Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
201803598/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:1561, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2017 heeft het college aan De Alliantie Ontwikkeling B.V. (hierna: De Alliantie) omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 30 koopwoningen met bijbehorende voorzieningen en een bedrijfsruimte-bijeenkomstfunctie op de percelen Lia Doranastraat 1 tot en met 59 (oneven) en Leen Jongewaardkade 31 te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2018/8052
BA 2018/306
JGROND 2018/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803598/1/A1.

Datum uitspraak: 19 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beide gevestigd te Amsterdam, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2018 in zaak nr. 17/4083 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2017 heeft het college aan De Alliantie Ontwikkeling B.V. (hierna: De Alliantie) omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 30 koopwoningen met bijbehorende voorzieningen en een bedrijfsruimte-bijeenkomstfunctie op de percelen Lia Doranastraat 1 tot en met 59 (oneven) en Leen Jongewaardkade 31 te Amsterdam.

Bij uitspraak van 15 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Alliantie heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. H. Elmas, advocaat te Zaandam, het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hop, mr. E.R. Slot en mr. D.A. Cleton, en De Alliantie, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwplan maakt deel uit van het zogeheten Cityplotsproject dat voorziet in de ontwikkeling van woningen op het voormalige bedrijfsterrein van Air Products aan de Distelweg 99-105 en Asterweg 49 te Amsterdam. Fase 1 van het project betreft de invulling van zes bouwblokken, te weten blok A3, A7, B1, B4, B6 en B15. Het bouwplan ziet op bouwblok A7.

2.    [appellant A] is een bedrijf dat is gevestigd aan de Distelweg en dat zich toelegt op het poedercoaten en natlakken van middelgrote metaalproducten. [appellant] vreest als gevolg van de realisering van de voorziene woningen in haar bedrijfsvoering te worden belemmerd.

3.    Het college heeft met toepassing van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham".

Beoordeling beroepsgronden

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 3, onder q, aanhef en onder a, b en c, van de regels van het bestemmingsplan "Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham". Volgens [appellant] is het stellen van voorschriften aan de omgevingsvergunning in strijd met de rechtszekerheid, nu het planologisch vereiste onderzoek ten tijde van de besluitvorming was uitgevoerd noch kenbaar gemaakt. Eerst nadat een deugdelijk onderzoek is uitgevoerd naar de parkeerbehoefte voorafgaand aan de realisatie van het bouwplan, de zogeheten nulmeting, en de resultaten van dat onderzoek kenbaar zijn gemaakt kan een vergelijking als bedoeld in de planvoorschriften plaatsvinden. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte niet getoetst of de geoormerkte parkeerplaatsen waarnaar in het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift wordt verwezen daadwerkelijk geoormerkt zijn.

4.1.    Op het perceel rust op de percelen ingevolge het bestemmingsplan "Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham" de bestemming "Gemengd".

    Artikel 3, onder q, van de planregels luidt:

"In afwijking van artikel 4 lid 5 onder m en p van het bestemmingsplan Buiksloterham gelden ter plaatse van de bouwkavels met de perceelnummers 7220, 6660, 2216, 4470, 7310, 7311; het deel van de bouwkavel met perceelnummer 8924 (kavel 20) en het oostelijke deel van bouwkavel met perceelnummer 8426 de volgende parkeernormen:

1. sociale huurwoningen: 1 parkeerplaats per 200 m2 bruto vloeroppervlak;

2. marktwoningen: 1 parkeerplaats per 125 m2 bruto vloeroppervlak;

3. zelfbouwwoningen: 1 parkeerplaats per woning;

4. bedrijven: 1 parkeerplaats per 125 m2 bruto vloeroppervlak;

5. overige functies: 1 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlak.

met dien verstande dat voor de bouwkavels met de perceelnummers 7220, 6660, 2216, 4470, 7310, 7311 geldt dat:

a. voor zover de normen onder sub 1, 2 en 3 afwijken van het geldende parkeerbeleid en

b. blijkt uit de vergelijking tussen de vóór vaststelling van dit bestemmingsplan verrichte nulmeting en de telling die plaatsvindt binnen een jaar na de voltooiing van de laatste woning, er voor de gerealiseerde woningen en andere functies binnen de bouwkavels een tekort aan parkeerplaatsen aanwezig is,

c. die parkeerplaatsen alsnog binnen de betreffende kavels worden gerealiseerd, dan wel daar - op andere de parkeerdruk niet belastende wijze - in wordt voorzien en

d. die verplichting als voorschrift in de te verlenen omgevingsvergunningen wordt doorgelegd.

4.2.    Vast staat dat het bestemmingsplan voorziet in onder meer de 30 koopwoningen met bijbehorende voorzieningen en een bedrijfsruimte-bijeenkomstfunctie waarop de aanvraag ziet. Aan de omgevingsvergunning zijn, gelet op het bepaalde in artikel 3, onder q, van de planregels, onder meer de volgende voorschriften verbonden:

"- De woningen mogen niet eerder in gebruik gegeven worden dan wanneer de parkeergarage op kavel A1 gerealiseerd is en waarbij 26 parkeerplaatsen (marktwoning 3100 m² bvo/125 m² + bedrijfsruimte 150 m² bvo/125 m² = 26 p.p.) geoormerkt beschikbaar moeten zijn voor de gebruikers van dit gebouw.

- Overeenkomstig artikel 3, sub q en onder d van het bestemmingsplan "Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham" moeten op het perceel alsnog parkeerplaatsen worden gerealiseerd dan wel op andere wijze in parkeerplaatsen worden voorzien, als uit het onderzoek als bedoeld in artikel 3, sub q en onder sub a tot en met c van het bestemmingsplan "Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham" blijkt dat er een tekort aan parkeerplaatsen is."

4.3.    Het door [appellant] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat in strijd met het bestemmingsplan "Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham" omgevingsvergunning is verleend voor het bouwplan.

    De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 september 2017 met betrekking tot artikel 3, onder q, van het bestemmingsplan "Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham" (ECLI:NL:RVS:2017:2597) overwogen dat weliswaar ten behoeve van de vaststelling van het plan geen parkeerbalans is opgesteld, maar dat het plan naar het oordeel van de Afdeling zodanige waarborgen biedt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de parkeerbehoefte die het plan met zich brengt kan worden voorzien. Er is geen grond voor het oordeel om daarover in onderhavige zaak met betrekking tot het bouwplan anders te oordelen.

    Het college heeft overeenkomstig artikel 3, onder q, van de planregels voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. Voor het oordeel dat die voorschriften niet voldoen aan het bestemmingsplan bestaat geen grond. Daargelaten of het onderzoek door Mobicon van 29 november 2016, waarnaar het college ter zitting heeft verwezen, kan worden aangemerkt als de in artikel 3, sub q, van de planregels bedoelde nulmeting, hetgeen [appellant] betwist, kan naar het oordeel van de Afdeling ook zonder die nulmeting worden beoordeeld of voor de gerealiseerde woningen en andere functies binnen de bouwkavels voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Aan de hand van de in dat artikel bedoelde telling binnen een jaar na de voltooiing van de laatste woning, kan worden vastgesteld of er voor de gerealiseerde woningen en andere functies binnen de bouwkavels een tekort aan parkeerplaatsen aanwezig is door de parkeerdruk op dat moment te berekenen.

    Voor zover [appellant] met betrekking tot het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift dat de woningen niet eerder in gebruik mogen worden gegeven dan wanneer de parkeergarage gerealiseerd is en waarbij 26 parkeerplaatsen geoormerkt beschikbaar moeten zijn voor de gebruikers van dit gebouw, aanvoert dat het college na had moeten gaan dat de parkeerplaatsen daadwerkelijk geoormerkt zijn, wordt overwogen dat, dit aspect een handhavingskwestie betreft en niet de vraag of in strijd met het bestemmingsplan omgevingsvergunning is verleend. Voor het oordeel dat het voorschrift niet handhaafbaar is, zoals [appellant] betoogt, bestaat geen grond.

    Uit het voorgaande volgt dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en daarvoor geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist. Nu zich voorts geen andere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10 van de Wabo voordoen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college gehouden was omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwplan en geen ruimte bestaat voor een belangenafweging.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, in plaats van de vereiste reguliere voorbereidingsprocedure, niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, waardoor zij in haar belangen is geschaad. Het ontwerpbesluit was niet van een deugdelijke motivering voorzien, nu het college niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan.

5.1.    Artikel 6:22 van de Awb luidt:

"Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."

    Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14) is niet de aard van het geschonden voorschrift beslissend voor de beantwoording van de vraag of een gebrek in een besluit kan worden gepasseerd, maar uitsluitend het antwoord op de vraag of door de schending iemand is benadeeld.

5.2.    Zoals hiervoor is overwogen is de aanvraag niet in strijd met het nadien en voor en ten tijde van belang geldende bestemmingsplan "Vierde partiële herziening bestemmingsplan Buiksloterham". Uit artikel 3.10 van de Wabo volgt in dat geval dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Toepassing van artikel 6:22 van de Awb is mogelijk, indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] door de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in plaats van de reguliere voorbereidingsprocedure niet in haar belangen geschaad, nu deze procedure met minstens evenveel waarborgen is omkleed als de reguliere voorbereidingsprocedure en [appellant] haar zienswijze op de ontwerp-omgevingsvergunning heeft kunnen geven.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] heeft voor het overige volstaan met de verwijzing naar hetgeen zij in de door haar ingediende zienswijze en in beroep heeft aangevoerd. Zij heeft niet betoogd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde kan daarom evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Kos

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018

580.