Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
201708644/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:6682, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2016 heeft het college van bestuur besloten op het verzoek van [appellant] tot openbaarmaking van documenten. Het college van bestuur heeft het verzoek om documenten betreffende de communicatie over het symposium "Securitizing Worlds: A critical look at the Israeli Global Security Industry"(hierna het symposium) in cultureel studentencentrum CREA tussen de Universiteit van Amsterdam (hierna: UvA) en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) deels ingewilligd en deels op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 11, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen. Het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle documenten betreffende de communicatie tussen de UvA en Gate48 over het symposium heeft het college van bestuur afgewezen omdat de verzochte documenten niet zijn aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708644/1/A3.

Datum uitspraak: 19 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2017 in zaak nr. 17/2690 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2016 heeft het college van bestuur besloten op het verzoek van [appellant] tot openbaarmaking van documenten. Het college van bestuur heeft het verzoek om documenten betreffende de communicatie over het symposium "Securitizing Worlds: A critical look at the Israeli Global Security Industry"(hierna het symposium) in cultureel studentencentrum CREA tussen de Universiteit van Amsterdam (hierna: UvA) en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) deels ingewilligd en deels op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 11, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen. Het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle documenten betreffende de communicatie tussen de UvA en Gate48 over het symposium heeft het college van bestuur afgewezen omdat de verzochte documenten niet zijn aangetroffen.

Bij besluit van 23 maart 2017 heeft het college van bestuur het door [appellant] tegen de weigering gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college van bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft de toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college van bestuur, vertegenwoordigd door mr. N. van den Brink, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroepsgronden niet heeft beantwoord en verzoekt zijn beroepsgronden integraal in te lassen.

1.1.    De rechtbank is in de uitspraak onder 7 ingegaan op de beroepsgronden gericht tegen het onleesbaar maken van persoonsgegevens in de communicatie tussen het ministerie en de UvA en onder 9 op het niet verstrekken van een deel van een e-mail en bijlagen daarbij op grond van artikel 11 van de Wob. Onder 10 is ingegaan op de beroepsgrond dat [appellant] niet gelooft dat er geen telefoonnotities zijn van gesprekken tussen ambtenaren van het ministerie en ambtenaren van de UvA en dat er geen stukken zijn over communicatie tussen Gate48 en de UvA.

1.2.    De rechtbank is in de uitspraak op de gronden van beroep uit het beroepschrift ingegaan. Het betoog faalt.

2.    De rechtbank heef overwogen dat voorop wordt gesteld dat het ambtshalve oproepen van getuigen een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft. Ook na bestudering van de niet openbaar gemaakte informatie, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het oproepen van Gate48 als getuige. De rechtbank heeft dan ook geen gebruik gemaakt van die bevoegdheid.

2.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn verzoek tot het oproepen van Gate48 als getuige ten onrechte heeft genegeerd. Hij betoogt dat de rechtbank Gate48 op had moeten roepen omdat zij gehoord kon worden over de essentiële vraag of er communicatie tussen haar en de UvA is geweest en of daar stukken over zijn. De weigering Gate48 op te roepen is ongemotiveerd en in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zo blijkt uit het arrest van 15 maart 2016 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Gillissen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, aldus [appellant].

2.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1200, kan uit het door [appellant] genoemde arrest van het EHRM niet worden afgeleid dat het beginsel van "fair trial" het recht voor een partij met zich brengt om in alle gevallen door de rechter getuigen te laten oproepen. Voor het inroepen van dit recht is het in ieder geval noodzakelijk dat het horen van een getuige dient ter ondersteuning van de zaak ("support of their case"). De rechter heeft bij de toepassing van artikel 8:60, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, beoordelingsruimte (vergelijk ook punt 50, onder c van het door [appellant] genoemde arrest). De rechter mag afzien van het oproepen van getuigen ingeval de verklaring van de op te roepen getuige niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten.

2.3.    Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

2.4.    Het college van bestuur heeft ter zitting toegelicht dat het symposium is georganiseerd in samenwerking met de stichting CREA. CREA organiseert en faciliteert verschillende activiteiten voor verschillende partijen. Ook verhuurt zij zalen. De stichting CREA is gelieerd aan de UvA en de Hogeschool van Amsterdam, maar het college van bestuur heeft geen zeggenschap over de activiteiten die CREA organiseert en heeft daar ook geen bemoeienis mee. Dat CREA gebruik maakt van de gebouwen van de UvA betekent evenmin dat het college van bestuur zich met de door CREA georganiseerde activiteiten bezig houdt. Communicatie van Gate48 over het symposium zal dan ook met CREA hebben plaatsgevonden en niet met het college van bestuur.

    [appellant] heeft geen aanknopingspunten aangedragen op grond waarvan de Afdeling reden heeft om te twijfelen aan de door het college van bestuur gestelde positie van CREA ten opzichte van de UvA en de daarmee samenhangende zelfstandige positie van CREA bij het organiseren en faciliteren van activiteiten. De Afdeling acht gelet daarop de mededeling dat geen communicatie heeft plaatsgevonden tussen Gate48 en het college van bestuur niet ongeloofwaardig. Het horen van Gate48 heeft de rechtbank daarom niet noodzakelijk hoeven kunnen achten.

    Het betoog van [appellant] faalt.

3.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank op grond van de rechtsoverwegingen 2 en 8 van het arrest van het EVRM van 8 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011, Magyar Helsinki Bizottsag tegen Hongarije, en de uitleg daarvan in de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883 (rechtsoverweging 12), had moeten concluderen dat de weigering niet in stand kon blijven.

3.1.    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883, heeft overwogen, vereist artikel 10 van het EVRM niet dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt en biedt artikel 10 van het EVRM staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. De Afdeling stelt voorop dat er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd.

3.2.    Door [appellant] zijn geen zeer bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan de toepassing van weigeringsgronden uit de Wob in zijn geval niet gerechtvaardigd zou zijn.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat ten onrechte de openbaarmaking van de persoonsgegevens van de betrokken ambtenaren is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden.

4.1.    Artikel 10, tweede lid, van de Wob luidt:

"Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: […]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; […]"

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3114, kan, waar het gaat om het beroepshalve functioneren van ambtenaren, het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer slechts in beperkte mate aan openbaarmaking in de weg staan. Dit ligt anders, indien het het openbaar maken van namen van de ambtenaren betreft. Namen zijn persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaar maken daarvan verzetten. Dat kan anders zijn indien de betrokken ambtenaren uit hoofde van hun functie reeds in enige mate in de openbaarheid treden.

4.3.    Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de door het college overgelegde documenten overweegt de Afdeling als volgt. De weggelakte persoonsgegevens betreffen gegevens van ambtenaren die niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college van bestuur in dit geval het belang van de betrokkenen bij de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellant].

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat het college van bestuur een instemmingsbesluit voor het symposium moet hebben genomen. Dat is uitgemaakt in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2016, AMS 16/7138 BESLU 370. In de zittingsnotities van die zaak verwijst hij naar een inschrijfformulier en toestemming van de gebouwenbeheerder. Hij stelt dat hij deze stukken alsnog heeft opgevraagd bij het college van bestuur.

5.1.    De uitspraak van de rechtbank waartegen het hoger beroep zich richt, ziet niet op een instemmingsbesluit van de UvA, maar op communicatie tussen de UvA en Gate48 en communicatie tussen de UvA en de minister van OCW. Reeds daarom kan deze grond niet tot gegrondverklaring van dit hoger beroep leiden.

6.    Ter zitting is door [appellant] gesteld dat de schijn van partijdigheid is gewekt omdat de voorzitter van de Afdeling werkzaam is als docent bij de UvA en hij het college van bestuur over deze zaak geadviseerd zou kunnen hebben. Deze schijn had volgens [appellant] opgeheven kunnen worden door [appellant] te horen.

6.1.    De voorzitter van de Afdeling is niet betrokken bij de behandeling van deze zaak door de Afdeling. Bovendien is [appellant] ter zitting bij de rechtbank verschenen en gehoord. Wat er ook zij van het betoog dat door het horen van [appellant] de schijn van partijdigheid kan worden opgeheven, kan het betoog van [appellant] dat hij gehoord had moeten worden, reeds daarom niet slagen.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Borman    w.g. Rietberg

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018

725.