Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3019

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201805678/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805678/2/R1.

Datum uitspraak: 19 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen onder meer:

de Stichting Tuigpaarden Promotie Nederland "Mac Foundation", gevestigd te Wormerland, en anderen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Wormerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de stichting en anderen beroep ingesteld.

De stichting en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 september 2018, waar de stichting en anderen, in persoon van [verzoeker], bijgestaan door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door M.M. Hoenderdaal en M.J.E. Cornelisse, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord Cargill B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. G. Koop, advocaat te Rotterdam, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Overwegingen

Inleiding

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het bestemmingsplan heeft betrekking op de bestaande bedrijventerreinen Eenhoorn, Bruynvis en Westerveer, gelegen langs de oever van de Zaan te Wormer.

    De raad heeft het besluit genomen in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:90. Bij die uitspraak is het besluit van de raad van 10 september 2013 waarbij een eerder bestemmingsplan voor het gebied was vastgesteld, vernietigd omdat de raad naar het oordeel van de Afdeling de milieugevolgen van dat plan onvoldoende in beeld had gebracht. In het kader van het thans vastgestelde plan is, anders dan bij het vorige plan, een zogenoemde vormvrije milieueffectbeoordeling (hierna: vormvrije m.e.r.-beoordeling) uitgevoerd. De uitkomst van die beoordeling is dat voor het plan geen milieueffectrapport (hierna: MER) behoeft te worden gemaakt.

    Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend door de stichting, [verzoeker] te Wormer, gemeente Wormerland, en The Mac Group B.V., gevestigd te Wormer, gemeente Wormerland. [verzoeker] woont juist buiten het plangebied, in de directe nabijheid van vestigingen van Cargill en [partij] in het noordwesten van dat gebied. Op zijn perceel is ook de stichting gevestigd, die daar in het verleden paarden hield. [verzoeker] is voorzitter van de stichting. Verder is [verzoeker] algemeen directeur van The Mac Group, die een aannemingsbedrijf exploiteert met een vestiging in het zuidoostelijk deel van het plangebied. De stichting en anderen vrezen dat het plan tot een aantasting leidt van hun woon-, leef- en ondernemingsklimaat.

    Doordat het verzoek om voorlopige voorziening pas na het verstrijken van de beroepstermijn is ingediend, mist artikel 8.4 van de Wet ruimtelijke ordening toepassing en is het besluit inmiddels ingevolge artikel 3.8, vijfde lid, van die wet in werking getreden. De stichting en anderen hebben verzocht om het besluit alsnog te schorsen.

Spoedeisend belang

3.    De stichting en anderen stellen een spoedeisend belang te hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening omdat zij willen voorkomen dat op grond van het plan ingediende vergunningaanvragen worden ingewilligd. Zo zijn inmiddels vergunningen verleend aan Cargill waarover thans een bezwaarprocedure aanhangig is en is een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend door [partij] waarop nog niet is beslist. De stichting en anderen willen voorkomen dat het plan in deze procedures het toetsingskader wordt, onderscheidenlijk blijft, omdat het plan volgens hen in sommige opzichten ruimere bouw- en gebruiksmogelijkheden biedt aan bedrijven dan het voorheen geldende planologische regime. Hoewel het plan een conserverend karakter heeft en slechts in beperkte mate in nieuwe ontwikkelingen voorziet, acht de voorzieningenrechter het op voorhand niet geheel uitgesloten dat er tussen de beide planologische regimes verschillen zijn die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van vergunningaanvragen. Gelet daarop en nu het mede gezien de grote omvang van de bedrijventerreinen denkbaar is dat op korte termijn ook andere vergunningaanvragen dan de hiervoor genoemde worden ingediend, bestaat voldoende grond om spoedeisend belang aan te nemen.

Inhoudelijke beoordeling

4.    De stichting en anderen voeren aan dat voor het plan een MER had moeten worden gemaakt. Zij stellen zich op het standpunt dat dit onder meer had gemoeten in verband met de gevolgen van het plan voor twee Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied, te weten "Polder Westzaan" en "Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder". Zij wijzen in dat verband op artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer waarin is bepaald dat een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een plan waarvoor in verband met een daarin opgenomen activiteit een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb).

4.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

4.2.    De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

    De kortste afstand tussen het perceel van [verzoeker] en het Natura 2000-gebied "Polder Westzaan" bedraagt ongeveer 900 m. In het tussenliggende gebied liggen verschillende bedrijven, de in het plan voorziene woningbouwlocatie en de Zaan. De kortste afstand tot het gebied "Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder" bedraagt ruim een kilometer. In het tussenliggende gebied bevindt zich onder meer de bedrijfsvestiging van Cargill. Deze afstanden zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter te groot om (delen van) de Natura 2000-gebieden te kunnen rekenen tot de directe woon- en leefomgeving van [verzoeker]. Voorts kunnen de belangen van de stichting en van The Mac Group reeds naar hun aard niet geacht worden te zijn gemoeid met het beschermen van de natuurwaarden in deze gebieden. Dit betekent dat de stichting en anderen in verband met artikel 8:69a van de Awb er niet met succes tegen kunnen opkomen dat de bescherming van de beide Natura 2000-gebieden geen aanleiding heeft gevormd om een MER op stellen voor het plan.    

4.3.    De stichting en anderen betogen voorts dat een MER had moeten worden gemaakt vanwege de gevolgen van de woningbouw die door middel van een wijzigingsbevoegdheid in het plan mogelijk is gemaakt. Hierbij hebben zij het oog op categorie D11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.). Daarnaast had naar hun mening een MER moeten worden gemaakt in verband met de uitbreidingsmogelijkheden die het plan biedt voor de bedrijfsvestigingen van [partij], […] en […]. Naar hun mening vallen de activiteiten van de desbetreffende bedrijven onder de categorieën D35, D32.4 onderscheidenlijk D18.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In meer algemene zin achten de stichting en anderen voor de bedrijventerreinen categorie D11.3 van toepassing.

4.4.    De voorzieningenrechter merkt op dat uit artikel 7.2, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer, gelezen in combinatie met artikel 2 van het Besluit m.e.r. en de bij dat Besluit behorende bijlage, blijkt dat in de gevallen die in de bijlage zijn opgenomen onder D, niet steeds een MER behoeft te worden gemaakt. Wel moet, voor zover de in categorie D vermelde drempelwaarden worden overschreden, worden beoordeeld of een MER dient te worden gemaakt. Indien de drempelwaarden niet worden overschreden, moet in voorkomende gevallen een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.

    Voor zover het plan de mogelijkheid biedt tot woningbouw, is aannemelijk dat ruimschoots onder de drempelwaarden van 100 hectare en 2.000 woningen wordt gebleven die zijn opgenomen in categorie D11.2. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens de vormvrije m.e.r.-beoordeling de totale oppervlakte van het gebied waar woningbouw mogelijk is gemaakt, slechts 7,3 hectare omvat en dat het aantal te realiseren woningen maximaal 438 bedraagt. In hetgeen de stichting en anderen naar voren brengen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de juistheid van die omvang en aantallen te twijfelen.

     Hetgeen de stichting en anderen aanvoeren levert voorts onvoldoende grond op om te veronderstellen dat de uitbreidingsmogelijkheden waarin het plan voorziet, zodanig zijn dat de in de categorieën D11.3, D18.1, D32.4 of D35 genoemde drempelwaarden worden overschreden. Daarbij wordt in beschouwing genomen dat, zoals hiervoor onder 3. is vermeld, het plan vooral een conserverend karakter heeft en slechts in beperkte mate in nieuwe ontwikkelingen voorziet. Waar het specifiek gaat om categorie D35 en [partij], is voorts van belang dat ter zitting naar voren is gekomen dat dit bedrijf zich bezig houdt met handel in en opslag van oliën en vetten. Anders dan de van oudsher gevoerde naam doet vermoeden, houdt de onderneming zich niet (meer) bezig met het vervaardigen van producten als bedoeld in categorie D35. De onderneming heeft daarvoor ook geen vergunning.

    Gelet op het voorgaande mocht de raad naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.    

5.    De stichting en anderen voeren aan dat de inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling te kort schiet waar het gaat om de omvang van de in het plan geboden ontwikkelingsruimte, de cumulatie met andere projecten, de veiligheidsrisico's, volksgezondheid, aantasting van Natura 2000-gebieden, geluidhinder, geurhinder en luchtkwaliteit. Waar het gaat om veiligheidsrisico's hebben zij in het bijzonder gewezen op de mogelijkheid om   met toepassing van de in het plan voorziene wijzigingsbevoegdheid de opslag van consumentenvuurwerk toe te staan.

5.1.    Ter zitting is namens de raad opgemerkt dat geen nieuwe vergunningaanvragen voor de opslag van consumentenvuurwerk voorliggen en dat dergelijke aanvragen ook niet op korte termijn worden verwacht. De stichting en anderen hebben in reactie hierop verklaard dat het aspect opslag van consumentenvuurwerk niet tot het treffen van een voorlopige voorziening noopt. Om die reden zal de voorzieningenrechter dat aspect verder niet bespreken. Waar het de vraag betreft of de m.e.r.-beoordeling anderszins te kort schiet bij het in beeld brengen van de milieugevolgen van het plan, overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat de stichting en anderen, zoals vermeld onder 4.2., gelet op artikel 8:69a van de Awb niet met succes kunnen opkomen voor de bescherming van de beide door hen genoemde Natura 2000-gebieden. Voorts komen in de vormvrije m.e.r.-beoordeling de aspecten veiligheidsrisico's, geluid, geur en luchtkwaliteit uitdrukkelijk aan bod. De voorzieningenrechter ziet in het summiere betoog van de stichting en anderen ter zake geen reden om te betwijfelen of de beschrijving van die aspecten voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Evenmin bestaat aanleiding voor de conclusie dat ondanks het overwegend conserverende karakter van het plan expliciet aandacht had moeten worden geschonken aan de overige aspecten die de stichting en anderen noemen.

    Gezien de inhoud van de m.e.r.-beoordeling, het vermelde in de plantoelichting en het voornamelijk conserverende karakter van het plan, acht de voorzieningenrechter het dan ook niet aannemelijk dat de Afdeling in de bodempocedure zal oordelen dat die vormvrije beoordeling als conclusie had moeten hebben dat een MER moet worden opgesteld voor het plan.

6.    De stichting en anderen betogen dat het plan ten opzichte van het vorige planologische regime te veel bouw- en gebruiksmogelijkheden toestaat aan Cargill, die een groot cacao verwerkend bedrijf exploiteert, en aan [partij]. Verder biedt het plan volgens hen te veel mogelijkheden aan Olam Cocoa International B.V. en […], een cacao verwerker onderscheidenlijk afvalverwerkingsbedrijf in de omgeving van de vestiging van The Mac Group.

6.1.    De voorzieningenrechter acht het ook bij de beoordeling van deze gronden van belang dat het plan vooral een conserverend karakter heeft. Bij de behandeling van het verzoek is niet aannemelijk gemaakt dat voor zover het plan ruimere mogelijkheden biedt aan de hier genoemde ondernemingen dan het geval was onder het vorige regime, het gebruik daarvan leidt tot een substantiële toename van de hinder en andere milieugevolgen voor de stichting en anderen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat, naar ter zitting naar voren is gekomen, (ook) de regelgeving op milieugebied maakt dat de uitbreidingsmogelijkheden voor Cargill en voor [partij] beperkt zijn. Verder acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat een goede voortgang van de werkzaamheden van The Mac Group in belangrijke mate afhankelijk is van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van Olam Cocoa en [...]. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bedrijfsvestiging van The Mac Group ter plaatse een opslag van bouwmaterialen omvat, waarbij de kantoorfunctie in ieder geval grotendeels wordt uitgeoefend op het woonadres van [verzoeker]. Ook in dit betoog ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening geboden is.

7.    De stichting en anderen wijzen erop dat het plan voorziet in het verschuiven van de voorheen geldende geluidzone als bedoeld in de Wet geluidhinder. Naar hun mening is daarbij niet voldaan aan artikel 3.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en is onduidelijk of er hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in de Wet geluidhinder dienen te worden gesteld.

7.1.    Ter zitting hebben de stichting en anderen erkend dat de verschuiving van de geluidzone in ieder geval niet van belang is voor het perceel van [verzoeker]. Gelet daarop en nu de verschuiving naar moet worden aangenomen evenmin van betekenis is voor het gebruik van het bedrijfsperceel van The Mac Group, concludeert de voorzieningenrechter dat dit aspect niet tot het treffen van een voorlopige voorziening noopt.

8.    Volgens de stichting en anderen verdraagt het plan zich niet met Rijks- en provinciaal beleid.

8.1.    De voorzieningenrechter merkt hierover op dat de raad bij het vaststellen van een plan weliswaar rekening dient te houden met Rijks- en provinciaal beleid, maar daaraan niet is gebonden. In het licht daarvan kan in het summiere betoog van de stichting en anderen geen grond worden gevonden voor de verwachting dat de Afdeling het besluit in verband hiermee zal vernietigen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om vanwege dit aspect een voorlopige voorziening te treffen.    

Conclusie

9.    Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter, mede gezien de belangen van onder meer Cargill en [partij] bij het in werking blijven van het plan, tot de slotsom dat geen aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Sparreboom

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018

195.