Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201707213/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5776, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2016 heeft het college aan Stichting Sporthal Molenzicht een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een sporthal op het perceel Groen van Prinstererstaat 107 te Alblasserdam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/7951
JOM 2018/1120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707213/1/A1.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Alblasserdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2017 in zaak nr. 16/5476 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2016 heeft het college aan Stichting Sporthal Molenzicht een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een sporthal op het perceel Groen van Prinstererstaat 107 te Alblasserdam (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 25 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juli 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2018, waar [appellant A], bijgestaan door mr. drs. J. van den Brink en mr. L. Alberts, beiden advocaat te Hardinxveld-Giessendam, en het college, vertegenwoordigd door M. Verhees, T. Vink, drs. E.M. Dieleman en ing. M.K. Moerman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwplan betreft het oprichten van een sporthal binnen het reeds bestaande sportpark Molenzicht. Het bouwplan voorziet tevens in de uitbreiding van het parkeerterrein, een terras en een kinderspeelplaats. De sporthal zal worden gebruikt door korfbalvereniging CKC Kinderdijk en gymnastiekvereniging KDO. Tevens zal de sporthal worden gebruikt voor bewegingsonderwijs door scholen in Alblasserdam. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom 2010" en het "Herstelplan Alblasserdam". Op het perceel rust de bestemming "Sport". Het bouwplan is in strijd met de bebouwingsregels van deze bestemming. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteiten bouwen en gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Daarbij heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. [appellanten] wonen aan de [locatie A] respectievelijk [locatie B] in Alblasserdam, in de nabijheid van het bouwplan en zijn bevreesd voor geluidhinder. In het bijzonder vrezen zij voor aantasting van de zondagsrust.

Geluidhinder

2.    Ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan is akoestisch onderzoek gedaan. Het akoestisch rapport "Akoestisch Onderzoek Sporthal Alblasserdam" van 16 januari 2015 van Sain milieuadvies (hierna: het akoestisch rapport) maakt onderdeel uit van de aanvraag. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de onderzoeksgegevens in het akoestisch rapport. De uitkomsten van dit onderzoek zijn voor de rechtbank evenmin aanleiding geweest voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project voor het aspect geluid in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft het besluit van 6 juli 2016 vernietigd, omdat de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de financiële uitvoerbaarheid van het project niet bij de ontwerpbeschikking ter inzage zijn gelegd. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

3.    [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 juli 2016 in stand heeft gelaten. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat dit besluit vanwege de voorziene geluidhinder van de sporthal niet in stand kan blijven. In het akoestisch rapport is uitgegaan van het gebruik van het terras tussen 07:00 en 23:00 uur, terwijl de openingstijden voor openbare inrichtingen ingevolge artikel 2:29 van de Algemene Plaatselijke Verordening Alblasserdam 2016 (hierna: de APV) ruimer zijn. Volgens [appellanten] zijn dus niet alle potentiële geluidsbronnen meegenomen in de berekening. Hierdoor is er volgens hen geen garantie dat de in het akoestisch rapport genoemde openingstijden de daadwerkelijke openingstijden zijn, waardoor de omgevingsvergunning geen garantie geeft op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voorts zijn er geen zwaarwegende redenen om de ontwikkeling op de locatie toe te staan, aldus [appellanten].

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9920, komt in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat vanwege de geluidsbelasting ter plaatse van een woning betekenis toe aan alle relevante geluidsbronnen.

    Het college heeft aangegeven dat bij de vergunningverlening is uitgegaan van de openingstijden die in de ruimtelijke onderbouwing staan vermeld. De ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat het uitgangspunt voor de sporthal en de sportvelden is dat deze 6 dagen in de week worden gebruikt. Op zondag zijn de sporthal en de sportvelden in beginsel gesloten; wel kan er incidenteel gebruik worden gemaakt van het complex op zondag door KDO. Zoals ter zitting door het college is bevestigd, mag er op zondag niet van de horeca-activiteiten gebruik worden gemaakt. Verder staat in de ruimtelijke onderbouwing dat de sporthal en de sportvelden kunnen worden gebruikt van maandag tot en met donderdag van 9:00 uur tot 22:15 uur en op vrijdag en zaterdag van 9:00 uur tot 21:00 uur. De omgevingsvergunning wordt daarmee geacht te zijn verleend voor deze openingstijden. Dit betekent dat, anders dan [appellanten] betogen, alle relevante geluidsbronnen in het akoestisch rapport zijn meegenomen. Weliswaar zijn de openingstijden voor openbare inrichtingen ingevolge artikel 2:29 van de APV ruimer, maar het college heeft ter zitting toegezegd dat de burgemeester bij de nog te verlenen exploitatie- en terrasvergunningen in beginsel aansluit bij de in de ruimtelijke onderbouwing vermelde openingstijden, in dit geval voor de sporthal en de sportvelden.

    Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er in de dagperiode wat betreft de gecumuleerde geluidbelasting een geringe overschrijding van de geluidsnormen is. Het college heeft gemotiveerd waarom het de overschrijding acceptabel acht. Daartoe heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de sporthal een maatschappelijke functie heeft, mede gelet op de behoefte aan gymnastieklokalen voor scholen, en dat uit locatieonderzoek volgt dat inpassing binnen het bestaande sportpark de beste optie is. Daarnaast is binnen het bouwplan het terras zo gunstig mogelijk gesitueerd en wordt er een geluidscherm geplaatst om het stemgeluid van het terras te reduceren.

    [appellanten] betwisten de onderzoeksresultaten van het akoestisch rapport niet. De Afdeling ziet dan ook geen reden waarom het college niet van de onderzoeksresultaten in het akoestisch rapport heeft mogen uitgaan. Gezien de geringe overschrijding van de normen voor de gecumuleerde geluidsbelasting en de door het college daarvoor gegeven motivering, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de uitkomsten van het akoestisch rapport geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project voor het aspect geluid in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

Parkeerbehoefte

4.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening, nu het voorziene aantal van 10 parkeerplaatsen ten behoeve van de sportvelden ontoereikend is om te voldoen aan de parkeerbehoefte.

4.1.    Voor het bepalen van de parkeerbehoefte heeft het college gebruik gemaakt van de kencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek, zoals opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (hierna: de CROW-publicatie). Het bouwplan voorziet in de realisatie van 88 parkeerplaatsen, waaronder 78 parkeerplaatsen voor de sporthal en 10 parkeerplaatsen voor de sportvelden. Het bouwplan voldoet daarmee aan de parkeerbehoefte op basis van de kencijfers van de CROW-publicatie. Anders dan [appellanten] stellen, heeft het college de kencijfers van de CROW-publicatie als uitgangspunt kunnen nemen. Weliswaar staat in de CROW-publicatie dat voor sportvelden alleen globale kencijfers kunnen worden gegeven, maar door het maximaal in de kencijfers genoemde aantal benodigde parkeerplaatsen voor sportvelden te realiseren, heeft het college een ruime marge in acht genomen. Daarbij komt dat het college ter zitting onweersproken heeft gesteld dat slechts incidenteel veel bezoekers worden verwacht en dat er voor die incidentele gevallen in de omgeving voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. [appellanten] hebben geen deskundig tegenrapport overgelegd waaruit blijkt dat in de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Ook anderszins ziet de Afdeling in hetgeen door [appellanten] is aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de parkeerbehoefte voor de sportvelden te twijfelen.

    Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de parkeerbehoefte is voorzien en dat in zoverre sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

Alternatieve locatie

5.    [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de locatie van de voormalige zoutopslag aan de West-Kinderdijk geen geschikte alternatieve locatie is voor de sporthal. Daartoe stellen zij dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat dit terrein privaat eigendom is. Verder stellen zij dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de locatie aan de West-Kinderdijk niet voldoet aan de verkeersveiligheid, omdat de verkeersveiligheid volgens hen verbeterd kan worden.

5.1.    Het college heeft in beroep uitvoerig uiteengezet waarom de locatie aan de Groen van Prinstererstraat geschikter is dan de door [appellanten] aangedragen alternatieve locatie aan de West-Kinderdijk. De rechtbank heeft overwogen dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat met het oprichten van een sporthal op de locatie van de voormalige zoutopslag aan de West-Kinderdijk een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De stelling van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de locatie aan de West-Kinderdijk minder geschikt is, omdat dat terrein privaat eigendom is, berust op een onjuiste lezing van de uitspraak. Verder is de stelling dat de verkeersveiligheid op die locatie geen belemmering vormt, niet nader onderbouwd.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

374-855.