Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201800368/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:9093, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 25 februari 2017 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast door het voertuig van [appellant] met kenteken […] (hierna: het voertuig) weg te slepen en in bewaring te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800368/1/A2.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2017 in zaak nr. 17/3625 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Op 25 februari 2017 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast door het voertuig van [appellant] met kenteken […] (hierna: het voertuig) weg te slepen en in bewaring te stellen.

Bij besluit van 9 mei 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.M. Peeters, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het relevante wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Op 25 februari 2017 om 9:25 uur stond het voertuig van [appellant] geparkeerd op een laad- en losplaats in de Hemonylaan ter hoogte van huisnummer 25, in Amsterdam. Het college heeft het voertuig toen, met toepassing van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), doen wegslepen.

3.    Het college heeft zich in het besluit van 9 mei 2017, onder verwijzing naar het advies van de ambtelijke bezwaarschriftencommissie, op het standpunt gesteld dat het voertuig terecht is weggesleept. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het wegslepen van het voertuig noodzakelijk was in verband met het vrijhouden van een laad- en losplaats. De gemeenteraad heeft in de Wegsleepverordening Amsterdam 2010 laad- en losplaatsen aangewezen als weggedeelten in de zin van artikel 170 van de WVW 1994 en deze weggedeelten worden, ongeacht of in een concrete situatie sprake is van hinder of gevaar voor het overige verkeer, door toepassing van bestuursdwang vrijgehouden van geparkeerde voertuigen. Daarbij heeft het college van belang geacht dat de betreffende laad- en losplaats wordt aangeduid met drie - evenwijdig aan de rijbaan geplaatste - verkeersborden E7 die vanuit de rijrichting duidelijk zichtbaar zijn. Ook zijn op de parkeervakken kruisen te herkennen. [appellant] heeft echter, ondanks deze bebording, zijn voertuig op de laad- en losplaats geparkeerd. Dit terwijl niet in geschil is dat hij op dat moment geen laad- en loswerkzaamheden aan het verrichten was.

    Het college stelt zich verder op het standpunt dat het besluit van 25 februari 2017 conform artikel 171 van de WVW 1994 bekend is gemaakt en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het had moeten afzien van handhavend optreden. Ook bestaat er, volgens het college, geen aanleiding om de kosten in verband met het toepassen van bestuursdwang geheel of gedeeltelijk niet in rekening te brengen aan [appellant].

    De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 9 mei 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen redenen waren op grond waarvan het college van het wegslepen van het voertuig had moeten afzien of de kosten daarvan in redelijkheid niet in rekening had mogen brengen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank er ten onrechte geen betekenis aan heeft gehecht dat er een wegsleepauto in de buurt was ten tijde van het parkeren van het voertuig. Het college heeft niet ontkend dat de ambtenaren in de wegsleepauto hebben gezien dat hij om 8:38 uur een parkeerkaartje kocht terwijl dat pas nodig was na 9:00 uur, als gevolg waarvan zij op dat moment reeds hadden kunnen en derhalve behoren te constateren dat hij een overtreding beging en hem op dat moment al hadden moeten waarschuwen. De ambtenaren hadden hem, zoals bij een last onder bestuursdwang gebruikelijk is, eerst in de gelegenheid moeten stellen om de overtreding te beëindigen alvorens het voertuig weg te slepen. Daarbij voert [appellant] aan dat niet aan het vereiste van artikel 5:24, derde lid, van de Awb is voldaan. In dat artikellid is bepaald dat de last onder bestuursdwang bekendgemaakt wordt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager. Het college heeft de stap van het opleggen van een last onder bestuursdwang overgeslagen en is meteen overgegaan tot feitelijk handelen. Artikel 170, tweede lid, van de WVW 1994 kan hem daarom niet worden tegengeworpen, aldus [appellant].

5.1.    De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat het college in beginsel bevoegd was om bestuursdwang toe te passen door het voertuig van [appellant] weg te slepen en in bewaring te stellen. De rechtbank heeft daartoe terecht redengevend geacht dat, naar tussen partijen niet in geschil is, [appellant] op 25 februari 2017 geparkeerd stond op een - conform de daarvoor geldende regelgeving aangeduide - laad- en losplaats, terwijl hij geen laad- en loswerkzaamheden aan het verrichten was.

    De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat er geen redenen waren op grond waarvan het college van het wegslepen van het voertuig had moeten afzien of de kosten daarvan in redelijkheid niet in rekening had mogen brengen. Aan hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de wegsleepauto kan niet de betekenis worden toegekend die [appellant] daaraan gehecht wil zien. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de ambtenaren in de wegsleepauto, op het moment dat [appellant] het voertuig parkeerde, de overtreding hebben geconstateerd en evenmin is duidelijk geworden of het voertuig om 9:25 uur is weggesleept met dezelfde wegsleepauto die [appellant] om 8:38 uur ter plaatse heeft zien staan. Voorts is in artikel 170 van de WVW 1994 een bijzondere regeling voor het wegslepen van voertuigen opgenomen. Daarbij is een aantal artikelen van de Awb over de last onder bestuursdwang niet van toepassing verklaard, waaronder artikel 5:24 van de Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juli 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD6744) bestaat er voor het college, gelet op artikel 170, tweede lid, van de WVW 1994, geen verplichting eigenaren van voertuigen te waarschuwen en behoeft er geen termijn te worden gesteld waarbinnen de weggebruiker het wegslepen kan voorkomen door zelf maatregelen te treffen. In dat verband heeft het college verklaard dat altijd een wachttijd van tien minuten in acht moet worden genomen voordat tot wegslepen wordt overgegaan, om er zeker van te zijn dat sprake is van parkeren.

5.2.    Het betoog faalt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat het besluit van 25 februari 2017, zoals gehandhaafd bij het besluit van 9 mei 2017, onrechtmatig is.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

18-854. BIJLAGE Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 170

1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met

a. het belang van de veiligheid op de weg, of

b. het belang van de vrijheid van het verkeer, of

c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

2. De artikelen 5:24, 5:25, tweede tot en met vierde lid, 5:29, vijfde lid, 5:30, derde lid, en 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing. Bij de toepassing van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de rechthebbende die het voertuig afhaalt, in de plaats van de overtreder. Voor de toepassing van artikel 5:30 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de omstandigheid dat een voertuig niet is afgehaald, gelijkgesteld met de omstandigheid dat het voertuig niet kan worden teruggegeven.

3. Burgemeester en wethouders plegen regelmatig overleg met de officier van justitie over de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.

4. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat in een daartoe aangelegd register aantekening wordt gehouden van de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt uitgeoefend.

5. Bij toepassing van het eerste lid wordt onder rechthebbende verstaan: degene die ofwel eigenaar is van het voertuig ofwel anders dan als bezitter het voertuig ten tijde van de overtreding ten gebruike onder zich had. Hierbij geldt artikel 1, tweede lid, niet.

6. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt niet uitgeoefend, indien de rechthebbende het voertuig verwijdert voordat met de overbrenging een aanvang wordt gemaakt. Hij is alsdan de kosten verbonden aan de voorbereiding van de overbrenging, verschuldigd. De artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, en 5:10 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 173

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden:

a. de soorten van de in artikel 170, eerste lid, onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen;

[…]

2. Bij gemeentelijke verordening worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval

[…]

c. de aanwijzing van de weggedeelten en wegen, voor de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onderdeel c.

Besluit wegslepen van voertuigen

Artikel 2

De soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in artikel 173, eerste lid, onderdeel a, van de wet, zijn:

[…]

f. gelegenheden voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen, aangeduid door bord E7 van bijlage 1 bij het RVV 1990;

[…].

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Artikel 24

1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

[…]

d. op een parkeergelegenheid:

[…]

2˚. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven;

[…].

Wegsleepverordening Amsterdam 2010

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

b. wet: de Wegenverkeerswet 1994;

c. besluit: het Besluit wegslepen van voertuigen op grond van art. 173 van de wet;

[…].

Artikel 2

Als wegen en weggedeelten, bedoeld in art. 170, eerste lid, onder c, van de wet worden aangewezen alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente Amsterdam voorzover die behoren tot een van de in art. 2 van het besluit bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.