Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3107

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201801304/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 1 november 2016 heeft het dagelijks bestuur gereageerd op een verzoek van [appellant] tot het verwijderen van paaltjes op fietspaden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/307
JB 2018/175
JOM 2018/1121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801304/1/A2.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 januari 2018 in zaak nr. 17/4782 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Scheldestromen.

Procesverloop

Bij brief van 1 november 2016 heeft het dagelijks bestuur gereageerd op een verzoek van [appellant] tot het verwijderen van paaltjes op fietspaden.

Bij besluit van 19 mei 2017 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2018, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. C.C Hamelink-Wolters, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is op 17 augustus 2016 tijdens een fietstocht tegen een paaltje op een buitendijks fietspad nabij café/restaurant Heerenkeet gebotst en ten val gekomen. Hij heeft daarbij letsel opgelopen.

    Bij brief van 10 september 2016 heeft [appellant] het dagelijks bestuur verzocht om paaltjes op fietspaden te verwijderen, vooral op onoverzichtelijke plaatsen.

    Bij brief van 1 november 2016 heeft het dagelijks bestuur afwijzend gereageerd op dit verzoek.

    Bij besluit van 19 mei 2017 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van [appellant] tegen de brief van 1 november 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Het dagelijks bestuur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belanghebbende is bij het door hem gedane verzoek, zodat het verzoek niet een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is en de afwijzing ervan geen appellabel besluit is.

    De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.    Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is komen. Hij voert aan dat hij tegen het paaltje op het fietspad is gereden, hierdoor letsel heeft opgelopen en in verband met dat letsel kosten heeft moeten maken. Volgens [appellant] heeft hij daarmee een objectief bepaalbaar, persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang bij zijn verzoek tot verwijdering van de paaltjes op fietspaden en werkwegen.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5936), blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:2 van de Awb (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 32 e.v.) dat met de woorden ‘wiens belang rechtstreeks is betrokken’ een zekere begrenzing wordt beoogd. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit is, hoe sterk dat gevoel ook moge zijn, niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang. Maar ook een persoon die wellicht enig belang heeft, doch zich op dat punt niet onderscheidt van grote aantallen anderen, kan niet worden beschouwd als een persoon met een rechtstreeks betrokken belang. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit.

3.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] geen bijzonder persoonlijk belang heeft bij het gebruik van het fietspad (werkweg) waarop het paaltje staat waar hij tegenaan is gereden. Vaststaat dat [appellant] niet woont in de directe omgeving van dat fietspad. Dat hij, anders dan de andere fietsers, tegen het paaltje op het fietspad is gereden, daardoor letsel heeft opgelopen en in dat verband kosten heeft gemaakt, maakt niet dat hij zich ten aanzien van het gebruik van het fietspad in voldoende mate onderscheidt van andere gebruikers van het fietspad. Voorts is van belang dat het verzoek van [appellant] ook betrekking heeft op alle andere fietspaden en werkwegen van het waterschap. Hij woont niet nabij deze paden en wegen. Met voormeld incident onderscheidt [appellant] zich niet voldoende van andere verkeersdeelnemers van al die paden en wegen. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat hij met betrekking tot één of meer fietspaden of werkwegen van het waterschap wel een van andere verkeersdeelnemers te onderscheiden belang heeft bij de gevraagde verwijdering van de paaltjes.

3.3.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen belanghebbende is bij zijn verzoek. Het verzoek is daarom geen aanvraag in de zin van de Awb is en heeft niet geleid tot een voor beroep vatbaar besluit. Het bezwaar van [appellant] is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat aan de bespreking van de door [appellant] aangevoerde inhoudelijke gronden tegen de weigering van het dagelijks bestuur om paaltjes op fietspaden en werkwegen te verwijderen, niet wordt toegekomen.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt eveneens tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur ten onrechte geen besluit heeft genomen naar aanleiding van het door [appellant] ingediende schadeformulier waarbij hij het waterschap aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden letselschade. Zoals hiervoor onder 3.3 is geoordeeld, is er in deze zaak geen voor beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb. Dat betekent dat [appellant] met betrekking tot de door hem gestelde schade geen toegang tot de bestuursrechter heeft. Hij kan het geschil over de letselschade voorleggen aan de burgerlijke rechter.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

609.