Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
201703569/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2017 heeft het college zijn beslissing om op 24 januari 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/249 met annotatie van Redactie, C.M.M. van Mil
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703569/1/A1.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2017 heeft het college zijn beslissing om op 24 januari 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 12 april 2017 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Helm, is verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op dinsdag 24 januari 2017 op de Johannes Camphuijsstraat ter hoogte van nummer [...] is aangetroffen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de huisvuilzak in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden, omdat in de huisvuilzak een adresdrager is aangetroffen met daarop de naam- en adresgegevens van [appellante].

2.    [appellante] betoogt dat ze als bewoner van een bovenwoning geen  mogelijkheid heeft om huisvuil te bewaren. Doordat ze voor werkzaamheden dinsdagochtend richting Amsterdam moest en pas woensdag weer terug zou zijn, heeft ze de huisvuilzak op dinsdagochtend 24 januari 2017 aan de straat gezet. Indien ze gewacht zou hebben met het aanbieden van de huisvuilzak tot de inzameldag, zijnde woensdag, had ze de huisvuilzak nog een week langer moeten opslaan in haar woning. Volgens [appellante] dient de gemeente zorg te dragen voor goede faciliteiten in haar straat, zoals de aanleg van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s). Voorts stelt zij dat zij zich de betaling van het verschuldigde bedrag niet kan permitteren en dat het haar in de financiële problemen brengt.

2.1.    Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt." Artikel 5:25, eerste lid, luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen." Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening luidt: "Het college stelt de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden." Het tweede lid luidt: "Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald." Artikel 6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) luidt: "Het aanbieden van inzamelmiddelen is toegestaan vanaf 22.00 uur op de avond voorafgaand aan de dag van inzameling tot 7.45 uur op de dag van inzameling zelf."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2239, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie een aangetroffen afvalstof kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. Vaststaat dat de op 24 januari 2017 op de Johannes Camphuijsstraat ter hoogte van nummer 192 aangetroffen huisvuilzak van [appellante] afkomstig is, zodat het college ervan uit mocht gaan dat zij de overtreder is, tenzij [appellante] aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de huisvuilzak in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden. Van dit laatste is geen sprake, nu [appellante] zelf heeft gesteld dat zij de huisvuilzak vroegtijdig heeft buitengezet in verband met haar verblijf in Amsterdam. Het betoog van [appellante] dat zij geen alternatief had en dat de gemeente zorg moet dragen voor ORAC’s in haar straat, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij overtreder is van artikel 10, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening, in samenhang gelezen met artikel 6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit.

Doordat de huisvuilzak in strijd met de Afvalstoffenverordening en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit is aangeboden, heeft het college kosten moeten maken voor het verwijderen ervan. In beginsel behoren die kosten voor rekening van [appellante] te komen. De omstandigheid dat [appellante] zich de betaling van het verschuldigde bedrag niet kan permitteren, maakt niet dat deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te haren laste behoren te komen.

Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Schueler    w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018

531-855.