Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
201706428/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:4794, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2015 heeft het algemeen bestuur een aanvraag van [appellant] om een ontheffing op grond van artikel 2.5.2, tweede lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: Vob) voor het plaatsen van een botenlift afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706428/1/A3.

Datum uitspraak: 12 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2017 in zaak nr. 16/7736 in het geding tussen:

[appellant]

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum (thans: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2015 heeft het algemeen bestuur een aanvraag van [appellant] om een ontheffing op grond van artikel 2.5.2, tweede lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: Vob) voor het plaatsen van een botenlift afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft het algemeen bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Levelt, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont op het perceel aan de [locatie 1] te Amsterdam. Het perceel grens aan de Singelgracht. In dit deel van de Singelgracht is er veel vaarverkeer, ook van rondvaartboten die ter plaatse vaak moeten wachten op een vrijkomende steiger van de rederij die in de nabijheid van het perceel is gevestigd. [appellant] heeft langs de kademuur van zijn perceel een botenlift geplaatst. Daarmee beoogt hij primair de kademuur en tevens zijn pleziervaartuig, dat hij langs de kademuur afmeert, te beschermen tegen schade veroorzaakt door rondvaartboten die ter plaatse van de rederij manoeuvreren of achteruit varen en daarbij tegen zijn sloep en/of de kademuur aanvaren. Door het vaargedrag in dit stuk van het vaarwater heeft hij regelmatig schade aan zijn sloep. De botenlift bestaat uit drijvers met daartussen een frame dat met touwen aan de kade is gebonden. De botenlift is 5 m lang en 3 m breed en heeft een hoogte van maximaal 1,30 m boven de waterlijn. De botenlift wordt door hem niet gebruikt als lift. De enige functie van deze constructie is de bescherming van de kademuur en sloep.  

    Op 24 mei 2015 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om een ontheffing van het verbod van artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vob om een object in, op of boven het water te plaatsen of te houden. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag heeft het algemeen bestuur ten grondslag gelegd dat het openbaar water beperkt is en daarom zoveel mogelijk open moet worden gelaten. Daarnaast kan van een ontheffingverlening een ongewenste precedentwerking uitgaan. Volgens het algemeen bestuur wordt van de bevoegdheid op grond van artikel 2.5.2, tweede lid, van de Vob om ontheffing te verlenen terughoudend gebruik gemaakt. Onder verwijzing naar de Beleidsregels uit het Evaluatierapport van de Nota Amsterdam te water uit 1999 (hierna: de Beleidsregels) heeft het algemeen bestuur gesteld dat voor een voorziening in het water voor of door walbewoners geen ontheffing wordt verleend met uitzondering van een noodzakelijke steiger, een ecovlot of een ecotuin. Van een noodzakelijke steiger is bijvoorbeeld sprake als er geen andere vluchtweg is. Het algemeen bestuur heeft geen aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken. Op de locatie van de botenlift heeft het pleziervaartuig geen vaste ligplaats. [appellant] kan het pleziervaartuig op een andere locatie afmeren waar het risico voor aanvaringen minder groot is, aldus het algemeen bestuur.

Hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beleid voor het verlenen van een ontheffing, zoals neergelegd in de Beleidsregels van toepassing is. De Beleidsregels zijn volgens hem alleen van toepassing in de situatie waarin sprake is van een woonboot. Nu de Beleidsregels niet in de weg staan aan het verlenen van een ontheffing, had het algemeen bestuur een individuele belangenafweging moeten maken en aan zijn belang overwegende betekenis moeten toekennen.

    Voor zover de Beleidsregels wel van toepassing zijn, heeft de rechtbank miskend dat de botenlift noodzakelijk is ter bescherming van de kademuur en de sloep en dus een noodzakelijke voorziening als bedoeld in de Beleidsregels, waarin onder een voorziening meer wordt verstaan dan alleen een steiger. Het afmeren van de sloep op een minder kwetsbare locatie is geen oplossing voor het bieden van bescherming tegen schade aan de kademuur. Bovendien gaat het om een elektrische sloep, waarvan de accu moet worden opgeladen. Ook verwacht [appellant] een verdere toename van het vaarverkeer in de Singelgracht. Afmeerpalen zijn volgens hem niet geschikt als bescherming van de kademuur, omdat die meer ruimte in het water in beslag nemen dan de botenlift.

    Voor zover op grond van de Beleidsregels geen ontheffing kan worden verleend, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om van de Beleidsregels af te wijken. De botenlift, die sober is uitgevoerd en nauwelijks zichtbaar is, neemt weinig ruimte in beslag. Voorts brengt de mogelijkheid om een pleziervaartuig aan het eigen perceel af te meren meerwaarde met zich mee, aldus [appellant].

2.1.    Artikel 2.2.1 van de Verordening op het binnenwater 2010 luidt: "In dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…];

object: een al dan niet drijvend voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enig andere in dit hoofdstuk genoemde categorie;

[…]."

    Artikel 2.5.2 luidt:

"1. Het is verboden een object in, op of boven het water te plaatsen of te houden.

2. Het college kan van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.

[…]."

2.2.    In het Evaluatierapport van de nota Amsterdam te Water zijn beleidsvoorstellen verwoord over het binnenwater. Met de vaststelling van de Beleidsregels zijn diverse beleidsvoorstellen uit dat rapport als beleid vastgesteld. Onder het kopje "Vlotten, getimmerten, steigers, balkons in, op of boven het water (verder te noemen voorzieningen)" van de Beleidsregels is vermeld:

"[…]

5. Er wordt geen toestemming meer gegeven voor het aanbrengen van voorzieningen in, op of boven het water voor of door niet-woonbootbewoners, met uitzondering van een noodzakelijke voorziening of een ecovlot of een ecotuin."

[…]."

    Anders dan [appellant] betoogt, hebben de Beleidsregels niet alleen betrekking op woonboten of woonbootbewoners, maar zijn daarin ook  regels opgenomen over het plaatsen van een object in het water door walbewoners.

    Zo al de constructie van de botenlift als een voorziening als omschreven in de Beleidsregels  - dat wil zeggen een vlot, getimmerte, steiger of balkon -  kan worden aangemerkt, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze niet noodzakelijk is voor de bescherming van het desbetreffende deel van de kademuur. Om bescherming te bieden kunnen palen voor dit stuk van de kademuur in het water worden geplaatst. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke palen gelet op hun omvang op die plaats een onaanvaardbaar obstakel in het water zouden vormen. Dat de botenlift kan dienen als beschermingsconstructie voor de sloep indien deze langs het perceel is afgemeerd, heeft het college ook op juiste gronden onvoldoende geacht om de botenlift daarom als een voorziening aan te merken die ter plaatse noodzakelijk is. Het college heeft daarbij mogen betrekken dat de sloep gelet op de afmetingen daarvan op een andere, minder kwetsbare plaats in het binnenwater van Amsterdam kan worden afgemeerd of in een jachthaven. Daarbij is van belang dat [appellant] niet heeft weersproken dat op andere afmeerlocaties of in jachthavens voldoende laadpalen staan, zoals het algemeen bestuur heeft gesteld.

    Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die in dit geval nopen tot het afwijken van het uitgangspunt om voor objecten in het water geen ontheffing te verlenen. Dat de botenlift weinig ruimte in beslag neemt, zoals [appellant] stelt, laat onverlet dat het algemeen bestuur aan het belang bij het open houden van het binnenwater dat reeds onder druk staat en aan het voorkomen van ongewenste precedentwerking een doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen. Dat de mogelijkheid om een pleziervaartuig aan het eigen perceel af te meren meerwaarde heeft voor het perceel is geen bijzondere omstandigheid.

3.    Verder betoogt [appellant] dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Daartoe stelt hij dat er een procedure loopt om in afwijking van de geldende planologische regeling een omvangrijk passagiersvaartuig toe te staan ligplaats in te nemen aan de [locatie 2].

3.1.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, reeds omdat het in de door hem omschreven zaak niet gaat om de toepassing van artikel 2.5.2. van de Vob.  

Slotsom

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Man

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2018

629.