Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
201804499/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:3564, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804499/1/V3.

Datum uitspraak: 11 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 mei 2018 in zaak nr. NL18.8607 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 24 mei 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.

Partijen hebben een schriftelijke zienswijze gegeven.

De vreemdeling heeft een nadere schriftelijke zienswijze gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling is op 2 mei 2018 krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld. In zijn eerste grief klaagt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat deze maatregel op een onjuiste wettelijke grondslag is gebaseerd. Omdat hij beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van 2 mei 2018 tot afwijzing van zijn asielaanvraag en de voorzieningenrechter van de rechtbank daarbij heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, mocht hij ingevolge artikel 7.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 de beslissing op dit verzoek in Nederland afwachten, aldus de vreemdeling.

2.    De in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 27 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2828) beantwoord. Uit overweging 6 van die uitspraak vloeit voort dat de rechtbank in deze zaak ten onrechte heeft geoordeeld dat de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van 2 mei 2018 op een juiste wettelijke grondslag is gebaseerd. Omdat de vreemdeling op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld, is de bewaring van aanvang af onrechtmatig.

    De grief slaagt.

3.    Hetgeen de vreemdeling als tweede grief heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 mei 2018 alsnog gegrond verklaren. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel op 18 juni 2018 is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden schadevergoeding toegekend over de periode van 2 mei 2018 tot en met 17 juni 2018.

5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 mei 2018 in zaak nr. NL18.8607;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 3.760,00 (zegge: drieduizend zevenhonderdzestig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.753,50 (zegge: zeventienhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Laar

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018

551-874.