Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
201707970/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4488, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2017 heeft het college geweigerd aan [belanghebbende] een bouwstop op te leggen en handhavingsmaatregelen te treffen vanwege bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie 1] te Budel, gemeente Cranendonck (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2018/54 met annotatie van D. van der Meijden
TBR 2018/161 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/7953
JOM 2018/1102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707970/1/A1.

Datum uitspraak: 19 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Budel-Schoot, gemeente Cranendonck,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 augustus 2017 in zaken nrs. 17/2011 en 17/2012 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2017 heeft het college geweigerd aan [belanghebbende] een bouwstop op te leggen en handhavingsmaatregelen te treffen vanwege bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie 1] te Budel, gemeente Cranendonck (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 juni 2017 heeft het college het onder andere door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nadere reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.A.M. Evers, verschenen.

Overwegingen

1.    Op 26 februari 2016 heeft [belanghebbende], die woont op het perceel, een aanvraagformulier ‘Verklaring Vergunningsvrij Bouwen’ ingediend bij het college en daarmee verzocht haar mee te delen of onder meer het bouwen van een berging op het perceel omgevingsvergunningsvrij is. Bij het aanvraagformulier is een tekening gevoegd van de berging. De vrijstaande berging is ten opzichte van de Poelderhof op de achterzijde van het perceel voorzien en heeft volgens de tekening drie opgaande gevels tot aan het platte dak. Aan de voorgevel bevindt zich een vlak met enige helling. Daarop worden volgens de tekening dakpannen aangebracht. Volgens de tekening heeft het gebouw een bouwhoogte van 4,5 m.

    Op 21 maart 2016 heeft het college [belanghebbende] schriftelijk bericht dat de berging omgevingsvergunningsvrij is, mits alle bestaande bouwwerken achter de achtergevel van de woning worden verwijderd.

    Vervolgens is [belanghebbende] gestart met de bouwwerkzaamheden.     

    [appellant], die woont op het naast het perceel van [belanghebbende] gelegen perceel [locatie 2], heeft het college in een brief van 16 januari 2017 verzocht om een bouwstop op te leggen en heeft een handhavingsverzoek gedaan. Bij het besluit van 27 januari 2017 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voor het bouwen van de berging geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is vereist, omdat het gebouw volgens het college voldoet aan de criteria voor omgevingsvergunningsvrij bouwen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Bij het besluit op bezwaar heeft het college zich daarnaast ook op het standpunt gesteld dat de berging in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft geen grondslag gezien om een bouwstop op te leggen en bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het onbevoegd is bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen. De rechtbank heeft overwogen dat het begrip "druiplijn" in de planregels van het bestemmingsplan niet is gedefinieerd en heeft voor de uitleg van dat begrip aansluiting gezocht bij de omschrijving die daaraan volgens het woordenboek "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" in het algemeen spraakgebruik wordt gegeven aan het begrip "druiplijn", zijnde de lijn die van onderen het dak begrenst. De druiplijn ligt volgens de rechtbank aan de onderzijde van het hellende dakvlak van de berging. Nu die onderzijde lager ligt dan de voorgeschreven maximumgoothoogte van 3,25 m, is de goothoogte van het gebouw niet in strijd met het bestemmingsplan en heeft zich geen overtreding voorgedaan, zo overwoog de rechtbank.      

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bevoegd was tot handhaving. Hij voert aan dat de berging in strijd is met het geldende bestemmingsplan, zodat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan is vereist. Hij stelt dat ingevolge de planregels van het bestemmingsplan een gebouw meer dan één goothoogte kan hebben en dat dat in dit geval ook zo is. De hoogte van het platte dak van de berging is volgens [appellant] ook als zodanig te beschouwen. De opgaande achtergevel van de berging en de zijgevels hebben over een groot deel van de breedte een hoogte van ten minste 4,5 m en zijn naar zijn stelling daarom ook in strijd met de voorgeschreven maximumgoothoogte.

2.1.    In het geldende bestemmingsplan "Kom Budel-Schoot" heeft het perceel de bestemming "Woondoeleinden I" gekregen. Ook geldt het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Cranendonck". Het paraplubestemmingsplan bevat een harmonisering van de bijgebouwenregeling in bestemmingsplannen, waaronder het hiervoor genoemde bestemmingsplan. In artikel 3.2.2, aanhef en onder j en k, van de planregels van het bestemmingsplan, in samenhang met artikel 3.1.3 van het paraplubestemmingsplan, is bepaald dat de goothoogte van bijgebouwen niet meer dan 3,25 m respectievelijk de (nok)hoogte daarvan niet meer dan 4,5 m mogen bedragen. In artikel 2 is bepaald dat bij de toepassing van de voorschriften de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, boeibord of druiplijn of daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.2.    Blijkens door [appellant] ingebrachte foto’s van het gerealiseerde gebouw heeft het hellende dakvlak ten opzichte van de voorgevel een zeer grote hellingshoek. Onderaan het hellende vlak is een goot aangebracht met aan weerszijden een regenpijp, die voor de voorgevel loopt. Aan een zijgevel is ook een regenpijp aangebracht om het hemelwater vanaf het platte dak af te voeren.

    Niet in geschil is dat het gebouw op het perceel ingevolge het bestemmingsplan een bijgebouw is en daarom moet voldoen aan de goothoogte van maximaal 3,25 m. Het begrip "goothoogte" is in het bestemmingsplan niet nader omschreven. Wel is in artikel 2 geregeld op welke wijze de goothoogte moet worden gemeten. Uit artikel 2 volgt dat de planwetgever niet de plaats waar de regengoot is aangebracht, bepalend heeft geacht voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt, of waar een boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ6011). De planwetgever heeft dus gekozen voor woningen met een duidelijk onderscheid tussen de gevel en de dakvlaklijn. De berging met drie opgaande gevels tot een hoogte van, naar niet in geschil is, in ieder geval 4,5 m en een voorgevelmuur met daarboven een dakvlak met een zodanig grote hellingshoek dat het gebouw ruimtelijk toont als een rechthoekig blok, is daarmee niet in overeenstemming. De berging bestaat uit een begane grond met daarop een etage. Het hellende dakvlak eindigt aan de onderzijde van deze etage. Aan de onderzijde van het hellende dakvlak is een regengoot aangebracht. De regengoot heeft een beperkte afwateringsfunctie. Door de grote hellingshoek van het dakvlak valt er ten opzichte van het platte dak relatief weinig hemelwater op het hellende dakvlak. Het overgrote deel van het hemelwater zal immers worden verzameld op het platte dak, waardoor het gebouw voornamelijk afwatert via het platte dak en de regenpijp aan de zijgevel die daarmee in verbinding staat. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de goothoogte niet ligt op de plaats van de regengoot, maar op de plaats van de druiplijn en dus hoger ligt dan 3,25 m. De goothoogte van de berging is in zoverre in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

3.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dan ook het beroep tegen het besluit van het college van 20 juni 2017, voor zover het [appellant] betreft, alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

4.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 22 augustus 2017 in zaken nrs. 17/2011 en 17/2012;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck van 20 juni 2017, voor zover het [appellant] betreft, kenmerk 217014201;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.254,50 (zegge: tweeduizend tweehonderdvierenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck aan [appellant] het door hem voor het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Drop    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018

163.