Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3018

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201803473/4/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft het college [verzoekster] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen zes weken na de datum van het besluit alle op het perceel [locatie] te Beemte Broekland, gemeente Apeldoorn (hierna: het perceel), geplaatste bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803473/4/A1.

Datum uitspraak: 19 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van [verzoekster], hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 maart 2018 in zaak nrs. 18/460 en 18/461 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft het college [verzoekster] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen zes weken na de datum van het besluit alle op het perceel [locatie] te Beemte Broekland, gemeente Apeldoorn (hierna: het perceel), geplaatste bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 29 december 2017 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2018 heeft de rechtbank onder meer het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 december 2017 vernietigd, het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het besluit van 18 juli 2017 tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar geschorst.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[verzoekster] en [persoon] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 7 augustus 2018 heeft het college het bezwaar van [verzoekster] opnieuw ongegrond verklaard.

[verzoekster] heeft daartegen bij brief van 20 augustus 2018 beroep ingesteld. Bij afzonderlijke brief van dezelfde datum heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 september 2018, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.M. van Wegen, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    In het besluit op bezwaar van 7 augustus 2018 heeft het college wat betreft de begunstigingstermijn verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 23 maart 2018, voor zover daarbij het besluit van 18 juli 2017 is geschorst tot zes weken na het nieuwe besluit op bezwaar. Deze termijn van schorsing loopt derhalve af op 18 september 2018. Het college heeft in het besluit verder opgemerkt: "Indien na deze datum de bouwwerken niet zijn verwijderd, verbeurt u van rechtswege de genoemde dwangsom (…)."

    Ter zitting is gebleken dat het college niet bereid is de begunstigingstermijn in het besluit te verlengen. Dit betekent dat de begunstigingstermijn binnen enkele weken na het doen van deze uitspraak verstrijkt.

3.    De beoordeling van deze zaak ten gronde vergt nader onderzoek dat niet binnen die termijn kan plaatsvinden. Nu niet is gebleken van zwaarwegende belangen aan de zijde van het college en aan de zijde van de derde-belanghebbende die tot de conclusie leiden dat uitvoering van de last geen enkel uitstel kan lijden, ziet de voorzieningenrechter na afweging van de betrokken belangen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit van 7 augustus 2018 wordt geschorst tot zes weken na de datum van de uitspraak in het hoger beroep.

4.    Het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn dient jegens [verzoekster] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 7 augustus 2018, kenmerk VR/RAV/JvW, tot zes weken na de datum van de uitspraak in het hoger beroep;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.055,57 (zegge: duizendvijfenvijftig euro en zevenenvijftig cent), waarvan € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bolleboom

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018

641.