Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
201800563/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "CPO Houtduiflaan Beuningen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/658
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800563/1/R1.

Datum uitspraak: 12 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Beuningen,

appellant,

en

de raad van de gemeente Beuningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "CPO Houtduiflaan Beuningen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2018, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door T.M. Hagelaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.    Het plan voorziet in de bouw van maximaal negen woningen op gronden tussen de Houtduiflaan en de Patrijslaan in Beuningen. De gronden hadden in het vorige plan "Kern Beuningen" uit 2013 grotendeels een maatschappelijke bestemming en daarop stond een peuterspeelzaal. Binnen die bestemming was woningbouw niet toegestaan en daarom heeft de raad een nieuw plan vastgesteld om de ontwikkeling mogelijk te maken. De stichting Collectief Particulier Opdrachtgeverschap Beuningen (hierna: CPO) is de initiatiefnemer van het woningbouwproject.

3.    [appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied. Hun beroep is alleen gericht tegen de vier woningen die aan de kant van de Patrijslaan mogelijk worden gemaakt. Deze woningen hebben volgens hen een zeer grote negatieve invloed op hun woon- en leefklimaat.

Ontvankelijkheid

4.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

    De bewoner van [locatie A] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Gesteld noch gebleken is dat deze omstandigheid zich hier voordoet. Het beroep, voor zover ingesteld door de bewoner van [locatie A], is daarom niet-ontvankelijk.

Beroepsgronden

5.    [appellant] en anderen voeren aan dat bij de voorbereiding van het plan de communicatie met de omwonenden geheel ontbrak. De raad heeft de omwonenden niet ingelicht over zijn plannen voor het plangebied en de omwonenden hebben van het CPO gehoord dat er woningen gaan komen op de gronden tegenover hun woningen. De raad heeft op deze wijze volgens [appellant] en anderen niet zorgvuldig gehandeld.

5.1.    In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de bestemmingsplanprocedure die is doorlopen niet aan de wettelijke vereisten voldoet en de raad onzorgvuldig heeft gehandeld. Het ontwerpplan heeft ter inzage gelegen en omwonenden hebben hun zienswijze hierop kenbaar kunnen maken. In de zienswijzennota is de raad gemotiveerd op deze zienswijzen ingegaan, waarna hij het definitieve plan heeft vastgesteld. In de Wet ruimtelijke ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele omwonenden en andere belanghebbenden vooraf persoonlijk in kennis te stellen van de plannen.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] en anderen voeren aan dat op grond van het vorige plan er op 30 m afstand van hun woningen mocht worden gebouwd en maximaal 7 m hoog. Op grond van dit plan mag er een stuk dichterbij, op een afstand van 18 m van hun woningen worden gebouwd en maximaal 10 m hoog. Dit gaat volgens hen ten koste van hun woon- en leefklimaat. Het is volgens [appellant] en anderen onacceptabel dat de raad dit plan puur uit economisch oogpunt heeft vastgesteld, zonder daarbij rekening te houden met hun belangen. De voorziene woningen passen niet in de omgeving omdat deze afwijkend zijn van de omliggende rijtjeshuizen wat betreft formaat, bekleding en vorm. De woningen mogen bovendien vrijstaand worden. Dit is volgens hen ook niet passend in een omgeving met rijtjeshuizen.

6.1.    In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De enkele omstandigheid dat op grond van dit plan op kortere afstand en hoger dan in het vorige plan kan worden gebouwd leidt dan ook niet zonder meer tot het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

    [appellant] en anderen hebben ter zitting bevestigd dat zij het nieuwe plan hebben vergeleken met de feitelijke situatie waarbij de peuterspeelzaal op een afstand van ongeveer 30 m stond en niet met hetgeen toen planologisch mogelijk was. De raad stelt terecht dat de afstand van het bouwvlak met de bestemming "Maatschappelijk" in het voorliggende plan 5 m kleiner is dan in het vorige plan, het plan "Kern Beuningen" uit 2013. In dit vorige plan had het grootste deel van de gronden in het plangebied een maatschappelijk bestemming. Binnen die bestemming kon op een afstand van ongeveer 23 m van de Patrijslaan worden gebouwd, waarbij maximaal 30% van het bouwvlak bebouwd mocht worden. Dit betekent dat langs de gehele Patrijslaan op een afstand van ongeveer 23 m gebouwd kon worden. Zoals de raad heeft toegelicht is een afstand van 18 m niet ongebruikelijk in de omgeving. Verder heeft de raad toegelicht dat wat betreft de maximale bouwhoogte is aangesloten bij de maximum goot- en bouwhoogte van de bestaande woningen in de omgeving. De Afdeling is van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de in het plan opgenomen afstand tot de bestaande woningen en maximale bouwhoogte leiden tot een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat dat de raad deze niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

    De Afdeling is van oordeel dat de raad zich gelet op de in het plan opgenomen omvang en situering van het bouwvlak en de maximaal toegestane maatvoering voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woningen passend zijn in de omgeving. De enkele omstandigheid dat het plan niet voorschrijft dat de woningen aaneengebouwd uitgevoerd moeten worden, maar binnen het bouwvlak meerdere bouwwijzen naast elkaar toestaat, te weten zowel aaneengeschakelde woningen, twee-aaneengebouwde alsook vrijstaande woningen, acht zij onvoldoende voor een ander oordeel.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] en anderen voeren aan dat om de in het plan voorziene woningen te kunnen bouwen een aantal beeldbepalende bomen moet worden gekapt. Het karakter van de wijk gaat volgens [appellant] en anderen verloren door het verwijderen van bomen en groen. De hoeveelheid groen is op dit moment al onder de norm en zal door de bouw van de woningen nog verder dalen.

7.1.    De Afdeling is van oordeel dat de raad het belang van behoud van groen in de afweging voldoende heeft betrokken. Daartoe acht zij mede van belang dat zoals de raad heeft toegelicht de gronden waar groen feitelijk verdwijnt niet waren bestemd voor openbaar groen. Een deel had een verkeersbestemming en een deel een maatschappelijke bestemming. De beeldbepalende platanen langs de Houtduiflaan en de groenzone langs de Burgemeester van Suchtelenstraat blijven wel behouden. Er blijft daarnaast nog steeds een groenstrook van ruim 5 m breed aanwezig in het deel van de Patrijslaan ter hoogte van nr. 106 t/m 116. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in overeenstemming mocht achten met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] en anderen voeren aan dat het plan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Er verdwijnen 3 parkeerplaatsen door de bouw van de woningen. De parkeerberekening meet volgens hen met twee maten, omdat er voor de nieuwe woningen met 2 parkeerplaatsen per woning wordt gerekend, terwijl voor de bestaande woningen met 1,5 parkeerplaats per woning gerekend wordt. Anders dan de raad stelt is er volgens [appellant] en anderen niet voldoende parkeergelegenheid in de omgeving. In de huidige situatie is die al aan de krappe kant. Voor de parkeerplaatsen die de raad noemt moeten bewoners een kilometer omrijden. Volgens [appellant] en anderen zullen de parkeerproblemen leiden tot ongewenst parkeergedrag. Dit zal leiden tot onveilige situaties.

8.1.    De raad heeft toegelicht dat er bij het berekenen van de parkeerbehoefte landelijke kencijfers en loopafstanden zijn gebruikt. De norm lag ten tijde van de bouw van de bestaande woningen anders dan nu, daarom is voor die woningen met 1,5 parkeerplaats per woning gerekend. Voor de maximaal 9 woningen die het plan mogelijk maakt is er gerekend met een parkeernorm van 2 parkeerplekken per woning. Voor de nieuwe woningen moeten er dan ook 18 parkeerplaatsen zijn. De Afdeling is van oordeel dat niet is gebleken dat deze berekening onjuist is. De raad heeft geen berekening hoeven maken met de huidige norm voor de bestaande woningen. Niet is gebleken dat er op dit moment ernstige parkeerproblemen zijn.

    Van de 18 parkeerplaatsen komen er 8 op eigen terrein en 10 op de zuidelijke parkeervoorziening. Voor de 3 verdwijnende parkeerplaatsen worden er 3 vervangende parkeerplaatsen gerealiseerd op de zuidelijke parkeervoorziening. Gebleken is dat er voldoende ruimte voor deze parkeerplaatsen op de zuidelijke parkeervoorziening is. [appellant] en anderen voeren wel terecht aan dat er voor de zuidelijke parkeervoorziening moet worden omgereden, maar de raad behoefde dit niet onaanvaardbaar te achten. Daarbij wordt betrokken dat de loopafstand van de zuidelijke parkeervoorziening naar de woningen ongeveer 150 m is. Het plan voorziet naar het oordeel van de Afdeling op deze manier in voldoende parkeerplaatsen.

    Overigens heeft de raad er nog op gewezen dat de twee kinderdagverblijven in de omgeving verdwijnen en daarmee een grote parkeerbehoefte. Dit is niet meegewogen bij de parkeerberekening, zodat er met de nieuwe ontwikkeling ruimschoots wordt voorzien in de benodigde parkeervoorzieningen.

    Het betoog faalt.

9.    Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door de bewoner van [locatie A];

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Helder    w.g. Brock

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2018

603.