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakkapel op het perceel [locatie A] te Wergea.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/7952
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708953/1/A1.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Wergea, gemeente Leeuwarden, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 oktober 2017 in zaak nr. 17/1299 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakkapel op het perceel [locatie A] te Wergea.

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] hoger beroep ingesteld.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2018, waar [appellant], en [vergunninghouder] en [persoon] zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie B], dat grenst aan het perceel [locatie A], en van het nabij gelegen perceel [locatie C]. Hij vreest dat als gevolg van de realisering van het bouwplan het beschermd dorpsgezicht wordt aangetast.

2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voordoen.

2.1.    Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Wergea-Kom" de bestemming "Wonen" met dubbelbestemmingen "Archeologische waardevol gebied" en "Detailhandel". Vast staat dat het hoofdgebouw is aangeduid als "beeldbepalend" en het perceel is gelegen binnen het "beschermd dorpsgezicht".

    Artikel 4, eerste lid, van de planregels luidt:

"De op de plankaart voor wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

- wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep;

[..]."

    Het tweede lid, onder a, luidt:

"Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

[..]

3. het aantal woningen bedraagt ten hoogste het bestaande aantal per bouwvlak;

[..].

    Artikel 1 luidt:

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

[..]

cc. bestaand bouwwerk:

een bouwwerk dat ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat, wordt gebouwd, dan wel nadien krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, kan worden gebouwd;

[..]

ff. bestaand aantal:

het aantal dat bestaat ten tijde van het van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

[..]."

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat omgevingsvergunning is verleend op basis van onvoldoende en onjuiste gegevens. Het college is de juistheid van de bij de aanvraag ingediende gegevens met betrekking tot het gebruik van het bouwwerk ten onrechte niet nagegaan. Het gebouw werd ten tijde van de aanvraag volgens [appellant] niet voor wonen gebruikt. Volgens [appellant] is voorts het voornemen van [vergunninghouder] om op de (kap-) verdieping leerwerkproducten te vervaardigen en verkopen en is hierover in de aanvraag ten onrechte geen nadere informatie verstrekt. Volgens [appellant] heeft de rechtbank miskend dat sprake is van onlosmakelijk met de dakkapel verbonden activiteiten, in de vorm van het gebruik van het pand als woning en het maken en verkopen van lederen kleding, welke activiteiten op grond van artikel 2.7 van de Wabo in één vergunningaanvraag hadden moeten worden opgenomen.

    Volgens [appellant] is voorts sprake van bouwwerkzaamheden, zoals de wijziging van een trap, inrichting van een keuken en sanitaire ruimten/slaapvertrekken en de plaatsing van een buitendeur in de topgevel, die voor het gewijzigde gebruik als woning dienen te worden uitgevoerd, in samenhang met de onderhavige dakkapel, die vergunningplichtig zijn en in samenhang met de onderhavige aanvraag voor de dakkapel hadden moeten worden beoordeeld.

3.1.    De aanvraag ziet op een dakkapel, die zal worden gebruikt voor de functie wonen, op een hoofdgebouw dat wordt gebruikt voor de functie wonen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ECLI:NL:RVS:2017:1015), het bestuursorgaan dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Het is niet is gebleken dat de aanvraag onjuiste gegevens bevat voor zover daarin is aangegeven dat de dakkapel zal worden gebruikt voor de functie wonen en wordt geplaatst op een hoofdgebouw dat reeds wordt gebruikt voor de functie wonen. [appellant] volstaat met niet onderbouwde stellingen over het gebruik van de kapverdieping waar de dakkapel onderdeel van uit gaat maken en over het gebruik van het hoofdgebouw. Van onlosmakelijke activiteiten in de vorm van het gebruik van het pand als woning en het maken en verkopen van lederen kleding als gevolg van het bouwplan is niet gebleken. Voorts is niet gebleken dat de aanvraag onvolledig is, omdat er sprake zou zijn van onlosmakelijke activiteiten in de zin van bouwwerkzaamheden ten behoeve van de woonfunctie in het hoofdgebouw. Het bouwplan voorziet niet in de realisering van een woning, maar uitsluitend in een dakkapel.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag in strijd is met artikel 4, tweede lid, onder a, van het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat het bestaande hoofdgebouw niet een voor bewoning bestemd gebouw betreft, omdat dit ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet werd bewoond. Dit betekent dat het aantal woningen in het bouwvlak ten opzichte van het ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan aantal aanwezige woningen toeneemt als gevolg van de realisering van de dakkapel, aldus [appellant].

4.1.    Het door [appellant] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan "Wergea-Kom". Het bouwplan ziet uitsluitend op het plaatsen van een dakkapel op een reeds bestaand hoofdgebouw dat door [vergunninghouder] gebruikt wordt voor wonen en dat volgens het bestemmingsplan daarvoor ook gebruikt mag worden. Van een toename van het aantal woningen door dit bouwplan, dat uitsluitend ziet op het plaatsen van een dakkapel ten behoeve van de woonfunctie is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dan ook geen sprake.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening van de gemeente. [appellant] wijst er op dat de bouwtekening niet aangeeft dat er een woning gerealiseerd wordt en de plattegrond ontbreekt. Ook gegevens met betrekking tot de aansluitplicht voor de woning op nutsvoorzieningen ontbreken. Verder heeft geen toets aan de bouwverordening plaatsgevonden en had de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

6.    Het door [appellant] aangevoerde biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt voorziet het bouwplan niet in de realisering van een woning. [appellant] volstaat voorts met de stelling dat er geen toets aan de bouwverordening heeft plaatsgevonden en heeft niet aangevoerd met welke specifieke artikelen van de bouwverordening zijns inziens strijd bestaat, zodat ook dit niet kan leiden tot het oordeel dat het besluit van 1 maart 2017 niet rechtmatig is.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn belang niet beschermd wordt door de regelgeving die ziet op de minimaal vereiste hoogte van de woonruimte in het bouwplan.

7.1.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.  

7.2.    De rechtbank heeft terecht heeft overwogen dat het belang van [appellant], dat onder meer is gelegen in het zicht op de dakkapel vanuit zijn monumentale pastorietuin, niet wordt beschermd door regelgeving die ziet op de hoogte van inpandige woonruimte. Die regelgeving strekt tot bescherming van het belang van de bewoners van die woonruimte. De omstandigheid dat, zoals [appellant] ter zitting heeft betoogd, een lagere hoogte van de woonruimte leidt tot een kleinere dakkapel, leidt niet tot een ander oordeel.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de welstandsadviezen van 18 augustus 2016, 1 september 2016 en 18 oktober 2016 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen en zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat haar niet is gebleken dat hij is benadeeld doordat hij niet bij de behandeling van de eerste versie van het bouwplan door de welstandscommissie aanwezig is geweest. [appellant] voert voorts aan dat de welstandscommissie niet aan de juiste criteria heeft getoetst. Het in het welstandsadvies van 16 augustus 2016 vermelde criterium dat de beeldcriteria voor dit gebied dakkapellen toestaan, mits deze ondergeschikt zijn in het beeld van het betreffende pand en de omgeving, is volgens hem niet vastgelegd in de geldende Welstandsnota van 19 maart 2004. Hij stelt zich verder op het standpunt dat sprake is van een onzorgvuldige en inconsistente adviesprocedure, nu in het advies van de welstandscommissie van 16 augustus 2016 werd voorgesteld om de dakkapel in breedte en hoogte te verkleinen en het bouwplan vervolgens uitsluitend in breedte is verminderd, maar desondanks op 18 oktober 2016 een positief welstandsadvies is afgegeven. Er is volgens [appellant] voorts een discrepantie tussen het welstandsadvies van 1 september 2016 en het welstandsadvies van 16 augustus 2016, nu in het advies van 1 september 2016 is geconcludeerd dat de bezwaren tegen het bouwplan kunnen worden ondervangen door onder meer de hoogte te beperken tot 1,40 m, terwijl het advies van 16 augustus 2016 voorstelde de hoogte van 1,40 m te verkleinen. Volgens [appellant] voldoet het bouwplan niet aan de in de welstandsnota opgenomen criteria. Hij stelt zich op het standpunt dat in de welstandsnota wordt verwezen naar het bestemmingsplan "Wergea-Kom" en dat getoetst dient te worden aan artikel 3.3 van de planvoorschriften en dat bij toepassing van de voorschriften binnen het beschermde dorpsgezicht gewerkt dient te worden naar de geest en inhoud van de toelichting op de aanwijzing van het beschermde gezicht. Hij wijst er in dat kader op dat het pand valt onder de categorie "Beeldbepalende panden" en dat het beleid daarvoor is gericht op het behoud van de goothoogte, bouwhoogte, dakvorm, de bestaande verhoudingen in de gevelopeningen en het materiaalgebruik.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8987) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

8.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] is benadeeld doordat hij niet bij de behandeling van de eerste versie van het bouwplan door de welstandscommissie aanwezig is geweest. Voor zover hij zaken niet naar voren heeft kunnen brengen bij de behandeling van de eerste versie van het bouwplan door de welstandscommissie, heeft hij bij de behandeling door de welstandscommissie van de tweede en derde versie van het bouwplan alsnog al zijn bezwaren met betrekking tot het welstandsaspect naar voren kunnen brengen. De eerste versie van het bouwplan ligt bovendien niet ter beoordeling voor in onderhavige procedure. Aan het standpunt van het college dat het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet ligt het uiteindelijke positieve advies over de derde versie van het bouwplan van 18 oktober 2016 ten grondslag.

    Het door [appellant] aangevoerde biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college het welstandsadvies van 18 oktober 2016 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen en zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De enkele omstandigheid dat in het welstandsadvies van 16 augustus 2016 werd voorgesteld om de dakkapel in breedte en hoogte te verkleinen en het bouwplan volgens [appellant] uitsluitend in breedte is verminderd, brengt niet met zich dat het college zich op grond van het welstandsadvies van 18 oktober 2016 niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand, nu dit slechts een niet bindend voorstel betrof. Dat geldt ook voor de door [appellant] gestelde discrepantie tussen het welstandsadvies van 1 september 2016 en het welstandsadvies van 16 augustus 2016. Dat aan onjuiste criteria is getoetst is voorts niet gebleken.

    Het betoog faalt.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

580.