Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
201803498/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2016 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan [belanghebbende] voor het realiseren van twee vleeskalverenstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverenstallen, het aanleggen van een nieuwe inrit, het plaatsen van twee dichte mestzakken en het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het perceel [locatie 1] te Wâlterswâld (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/225 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803498/2/A1.

Datum uitspraak: 26 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Wâlterswâld, gemeente Dantumadiel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 maart 2018 in zaak nr. 17/403 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2016 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan [belanghebbende] voor het realiseren van twee vleeskalverenstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverenstallen, het aanleggen van een nieuwe inrit, het plaatsen van twee dichte mestzakken en het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het perceel [locatie 1] te Wâlterswâld (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 14 maart 2018 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 september 2018, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door, mr. L. Sijtsma, mr. K. Arends en W.J. Osinga, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde], ter zitting gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    [verzoeker] woont aan de overzijde van het perceel van [belanghebbende] op het perceel [locatie 2]. Hij vreest geur- en geluidsoverlast, bijvoorbeeld van toenemende verkeersbewegingen, ten gevolge van de door [belanghebbende] gewenste uitbreiding.

    [belanghebbende] heeft bij een ongedateerde recente brief aan [verzoeker] laten weten dat in week 37 zal worden begonnen met bouwwerkzaamheden op zijn bedrijf. Deze werkzaamheden zullen volgens deze brief in eerste instantie bestaan uit het slopen van de huidige mestopslag en het aanleggen van een nieuwe inrit, bouwweg en mestbassin.

    Volgens [verzoeker] zal het uitvoeren van de voormelde werkzaamheden en realisatie van de voorzieningen leiden tot een onomkeerbare situatie. Hij verzoekt de voorzieningenrechter het besluit van 20 december 2016 te schorsen. Met het verzoek beoogt [verzoeker] te voorkomen dat voordat de omgevingsvergunning van 20 december 2016 onherroepelijk is geworden gebruik wordt gemaakt van deze door het college verleende omgevingsvergunning.

3.    De voorzieningenrechter overweegt dat deze voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor de beantwoording van de door partijen in de bodemprocedure opgeworpen vragen vanwege de complexiteit daarvan. Die beantwoording dient dan ook te geschieden in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om schorsing van de aangevallen uitspraak een belangenafweging verrichten.

4.    Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft [belanghebbende] te kennen gegeven dat de oude mestopslag inmiddels is gesloopt en dat hij in ieder geval de vergunde mestopslag wenst te realiseren, omdat mest op het perceel dient te worden opgeslagen. Het ontbreken van een mestopslag zal volgens [belanghebbende] leiden tot meer verkeersbewegingen van en naar het perceel, omdat de mest in dat geval moet worden afgevoerd. Met deze extra verkeersbewegingen is in de aan het besluit van 22 december 2016 ten grondslag gelegde onderzoeken geen rekening gehouden. Voorts heeft [belanghebbende] te kennen gegeven dat het bouwen en in gebruik nemen van de vergunde bouwwerken maakt dat zijn bedrijfsvoering rendabel blijft. Met de bouw van de stallen is nog niet begonnen, maar overleg met een aannemer over het plaatsen van de stallen vindt plaats. [verzoeker] heeft ter zitting aangevoerd dat hij overlast van de vergunde extra verkeersbewegingen vreest en dat het open landschap zal worden aangetast door realisering van de vergunde bouwwerken.

    De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aangevoerde belang van [verzoeker] bij schorsing van de omgevingsvergunning minder zwaar weegt dan het belang van [belanghebbende]. De omstandigheid dat een nieuwe mestopslag zal worden gebouwd maakt niet dat de door [verzoeker] gestelde overlast van dien aard is dat meer gewicht aan zijn belangen dient te worden toegekend. Daarbij komt dat de afvoer van mest van de inmiddels gesloopte mestopslag in het verleden ook verkeersbewegingen met zich bracht. Voor zover [verzoeker] ter zitting de vrees heeft geuit dat als verdere werkzaamheden worden verricht, de omgevingsvergunning uiteindelijk ook wel in stand zal blijven, merkt de voorzieningenrechter op dat [belanghebbende], zoals ook door hem uitdrukkelijk is erkend, geheel op eigen risico het bouwplan zal realiseren. Daarnaast wordt met het afwijzen van het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker] niet vooruitgelopen op het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure. Nu door [verzoeker] voorts niet zodanig bijzondere belangen naar voren zijn gebracht op grond waarvan tot een ander oordeel dient te worden gekomen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen.

5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Vermeulen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018

700.