Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
201801872/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college een aanvraag van [appellante] om haar ontheffing te verlenen voor het innemen van een ligplaats aan de [locatie] te Deventer afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801872/1/A3.

Datum uitspraak: 19 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend te Deventer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college een aanvraag van [appellante] om haar ontheffing te verlenen voor het innemen van een ligplaats aan de [locatie] te Deventer afgewezen.

Bij besluit van 15 februari 2018 heeft het college opnieuw besloten op het bezwaar van [appellante] en dat bezwaar gegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep bij de Afdeling ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 25 september 2013 heeft [appellante] het college verzocht om op grond van artikel 5:25 van de Algemene plaatselijke verordening Deventer (hierna: APV) aan haar ontheffing te verlenen voor het innemen van de ligplaats aan de [locatie]. Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college de aanvraag afgewezen.

    Bij besluit van 21 mei 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 14 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:236, heeft de Afdeling het door [appellante] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 14 april 2015 vernietigd, het door [appellante] tegen het besluit van 21 mei 2014 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

    Bij besluit van 1 augustus 2016 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3012, heeft de Afdeling het beroep van [appellante] daartegen gegrond verklaard, het besluit van 1 augustus 2016 vernietigd, en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

1.1.    Bij het besluit van 15 februari 2018 heeft het college, gezien de overwegingen in de uitspraak van 8 november 2017, het bezwaar gegrond verklaard en [appellante] ontheffing verleend voor het innemen van de ligplaats. Aan de ontheffing zijn voorschriften verbonden. Verder heeft het college aan [appellante] een vergoeding van € 249,00 toegekend voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

Het beroep van [appellante]

2.    [appellante] kan zich niet verenigen met het besluit van 15 februari 2018. Zij betoogt dat het college het besluit van 17 december 2013 had moeten herroepen en de ontheffing met terugwerkende kracht vanaf 17 december 2013 had moeten verlenen. Verder heeft het college ten onrechte als voorwaarde aan de ontheffing verbonden dat [appellante] geen activiteiten mag verrichten die verband houden met hennepteelt. Ook de voorwaarde dat de walkant eigendom blijft van de gemeente had achterwege moeten worden gelaten. Tot slot heeft het college een te lage vergoeding toegekend, aldus [appellante].

3.    Artikel 5:25 van de APV luidt:

"1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen.

[…].

3. Het college kan de ontheffing voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats weigeren dan wel aan de ontheffing en/of in het aanwijzingsbesluit als bedoeld in lid 2a 2b voorschriften verbinden en aanwijzingen geven:

a. in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

b. ten aanzien van de exacte plaats, soort en afmetingen alsmede met betrekkingen tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats.

[…]."

3.1.    Voor zover [appellante] betoogt dat het college in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb heeft gehandeld door het besluit van 17 december 2013 niet te herroepen, gaat zij eraan voorbij dat het college een nieuw besluit daarvoor in de plaats heeft gesteld.

    Bij het nemen van het besluit op bezwaar van 15 februari 2018 heeft het college aan [appellante] de ontheffing verleend. Voor het oordeel dat het college de ontheffing met terugwerkende kracht vanaf 17 december 2013 had moeten verlenen ziet de Afdeling geen grond, nu [appellante] niet heeft toegelicht waarom het van belang is dat de ontheffing vanaf die datum wordt verleend.     

3.2.    In het besluit van 15 februari 2018 is vermeld dat er aanleiding is om de ontheffing in te trekken indien ter plaatse van de ligplaats activiteiten worden verricht die verband houden met hennepteelt. Nu het college op grond van artikel 5:25, derde lid, aanhef en onder a, van de APV een voorschrift aan de ontheffing kan verbinden in het belang van de openbare orde, is er geen grond gelegen voor het oordeel dat dit voorschrift ten onrechte aan de ontheffing is verbonden.

    Verder is in het besluit vermeld dat de walkant eigendom is van de gemeente en dat de bewoner van het woonschip de walkant in gebruik heeft. Anders dan [appellante] veronderstelt, houdt die vermelding geen voorschrift in, maar alleen een mededeling over de eigendomssituatie ter plaatse.

3.3.    In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) is voor het indienen van een bezwaarschrift een punt toegekend. Een punt heeft een waarde van € 249,00 voor besluiten genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de heffing van premies, dan wel premievervangende belasting voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Dit geldt tevens voor besluiten genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake de heffing van de inkomensafhankelijke bijdragen, dan wel een bijdragevervangende belasting, ingevolge de Zorgverzekeringswet. In overige gevallen heeft een punt een waarde van € 501,00.

    Niet in geschil is dat het college een vergoeding aan [appellante] dient toe te kennen voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Evenmin is in geschil dat alleen voor het indienen van een bezwaarschrift een punt dient te worden toegekend. Nu het in dit geval gaat om een overig geval in de zin van de bijlage bij het Bpb en het gewicht van deze zaak als gemiddeld dient te worden aangemerkt, had het college een vergoeding van € 501,00 moeten toekennen. Het college heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

Slotsom

4.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 15 februari 2018 dient te worden vernietigd, voor zover het bedrag van de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is vastgesteld op € 249,00.

5.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deventer van 15 februari 2018, kenmerk

16251-2016, voor zover het bedrag van de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is vastgesteld op € 249,00;

III.    bepaalt dat het bedrag van de vergoeding aan [appellante], wordt vastgesteld op € 501,00;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deventer aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018

629.