Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
201705354/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:3936, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft de burgemeester aan [vergunninghouder] een exploitatievergunning verleend voor restaurant Pannenkoekenhuis Bungel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705354/1/A3.

Datum uitspraak: 12 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Capelle aan den IJssel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2017 in zaak nr. 16/4105 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de burgemeester van Capelle aan den IJssel.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft de burgemeester aan [vergunninghouder] een exploitatievergunning verleend voor restaurant Pannenkoekenhuis Bungel.

Bij besluit van 25 mei 2016 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 september 2016 is de exploitatievergunning gewijzigd.

Bij uitspraak van 24 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 25 mei 2016 ingestelde beroep en het tegen het besluit van 29 september 2016 van rechtswege ontstane beroep, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2018, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door  mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R.I. Smit, R. Verboom en drs. C. van Hemert, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [vergunninghouder] en [partij] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het restaurant is gevestigd op het perceel aan de [locatie 1]. Een deel van de achterzijde van het perceel is ingericht als speeltuin voor kinderen van bezoekende klanten. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de weerszijden van het perceel, in de nabijheid van het restaurant, onderscheidenlijk aan de [locatie 2] en [locatie 3]. Zij zijn tegen de vergunningverlening opgekomen, omdat zij onaanvaardbare geluidoverlast stellen te ondervinden van spelende kinderen in de speeltuin.

    Aan de in het bezwaar gehandhaafde vergunningverlening heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat het restaurant slechts tot beperkte hinder voor omwonenden zal leiden. Bij het besluit van 29 september 2016 heeft de burgemeester als voorschrift aan de vergunning verbonden dat de speeltoestellen die bij het restaurant behoren alleen mogen worden gebruikt tussen 10:00 en 21:00 uur. De rechtbank heeft de vergunningverlening rechtmatig geacht.

Hoger beroep

2.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de burgemeester is gevolgd dat de kinderen in de speeltuin geen onaanvaardbare geluidhinder veroorzaken.

2.1.    Artikel 2:30c van de Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den IJssel 2018 (hierna: Apv) luidt: "De exploitatievergunning vervalt:

a. zodra de exploitant dan wel de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft dan wel hebben beëindigd;

[…]

c. een nieuwe exploitatievergunning voor de openbare inrichting is verleend."

2.2.    [partij] is de nieuwe eigenaar van de inrichting op het perceel. Ter zitting is vast komen te staan dat [vergunninghouder] de exploitatie van het restaurant begin juni 2018 heeft beëindigd. Ook is vast komen te staan dat de burgemeester op 18 juni 2018 aan [partij] een exploitatievergunning voor een ander restaurant op het perceel heeft verleend. Ingevolge artikel 2:30c, aanhef en onder a en c, van de Apv is de aan [vergunninghouder] verleende exploitatievergunning komen te vervallen, zoals ook door [appellant A] en [appellant B] ter zitting is onderkend. Zij hebben daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

Slotsom

3.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Man

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2018

629.