Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:298

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
201700756/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2016 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie] Lievelde wijzigen bouwvlak" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/549
JBO 2018/42 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700756/1/R1.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie, gevestigd te Arnhem, en anderen (hierna: de vereniging en anderen),

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre (hierna: het college),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2016 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie] Lievelde wijzigen bouwvlak" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vereniging en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De vereniging en anderen, het college en [de maatschap] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2017, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. W.M. Wessels, en het college, vertegenwoordigd door B.G.W. Rondeel en M. Daalwijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de maatschap, vertegenwoordigd door ing. B.H. Wopereis, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het wijzigingsplan ziet op het perceel [locatie] te Lievelde. Met het wijzigingsplan wordt het agrarische bouwvlak van ongeveer 0,9 ha, waarin het door de raad van de gemeente Oost Gelre bij besluit van 18 december 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011" voorziet, vervormd en vergroot tot maximaal 1 ha. Hiermee biedt het wijzigingsplan de mogelijkheid voor realisatie van een stal voor ongeveer 1.200 vleeskalveren.

    Bij besluit van 10 december 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) een vergunning verleend aan de maatschap voor het wijzigen/uitbreiden van de veehouderij aan de [locatie] te Lievelde (hierna: de Nbw 1998-vergunning). Die vergunning ziet onder meer op 1.200 vleeskalveren. Met de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3327, is de Nbw 1998-vergunning in rechte onaantastbaar geworden.

    De vereniging en anderen kunnen zich niet met het wijzigingsplan verenigen. Zij voeren aan dat de begrenzing van het bouwvlak rechtsonzeker is. Zij betogen verder dat het plan in strijd is met de door provinciale staten op 24 september 2014 vastgestelde Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening). Ook voeren de vereniging en anderen aan dat het wijzigingsplan negatieve gevolgen heeft voor omliggende Natura 2000-gebieden. Verder stellen zij dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan de belangen van [Ecoboerderij].

Bijlage

2.    De (wettelijke) bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Toetsingskader

3.    Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Intrekking beroepsgronden

4.    Ter zitting hebben de vereniging en anderen hun beroepsgronden over geuroverlast en aantasting van de luchtkwaliteit ingetrokken.

Begrenzing van het bouwvlak

5.    De vereniging en anderen voeren aan dat de begrenzing van het bouwvlak op de papieren verbeelding, die ter inzage is gelegd in het gemeentehuis, onduidelijk is, aangezien daarin een zwarte lijn tussen het bouwvlak en de omliggende gronden ontbreekt. Die zwarte lijn is wel aanwezig op de elektronische versie van de verbeelding. Volgens de vereniging en anderen is de begrenzing van het bouwvlak onder deze omstandigheden rechtsonzeker.

5.1.    De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak - met een begrenzing door middel van een zwarte lijn - is opgenomen op de vastgestelde, elektronische versie van de bij het plan behorende verbeelding. In de bijbehorende legenda wordt geduid dat deze aldus aangegeven begrenzing de aanduiding 'bouwvlak' betreft. In zoverre is van rechtsonzekerheid derhalve geen sprake. Nu gelet op artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, bij verschillen tussen de papieren en de elektronische versie de elektronische versie beslissend is, kan in het midden blijven of de papieren versie de door de vereniging en anderen gestelde onduidelijkheid bevat.

    Het betoog faalt.

De Omgevingsverordening

6.    De vereniging en anderen betogen dat met het wijzigingsplan ten behoeve van een intensieve veehouderij sprake is van nieuwvestiging, die ingevolge artikel 2.5.4.1 van de Omgevingsverordening in verwevingsgebieden niet is toegestaan.

6.1.    Uit artikel 2.5.4.1 volgt dat nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven in verwevingsgebieden niet is toegestaan.

6.2.    Het aan de orde zijnde perceel ligt in een verwevingsgebied. In het bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011" is op dit perceel een bouwvlak van 0,9 ha met de aanduiding "intensieve veehouderij" opgenomen, waarbinnen een intensieve veehouderij is toegestaan.

    Aangezien met het wijzigingsplan sprake is van een vergroting en vervorming van een planologisch bestaand bouwperceel ten behoeve van een intensieve veehouderij, doet zich, zo stelt de Afdeling vast, geen nieuwvestiging in de zin van artikel 2.5.4.1 van de Omgevingsverordening voor.

    Het betoog faalt.

7.    Verder voeren de vereniging en anderen aan dat de bedrijfsvoering van de maatschap is aan te merken als een "grondgebonden veehouderijtak" in de zin van artikel 2.5.1.1 van de Omgevingsverordening. In dit kader hebben de vereniging en anderen - met verwijzing naar opmerkingen van het gemeentebestuur in het kader van de inspraak bij het bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011" - gesteld dat er al langere tijd feitelijk geen veebezetting in het plangebied is die overeenkomt met de veebezetting die is vergund. Er is volgens de vereniging en anderen in feitelijke zin sprake van een "omschakeling" naar een "niet-grondgebonden veehouderij", hetgeen in strijd is met artikel 2.5.2.2, tweede lid, onder 1, van de Omgevingsverordening.

7.1.    Uit artikel 2.5.2.2, tweede lid, onder 1, van de Omgevingsverordening volgt dat, in aanvulling op de in het eerste lid gestelde eisen voor het toestaan van een uitbreiding van een "grondgebonden veehouderijtak", een omschakeling van een "grondgebonden veehouderijtak" naar een "niet-grondgebonden veehouderijtak" niet is toegestaan.

7.2.    Vast staat dat de maatschap beschikt over een milieuvergunning van 13 juni 2008 op grond waarvan onder meer 95 vleeskalveren/-stieren mogen worden gehouden. De maatschap heeft, met verwijzing naar een verklaring van een accountant, toegelicht dat er gedurende de jaren 2009 tot en met de vaststelling van het onderhavige plan in 2016 een aantal vleeskalveren/-stieren aanwezig is geweest in de orde van grootte van ongeveer het vergunde aantal van 95. Hetgeen de vereniging en anderen daartegen hebben aangevoerd, geeft de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van het door de maatschap gestelde te twijfelen. Daarbij wordt in ogenschouw genomen dat de opmerkingen van het gemeentebestuur in het kader van de inspraak waarop de vereniging en anderen wijzen geen blijk geven van een concreet op de situatie bij de maatschap toegespitst onderzoek.

    Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een "grondgebonden veehouderijtak" in de zin van artikel 2.5.1.1 van de Omgevingsverordening is bepalend of de maatschap beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren. In dit kader heeft de maatschap toegelicht dat er maïs wordt verbouwd op haar gronden van in totaal ongeveer 7,5 ha. Met deze maïsproductie kan echter niet worden voorzien in meer dan 50 procent van het voer voor de vergunde 95 vleeskalveren/-stieren, zo heeft de maatschap toegelicht. Daarbij heeft de maatschap erop gewezen dat de vleeskalveren/-stieren ook melkpoeder en brokken eten, die van elders wordt aangevoerd. De Afdeling stelt vast dat de vereniging en anderen geen concrete gegevens naar voren hebben gebracht die aanleiding geven aan de juistheid van deze toelichting van de maatschap te twijfelen. In het licht hiervan heeft het college zich in navolging van de maatschap op het standpunt mogen stellen dat in de periode voorafgaand aan het vaststellen van het bestreden wijzigingsplan gelet op de bedrijfsvoering geen sprake is van een "grondgebonden veehouderijtak". Na vaststelling van het wijzigingsplan is nog immer sprake van een niet-grondgebonden veehouderijtak in de zin van de Omgevingsverordening. Het onderhavige wijzigingsplan voorziet reeds hierom niet in een omschakeling van een "grondgebonden veehouderijtak" naar een "niet-grondgebonden veehouderijtak".

    Het betoog faalt.

8.    Voorts betogen de vereniging en anderen dat de oppervlakte van het bouwvlak op de elektronische versie van de verbeelding ten minste 10.004 m² is, zodat niet wordt voldaan aan artikel 2.5.4.2 van de Omgevingsverordening op grond waarvan het bouwvlak slechts 1 ha mag bedragen.

8.1.    Uit artikel 2.5.4.2 van de Omgevingsverordening volgt dat in verwevingsgebieden ten behoeve van een niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel van ten hoogste 1,0 ha kan worden toegekend.

8.2.    De Afdeling merkt op dat - bij nameting op de elektronische versie van de verbeelding - is gebleken dat het bouwvlak of bouwperceel minder dan 1 ha bedraagt. Van strijd met artikel 2.5.4.2 van de Omgevingsverordening is derhalve geen sprake.

    Het betoog faalt.

Gevolgen voor Natura 2000-gebied

9.    De vereniging en anderen wijzen erop dat de maatschap vanwege een gewijzigde situering van de luchtwasser een melding heeft gedaan in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstofproblematiek (hierna: de PAS-melding). Volgens de vereniging en anderen worden met de PAS-melding negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebied echter niet voorkomen en zij wijzen in dit kader op de prejudiciële vragen die zijn gesteld bij de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259.

9.1.    De Afdeling stelt vast dat de PAS-melding - die volgens het college onverplicht is gedaan vanwege een ondergeschikte wijziging van de situering van de luchtwasser, waarbij het emissiepunt tevens is verhoogd van 3,5 m naar 10 m - niet ten grondslag is gelegd aan het wijzigingsplan. De passende beoordeling die in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstofproblematiek is verricht, is evenmin ten grondslag gelegd aan het wijzigingsplan. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling de prejudiciële vragen die over de Programmatische Aanpak Stikstofproblematiek zijn gesteld in deze zaak niet relevant, zodat voor het aanhouden van de zaak geen aanleiding bestaat.

    Het betoog faalt.

10.    Verder voeren de vereniging en anderen aan dat het college in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 geen passende beoordeling heeft gemaakt. Volgens de vereniging en anderen gaat het college ten onrechte ervan uit dat is uitgesloten dat het wijzigingsplan significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebied. Verder voeren de vereniging en anderen aan dat het college de verkeerde uitgangspunten als referentie heeft genomen. Ook voeren zij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het beweiden en bemesten, met het bestaande mestbassin en met de mogelijkheid dat er kalveren ouder dan 8 maanden in de stal zullen komen te staan; tevens is volgens hen ten onrechte geen rekening gehouden met een toename van vrachtverkeer. De vereniging en anderen voeren verder aan dat het plan niet voldoet aan de wijzigingsvoorwaarde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011", inhoudend dat moet zijn aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op Natura 2000-gebied.

10.1.    Aan het plandeel ter plaatse van de gronden waar de stal is voorzien is de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" toegekend met onder meer de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak".

    Uit artikel 3, lid 3.1, onder c, sub 1, van de planregels volgt dat een intensieve veehouderij is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", met dien verstande dat niet meer dan 1 ha van het bouwvlak gebruikt mag worden ten behoeve van de intensieve veehouderij.

Uit lid 3.4, onder 3.4.1, sub c, volgt dat onder strijdig gebruik met deze bestemming in ieder geval wordt begrepen het gebruik van gronden en bouwwerken voor zover hieronder genoemde aantallen en/of soorten dieren worden overschreden of een afwijkend stalsysteem wordt gebruikt:

    1. 1.200 vleeskalveren (A 4.1);

    2. 4 zoogkoeien (A 2.100);

    3. 4 stuks jongvee (A 3.100);

    4. 2 pony's (K 3.100).

10.2.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Nbw 1998 en Flora- en faunawet ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil nu het plan is vastgesteld voor 1 januari 2017, moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

10.3.    Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake artikel 19j van de Nbw 1998, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5129, volgt dat voor de beoordeling van de vraag of een plan leidt tot significante gevolgen moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als referentiekader.

10.4.    Zoals hiervoor onder 7.2 is overwogen, beschikt de maatschap over een milieuvergunning van 13 juni 2008 op grond waarvan onder meer 95 vleeskalveren/-stieren mogen worden gehouden en heeft de maatschap toegelicht dat er onder meer ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan in 2016 een aantal vleeskalveren/-stieren aanwezig is geweest in deze orde van grootte. Zoals is overwogen, geeft hetgeen de vereniging daartegen heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van het door de maatschap gestelde te twijfelen. De Afdeling stelt vast - uitgaande van een feitelijke situatie conform deze milieuvergunning - dat de ammoniakemissie in de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan maximaal 554,6 kg bedroeg. De Afdeling stelt verder vast dat - uitgaande van de in het onderhavige wijzigingsplan neergelegde mogelijkheden - de ammoniakemissie als gevolg van het plan in totaal ongeveer 460 kg zal bedragen, hetgeen een vermindering is ten opzichte van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan.

Onder deze omstandigheden heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebied als gevolg van het wijzigingsplan zijn uitgesloten.

    Wat betreft de omstandigheid dat de maatschap zich een wijziging in de situering van de luchtwasser en mede een verhoging van het emissiepunt heeft voorgenomen, heeft het college met verwijzing naar een berekening toegelicht dat dit geen verslechtering betekent voor de depositie op Natura 2000-gebied. De Afdeling stelt vast dat de vereniging en anderen dit niet gemotiveerd hebben betwist, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat een verplichting bestond tot het maken van een passende beoordeling vanwege de wijziging van de situering van de luchtwasser en de verhoging van het emissiepunt.

    Het college heeft verder gesteld dat de ammoniakemissie- en depositie vanwege het weiden van vee niet wijzigt als gevolg van het wijzigingsplan. Daarbij heeft het college erop gewezen dat, zoals ook de maatschap heeft toegelicht, de vleeskalveren permanent op stal zullen staan. De Afdeling stelt vast dat de vereniging en anderen deze toelichting niet hebben bestreden, zodat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de vleeskalveren zullen worden geweid. Ter zitting hebben de vereniging en anderen erop gewezen dat de zoogkoeien en paarden wel zullen worden geweid. Nu het wijzigingsplan in dit opzicht echter geen verandering brengt in de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan, waarbij de zoogkoeien en paarden reeds werden geweid, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college vanwege het aspect beweiden een passende beoordeling had moeten maken.

    Wat betreft het bemesten heeft de maatschap toegelicht dat in de bestaande situatie de mest afkomstig van het rundvee gedeeltelijk wordt aangewend op de beschikbare cultuurgrond en dat het resterende deel van de mest wordt afgevoerd. In dit kader heeft het college gesteld dat de ammoniakemissie- en depositie vanwege het bemesten van de gronden niet wijzigt als gevolg van het plan. Daarbij heeft het college erop gewezen dat de omstandigheid dat er meer vee gehouden kan worden en daarmee meer mest vrijkomt niet wil zeggen dat dit ook in de directe omgeving wordt uitgereden. Daarbij acht het college van belang dat het plan niet voorziet in een toename van de landbouwgronden. De Afdeling stelt vast dat, zoals het college heeft toegelicht en de vereniging en anderen niet gemotiveerd hebben betwist, het wijzigingsplan in dit opzicht geen verandering brengt in de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan, waarbij reeds bemesting plaatsvond, zodat de Afdeling wat betreft het aspect bemesting geen grond ziet om aan te nemen dat een passende beoordeling had moeten worden gemaakt.

    Wat betreft het bestaande mestbassin heeft het college toegelicht dat het een gesloten bassin is en dat het wordt gevuld via afgesloten leidingen, zodat er slechts een verwaarloosbare ammoniakemissie en

-depositie van afkomstig is. Gelet op deze toelichting, waartegen de vereniging en anderen niets concreets hebben ingebracht, is de Afdeling van oordeel dat in dit opzicht evenmin een verplichting bestond tot het maken van een passende beoordeling.

    Voorts stelt de Afdeling vast dat uit bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij blijkt dat het stalsysteem A.4.1 staat voor vleeskalveren tot circa 8 maanden oud. Dat dit stalsysteem moet worden gehanteerd, volgt uit het plan. De stelling van de vereniging en anderen dat kalveren ouder dan 8 maanden kunnen worden gehouden, leidt gelet hierop niet tot het ermee beoogde doel.

    Verder heeft het college gesteld dat er als gevolg van het plan, uitgaande van een "worst case scenario", sprake is van een toename van maximaal 4 vrachtwagens per dag. Daarbij heeft het college verwezen naar een berekening, waaruit volgt dat de toename van 4 vrachtwagens niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De Afdeling ziet in hetgeen de vereniging en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het college hierbij van een te beperkt aantal vrachtwagens is uitgegaan. Nu de vereniging en anderen de berekening waar het college zich in dit kader op baseert, verder niet hebben betwist, ziet de Afdeling wat betreft het aspect vrachtverkeer geen grond om aan te nemen dat een passende beoordeling had moeten worden gemaakt.

     Gelet op het voorgaande behoefde het college geen passende beoordeling te maken. Van strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 is geen sprake. In het verlengde van het vorenstaande, daarbij ervan uitgaande dat ook de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011" overeenkwam met de vergunde situatie uit 2008, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan in strijd is met de genoemde wijzigingsvoorwaarde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011".

    Het betoog faalt.

De belangen van de [Ecoboerderij]

11.    Ten slotte betogen de vereniging en anderen dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan de negatieve effecten van het wijzigingsplan voor de biologische bedrijfsvoering van [Ecoboerderij], die in de directe nabijheid van het plangebied ligt. [Ecoboerderij] dient voor haar rauwmelkse productie te beschikken over een 'Antibiotica vrij' verklaring en dit belang wordt geschaad en is niet voldoende onderzocht, aldus de vereniging en anderen. Zij wijzen daarbij erop dat het wijzigingsplan tot een toename van fijnstof zal leiden waarin sporen van antibiotica en ziektekiemen kunnen zitten. Ter nadere onderbouwing van hun betoog hebben de vereniging en anderen gewezen op een "Verklaring antibioticumgebruik" van G. Smolders, waaruit naar voren komt dat in de vleeskalverensector sprake is van een hoog antibioticumgebruik. Verder hebben de vereniging en anderen gewezen op een rapport van onder meer Nils Toft, getiteld "Risk assessment of white calf production near an antibiotic-free dairy", van 2 november 2017, waaruit naar voren komt dat er een indirect risico kan zijn voor de antibioticavrije productie.

11.1.    Het college heeft toegelicht dat de regelgeving over biologische landbouw geheel is gericht op eigen productiemethoden en interne kwaliteitscontroles en dat SKAL - de onafhankelijke instantie voor het toezicht op de biologische productie in Nederland - voor de certificering alleen eisen stelt aan de eigen bedrijfsvoering. De Afdeling stelt vast dat de vereniging en anderen dit ter zitting niet hebben betwist. De Afdeling acht, gelet hierop, niet aannemelijk dat het wijzigingsplan als gevolg heeft dat [Ecoboerderij] niet meer kan voldoen aan de eisen voor SKAL-certificering.

    Het college heeft in dit kader opgemerkt dat [Ecoboerderij] in een landelijke omgeving ligt en het niet valt uit te sluiten dat er in de lucht hier sporen van onder meer antibiotica zijn aan te treffen, al dan niet afkomstig van de veehouderij van de maatschap dan wel van andere veehouderijen. Er zijn volgens het college echter geen aanwijzingen dat de bedrijfsvoering van [Ecoboerderij] als gevolg van het wijzigingsplan in gevaar is.

11.2.    De Afdeling acht het - ook in het licht van de notitie van Smolders - niet uitgesloten dat - als gevolg van het door het wijzigingsplan toegestane grotere dieraantal - een toename zou kunnen plaatsvinden van het antibioticumgebruik ter plaatse van het perceel van de maatschap.

De Afdeling overweegt over de mogelijke risico's die in het rapport van 2 november 2017 worden geschetst, dat deze risico's niet nader zijn onderbouwd. Dit gegeven gevoegd bij de omstandigheid dat [Ecoboerderij] in de huidige situatie reeds te maken heeft met een planologische mogelijkheid voor een intensieve veehouderij van aanzienlijke omvang in de nabijheid van zijn bedrijf, nu het bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011" voorziet in een bouwvlak van 0,9 ha met de aanduiding "intensieve veehouderij", waar, zo heeft het college onweersproken gesteld, ongeveer 1.080 vleeskalveren kunnen worden gehuisvest, leidt de Afdeling tot de conclusie dat in hetgeen de vereniging en anderen hebben aangevoerd geen grond is gelegen om aan te nemen dat het wijzigingsplan leidt tot zodanige belemmeringen voor de bedrijfsvoering van [Ecoboerderij] dat het college om die reden van vaststelling van het plan had moeten afzien.

    Het betoog faalt.

Relativiteit

12.    Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.

Conclusie

13.    Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Van Loo

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018

418. BIJLAGE

•    Bij rechtsoverweging 1 en verder

Planregels bij het bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011", vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van Oost Gelre van

18 december 2012

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat boomkwekerijen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'openheid';

(…)

e. intensieve veehouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', met dien verstande dat:

1. niet meer dan 1 ha van het bouwvlak gebruikt mag worden ten behoeve van de intensieve veehouderij, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;

(…).

4.7 Wijzigingsbevoegdheid

(…)

4.7.2 Vergroten van het bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak, met dien verstande dat:

(…)

g. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied; (…).

Planregels bij het wijzigingsplan "[locatie] Lievelde wijzigen bouwvlak", vastgesteld bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre van 6 december 2016

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;

b. behoud van landschappelijke en natuurwaarden;

c. intensieve veehouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', met dien verstande dat:

    1. niet meer dan 1 ha van het bouwvlak gebruikt mag worden ten     behoeve van de intensieve veehouderij, dan wel de bestaande     oppervlakte indien deze meer bedraagt;

    (…)

3.4 Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval begrepen:

(…)

c. Het gebruik van gronden en bouwwerken voor zover het hieronder genoemde aantallen en/of soorten dieren wordt overschreden of een afwijkend stalsysteem wordt gebruikt:

    1. 1200 vleeskalveren (A 4.1);

    2. 4 zoogkoeien (A 2.100);

    3. 4 stuks jongvee (A 3.100);

    4. 2 pony's (K 3.100).

•    Bij rechtsoverweging 5-5.1

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.2.3

(…)

2. Indien de inhoud van een elektronisch document als bedoeld in het eerste lid tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie, is het eerstgenoemde document beslissend.

•    Bij rechtsoverweging 6-8.2

Omgevingsverordening Gelderland, vastgesteld door provinciale staten op

24 september 2014

2.5.1 Begripsbepaling    

Artikel 2.5.1.1 Begripsbepalingen    

In deze titel wordt verstaan onder:

(…)

5 Grondgebonden veehouderijtak    

Onderdeel van een agrarisch bedrijf waarvoor het bedrijf beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren.

(…)

11 Niet-grondgebonden veehouderijtak    

Onderdeel van een agrarisch bedrijf dat beschikt over onvoldoende cultuurgrond om de dieren op het eigen bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen voor meer dan 50 procent van het benodigde voer te voorzien.

12 Nieuwvestiging    

Het planologisch voorzien in de vestiging van een agrarisch veehouderijbedrijf op een nieuw agrarisch bouwperceel.

13 Omschakeling    

De overgang van een grondgebonden veehouderijtak naar een niet-grondgebonden veehouderijtak.

14 Uitbreiding    

Een vergroting van de agrarische bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel al dan niet gepaard gaande met een vergroting van het bouwperceel.

Artikel 2.5.2.2 Uitbreiding    

1. In bestemmingsplannen die betrekking hebben op het Agrarisch gebied wordt uitbreiding van de grondgebonden veehouderijtak toegestaan indien de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is en voorziet in een goede landschappelijke inpassing.

2. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid geldt voor (melk) rundveehouderij bovendien dat:

1. geen sprake is van omschakeling

(…).

2.5.4 Niet-grondgebonden veehouderij: verwevingsgebieden    

Artikel 2.5.4.1 Nieuwvestiging niet-grondgebonden veehouderijbedrijven    

In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer verwevingsgebieden wordt nieuwvestiging van niet - grondgebonden veehouderijbedrijven niet toegestaan.

Artikel 2.5.4.2 Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak    

In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer verwevingsgebieden kan aan een agrarisch bedrijf ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel worden toegekend van ten hoogste 1,0 hectare.

•    Bij rechtsoverweging 9-10.4

Wet natuurbescherming

Artikel 9.10

1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige procedures tot het nemen van een besluit krachtens de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet of de Boswet, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze wet behandeld.

Natuurbeschermingswet 1998

Artikel 19j

1. Een bestuursorgaan houdt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening

a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en

b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

2. Voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

(…).

•    Bij rechtsoverweging 12

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.