Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
201806938/2/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806938/2/V3.

Datum uitspraak: 17 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de staatssecretaris

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 juli 2018 in zaak nr. 16/29097 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Voorts hebben de staatssecretaris en de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen te treffen.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

    Het verzoek van de staatssecretaris

1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.

1.1.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Gelet hierop en op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.    Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

Het verzoek van de vreemdeling

3.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.

3.1.    Omdat het verzoek van de staatssecretaris wordt afgewezen, dient de staatssecretaris ingevolge de aangevallen uitspraak binnen acht weken na verzending daarvan een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en is het hem verboden de vreemdeling uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Er bestaat gelet hierop geen aanleiding om vooruitlopend op dit nog te nemen besluit een voorlopige voorzienig te treffen met een strekking als door de vreemdeling verzocht. Het beroep van de vreemdeling heeft ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het nieuwe besluit, tenzij de vreemdeling daarbij onvoldoende belang heeft.

4.    Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

5.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    wijst de verzoeken af;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Nienhuis

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2018

205.