Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
201709452/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:9561, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2015 heeft de minister op grond van artikel 9 en artikel 47, eerste lid, onder a, van de Paspoortwet de aanvraag om een nooddocument buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module BRP 2019/2014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709452/1/A3.

Datum uitspraak: 19 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 oktober 2017 in zaak nr. 16/1788 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2015 heeft de minister op grond van artikel 9 en artikel 47, eerste lid, onder a, van de Paspoortwet de aanvraag om een nooddocument buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 25 april 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De relevante regelgeving is als bijlage bij de uitspraak opgenomen en maakt daar deel van uit.

2.    [appellant] heeft in Istanbul een noodpaspoort aangevraagd om naar Nederland terug te kunnen reizen. Deze had hij nodig omdat hij zijn Nederlandse identiteitskaart had verloren. Verstrekking van het noodpaspoort is geweigerd omdat de minister van oordeel was dat [appellant] de status "Behandeld als Nederlander" die hij op grond van de Wet houdende regelen omtrent de positie van in Nederland wonende Molukkers die niet het Nederlanderschap bezitten (hierna: de Faciliteitenwet) heeft verloren. [appellant] stelt dat het noodpaspoort op onjuiste gronden is geweigerd. Hij stelt daardoor schade te hebben geleden. Hij heeft in een afzonderlijk verzoek vergoeding daarvan verzocht. Dat verzoek is in deze procedure niet aan de orde.

3.    [appellant] betoogt dat op grond van artikel 1.7 van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) een bestuursorgaan voor het bepalen van de nationaliteit indien dit gegeven beschikbaar is in de basisregistratie personen (hierna: de brp), dit gegeven moet gebruiken. [appellant] heeft een uittreksel van de brp ingediend waarin staat dat hij de status "Behandeld als Nederlander" heeft. De minister had dit gegeven moeten gebruiken. De minister heeft, anders dan de rechtbank en de minister stellen, geen autonome bevoegdheid om de juistheid van de authentieke gegevens uit de brp zelf te beoordelen. Die bevoegdheid is beperkt door artikel 1.7 van de Wet brp. Een autonome bevoegdheid voor de minister om bij verstrekking van nooddocumenten af te wijken van de brp is niet alleen strijdig met artikel 1.7 van de Wet brp, maar ook in strijd met de rechtszekerheid. Burgers mogen erop vertrouwen dat de gegevens in de brp juist zijn, aldus [appellant]. Bij twijfel over de juistheid van een gegeven moet de minister de procedure van artikel 2.34 van de Wet brp volgen. De minister heeft ten onrechte een melding in de zin van artikel 2.34 van de Wet brp bij het college van Maastricht gedaan. Dit heeft volgens [appellant] niet geleid tot wijziging van de status. Die melding is ten onrechte gedaan omdat er geen gerede twijfel was aan de status van "Behandeld als Nederlander" in de brp. De uitzondering dat bij een dergelijke melding de brp niet hoeft te worden gevolgd, doet zich dus niet voor. De rechtbank heeft ten onrechte enkel getoetst of er twijfel was, terwijl gerede twijfel vereist is. De rechtbank had vol moeten toetsen of sprake was van gerede twijfel. Dat heeft de rechtbank niet gedaan door te oordelen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat twijfel bestaat of [appellant] de status "Behandeld als Nederlander" heeft, aldus [appellant].

    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij bij zijn aanvraag zelf heeft verklaard dat hij de Indonesische nationaliteit vrijwillig heeft verkregen. Hij stelt dat hij per abuis op het formulier bij de datum waarop hij een vreemde nationaliteit heeft gekregen de datum van verstrekking van zijn verlengde Indonesische paspoort heeft ingevuld. Al voordat het besluit op de aanvraag werd genomen, is door hem aan de minister kenbaar gemaakt dat hij altijd de Indonesische nationaliteit heeft behouden door het overleggen van zijn verblijfskaart, de persoonskaart van de gemeente Maastricht en een uittreksel van de brp. In bezwaar is ook gewezen op de vergissing bij het invullen van het formulier. [appellant] heeft, behalve deze kennelijke vergissing, geen verklaring afgelegd dat hij de Indonesische nationaliteit vrijwillig heeft verkregen. De rechtbank doet ten onrechte voorkomen dat dat wel zo is, aldus [appellant].

    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank en de minister ten onrechte geen gewicht toekennen aan de verklaring van de Indonesische ambassade van 4 februari 2016. In die verklaring staat dat [appellant] de Indonesische nationaliteit sinds zijn geboorte onafgebroken heeft behouden. [appellant] stelt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij de minister verboden heeft nader onderzoek te doen. Hij heeft de minister enkel aan de beslistermijnen gehouden en meegedeeld dat zijns inziens voldoende informatie voorhanden was om te concluderen dat hij zijn status behouden had. Het stond de minister echter vrij om nader onderzoek te doen. De minister heeft bovendien hangende beroep geen nader onderzoek gedaan. Er was dus geen grond voor gerede twijfel, aldus [appellant].

3.1.    Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Paspoortwet wordt degene die ingevolge deze wet recht heeft op een nationaal paspoort, en op het moment van vertrek niet in het bezit blijkt van een geldig of voor de reis bruikbaar reisdocument, indien hij aantoont zwaarwegende belangen te hebben bij de reis, na een daartoe strekkende aanvraag binnen de grenzen bij deze wet bepaald een nooddocument verstrekt met een zodanige tijdelijke en territoriale geldigheid als daarvoor vereist is.

    Op grond van artikel 1 en 2 van de Faciliteitenwet in samenhang met artikel 25 van de Paspoortuitvoeringsregeling buitenland 2001 (hierna: Pub 2001) heeft degene met de status "Behandeld als Nederlander" recht op een noodpaspoort.

    De aantekening dat de betrokkene op grond van de Faciliteitenwet als Nederlander behandeld wordt, is ingevolge artikel 1.1 in samenhang met artikel 1.6 van de Wet brp, artikel 2 van het Besluit basisregistratie personen en bijlage 1 van dat besluit een authentiek gegeven als bedoeld in artikel 1.7 van de Wet brp. Ingevolge artikel 1.7 van de Wet brp gebruikt een bestuursorgaan een authentiek gegeven dat beschikbaar is in de basisregistratie bij de vervulling van zijn taak voor dat gegeven de brp. De uitzondering op de verplichting uit het eerste lid van artikel 1.7 van de Wet brp in het tweede lid, aanhef en onder c, van dat artikel is niet van toepassing omdat in de Paspoortwet voor de uitgifte van nooddocumenten niet anders is bepaald. Ook is niet gebleken dat de uitzonderingen in artikel 1.7, tweede lid, aanhef en onder a en d, van de Wet brp ten tijde van de besluitvorming van toepassing waren. De minister heeft naar aanleiding van de aanvraag om een noodpaspoort wel een mededeling, als bedoeld in artikel 2.34 van de Wet brp gedaan dat gerede twijfel bestond over de juistheid van de registratie van de status "Behandeld als Nederlander". In zoverre is de uitzondering, bedoeld onder artikel 1.7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet brp in beginsel van toepassing. Kernpunt van het geschil is of de minister terecht heeft geoordeeld dat gerede twijfel bestond en daarom het gegeven over de status "Behandeld als Nederlander" dat in de brp stond niet behoefde te gebruiken.

3.2.    Op 20 november 2015 heeft [appellant] een aanvraagformulier ingediend voor een Nederlandse identiteitskaart bij de Nederlandse ambassade in Istanbul omdat hij zijn identiteitskaart had verloren. Deze aanvraag is vanwege de spoedeisendheid aangemerkt als een aanvraag voor een nooddocument. Bij zijn aanvraag heeft [appellant] een kopie verstrekt van zijn Indonesische paspoort. Op het aanvraagformulier heeft hij bij de gegevens van zijn huidige paspoort het nummer en de ingangsdatum van zijn Indonesische paspoort, 10 december 2012, ingevuld. Bij de vraag naar zijn nationaliteit heeft hij "Indonesisch" ingevuld en achter "sinds:" de ingangsdatum van zijn Indonesische paspoort, 10 december 2012. Bij de vraag hoe hij zijn Indonesische nationaliteit heeft verkregen, heeft hij "geboorte" aangekruist. In zijn Indonesische paspoort staat onder andere vermeld: "Previous passport no: […] Issued at: Den Haag; On: 17 jan 2007". Op 26 november 2015 heeft de gemachtigde van [appellant] een verzoek gedaan om afgifte van een noodpaspoort. Daarbij heeft hij toegelicht dat [appellant] de status "Behandeld als Nederlander" heeft en die nooit heeft verloren. Op 27 november 2015 heeft de gemachtigde een mail gestuurd met een uittreksel van de brp van 27 november 2015 waarin als nationaliteit staat vermeld "Behandeld als Nederlander".

    In het besluit van 9 december 2015 is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Als reden staat vermeld dat op het aanvraagformulier stond vermeld dat [appellant] sinds 10 december 2012 de Indonesische nationaliteit heeft. Daaruit leidt de minister af dat [appellant] op grond van artikel 15, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de Faciliteitenwet de status "Behandeld als Nederlander" heeft verloren.

3.3.    De minister had uit de bij de aanvraag toegevoegde kopie van het paspoort kunnen afleiden dat de ingevulde datum de uitgiftedatum van het Indonesische paspoort was en niet de datum waarop [appellant] de Indonesische nationaliteit heeft verkregen. Uit de kopie van het paspoort blijkt immers dat aan [appellant] op 17 januari 2007 ook al een Indonesisch paspoort was verstrekt en dat de ingevulde datum dus in ieder geval niet de datum was waarop hij de Indonesische nationaliteit heeft verkregen. Bovendien heeft hij op het formulier bij de wijze van verkrijging van de Indonesische nationaliteit "geboorte" aangekruist, terwijl 10 december 2012 niet zijn geboortedatum is. In de voorafgaand aan het besluit van 9 december 2015 door de gemachtigde van [appellant] verstrekte informatie staat dat [appellant] altijd de status "Behandeld als Nederlander" heeft gehouden. Daarbij is ook een uittreksel van de brp verstrekt waaruit die status bleek. Ook daaruit had de minister moeten blijken dat de ingevulde datum op het formulier op een vergissing berustte. De minister heeft desondanks en ondanks herhaaldelijk verzoek van [appellant] om contact, niet nader contact gezocht om duidelijkheid of toelichting op dit punt te verkrijgen, maar heeft als uitgangspunt genomen dat op 10 december 2012 de status van rechtswege is vervallen.

    Nu de ingevulde datum kennelijk op een vergissing berustte en dit aan de minister bekend had kunnen zijn, bestond ten tijde van het besluit van 9 december 2015 onvoldoende grond voor gerede twijfel en dus voor een melding op grond van artikel 2.34 van de Wet brp. De minister had, nu deze melding onterecht is gedaan, bij het besluit op de aanvraag op 9 december 2015 van de gegevens over de nationaliteit in de brp uit moeten gaan.

    Dat ten tijde van het besluit op bezwaar nadere twijfels zijn gerezen, die nog niet bestonden ten tijde van het besluit van 9 december 2015, en die, zo blijkt uit de motivering van het besluit, mede zijn ingegeven door de proceshouding van [appellant] in bezwaar, maakt niet dat de minister het noodpaspoort op 9 december 2015 terecht heeft geweigerd.

    Het betoog van [appellant] slaagt.

4.    Aan het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat de discussie over de vraag of hij de status "Behandeld als Nederlander" behouden heeft, in een procedure op grond van artikel 17 van de RWN gevoerd moet worden, komt de Afdeling gelet op het voorgaande niet toe.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 april 2016 van de minister alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het besluit van 9 december 2015 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treed van het vernietigde besluit.

6.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 oktober 2017 in zaak nr. 16/1788;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 25 april 2016, kenmerk 0448/2015-NP;

V.    herroept het besluit van de minister van Buitenlandse zaken van 9 december 2015, kenmerk RSO-WEU 2015-802;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de minister van Buitenlandse Zaken aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Borman    w.g. Rietberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018

725. Bijlage

Wet brp

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

n.  een authentiek gegeven: een in de basisregistratie opgenomen gegeven dat op grond van artikel 1.6 als authentiek wordt aangemerkt;

[…]

Artikel 1.6

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke van de algemene gegevens, bedoeld in de artikelen 2.7 en 2.69, worden aangemerkt als authentieke gegevens.

Artikel 1.7

1 Het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven.

2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 2.26 of 2.76 is geplaatst;

b. het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, doet;

c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;

d. een goede vervulling van de taak van het bestuursorgaan door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet.

Artikel 2.26

Omtrent de beslissing dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede omtrent de omstandigheid dat de ingeschrevene geen ingezetene meer is, wordt een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.

Artikel 2.34

1 Een bestuursorgaan dat in verband met de verstrekking van een authentiek gegeven uit de basisregistratie gerede twijfel heeft over de juistheid van dat gegeven, doet hiervan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente.

[…]

3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de gevallen waarin en de wijze waarop de mededeling wordt gedaan, alsmede de kennisgeving van het college van burgemeester en wethouders aan het bestuursorgaan naar aanleiding van een mededeling, geregeld.

[…]

Artikel 2.76

Omtrent de vaststelling dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede omtrent de omstandigheid dat de ingeschrevene geen ingezetene is, wordt een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.

Besluit brp

Artikel 2

Authentieke gegevens als bedoeld in artikel 1.6 van de wet zijn de gegevens over ingezetenen die als zodanig zijn aangeduid in de tabel die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd en, met uitzondering van de gegevens over de burgerlijke staat van ingezetenen, als actuele gegevens zijn opgenomen.

[…]

Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN)

Artikel 17

1 Een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of een in administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij de rechtbank te ’s-Gravenhage […] een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het Nederlanderschap niet bezit. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip het Nederlanderschap al dan niet bezat.

[…]

Paspoortwet

Artikel 2, eerste lid en onder f,

1. Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden zijn:

[…]

f. nooddocument.

[…]

Artikel 9

1 Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

[…]

Artikel 16

1. Aan degene die ingevolge deze wet recht heeft op een nationaal paspoort, een reisdocument voor vluchtelingen of een reisdocument voor vreemdelingen en op het moment van vertrek niet in het bezit blijkt van een geldig of voor de reis bruikbaar reisdocument, wordt indien hij aantoont zwaarwegende belangen te hebben bij de reis, na een daartoe strekkende aanvraag binnen de grenzen bij deze wet bepaald een nooddocument verstrekt met een zodanige tijdelijke en territoriale geldigheid als daarvoor vereist is.

[…]

Artikel 28

1 De in artikel 26 bedoelde autoriteit verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.

2  De aanvrager kan worden verzocht in verband met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de nodige bewijsstukken over te leggen.

3  De aanvrager dient persoonlijk voor de bovenbedoelde autoriteit te verschijnen, tenzij zulks om zwaarwegende redenen niet van hem kan worden gevergd en de betreffende autoriteit van oordeel is dat op andere wijze voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit, de nationaliteit en de verblijfstitel van de aanvrager.

Artikel 29

1 De aanvrager dient bij zijn aanvraag alle Nederlandse of buitenlandse reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld ter inzage over te leggen, ongeacht of hun geldigheidsduur is verstreken.

2  De aanvrager die in een buitenlands reisdocument staat vermeld, doet hiervan bij zijn aanvraag mededeling.

Artikel 47

1 Een reisdocument vervalt van rechtswege, indien:

a. de houder van het reisdocument, waarin staat vermeld dat deze de Nederlandse nationaliteit bezit, het Nederlanderschap heeft verloren.

[…]

Paspoortuitvoeringsregeling buitenland 2001

Artikel 9

1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

[…]

4. Indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager te overleggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

Artikel 21

1. Aan een staatloze persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld, wordt op zijn verzoek binnen de grenzen bij de wet bepaald een faciliteitenpaspoort verstrekt.

2. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 25

1. Op het vaststellen van de aanspraak van een Nederlander dan wel een persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld, op een nooddocument zijn de artikelen 9 en 21 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing,

2. Aan een in het eerste lid bedoelde persoon, die aanspraak heeft op verstrekking van een nooddocument, wordt een noodpaspoort verstrekt.

3. In afwijking van het tweede lid wordt aan een in het eerste lid bedoelde

persoon een laissez-passer verstrekt, indien bij de verstrekking geen gebruik kan worden gemaakt van het reisdocumentenstation en de reis van de betrokken aanvrager geen uitstel gedoogt.

Artikel 52

1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen.

[…]

Wet houdende regelen omtrent de positie van in Nederland wonende Molukkers die niet het Nederlanderschap bezitten (de Faciliteitenwet)

Artikel 1

1. Molukkers, die door de zorg van de Nederlandse regering in 1951 of 1952 in groepsverband naar Nederland zijn overgebracht, op het tijdstip van het in

werking treden van deze wet in Nederland woonplaats of werkelijk verblijf hebben en niet het Nederlanderschap bezitten, worden bij de toepassing van de Nederlandse wetgeving behandeld als Nederlander.

2. Zij verkrijgen daardoor niet de staat van Nederlander.

3. (in werking getreden op 1 januari 1992) Zij die ingevolge deze wet als Nederlander worden behandeld, gelden, indien zij daarom verzoeken, als Nederlander in de zin van de Paspoortwet. In het aan hen op zodanig verzoek te verstrekken nationaal paspoort, ander reisdocument of Nederlandse identiteitskaart wordt ingevolge artikel 3, zesde lid, eerste volzin, van de Paspoortwet de Nederlandse nationaliteit vermeld.

Artikel 2 (zoals dat luidde tot 1 januari 1992)

De behandeling als Nederlander komt ook toe aan het niet- Nederlandse kind van een vader of, indien deze wettelijk onbekend is, van een moeder, die deze behandeling geniet of, indien nog in leven, zou hebben genoten, mits dat kind op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in Nederland woonplaats of werkelijk verblijf heeft.

Artikel 6 (zoals dat luidt sinds 1 april 2003)

1.Ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de behandeling als Nederlander zijn de artikelen 2, 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c, 6, eerste lid, onderdeel c en d, tweede tot en met vijfde lid alsmede het zevende lid, 14, 15, I5A, 16, 16A, 27, eerste lid, 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, alsmede van de artikelen II, III, IV en V van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 618 van overeenkomstige toepassing.

[…]