Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
201708800/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:7046, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2016 heeft het algemeen bestuur aan Van Maarschalkerwaart Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het intern wijzigen van de zolderverdieping van het gebouwgedeelte Utrechtsedwarsstraat 99 te Amsterdam met bestemming daarvan tot één woning en het maken van een bijbehorend dakterras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/1080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708800/1/A1.

Datum uitspraak: 12 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2017 in zaak nrs. 17/2568 en 17/2569 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam (thans: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2016 heeft het algemeen bestuur aan Van Maarschalkerwaart Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het intern wijzigen van de zolderverdieping van het gebouwgedeelte Utrechtsedwarsstraat 99 te Amsterdam met bestemming daarvan tot één woning en het maken van een bijbehorend dakterras.

Bij besluit van 16 september 2016 heeft het algemeen bestuur aan Van Maarschalkerwaart Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het intern wijzigen van de zolderverdieping van het gebouwgedeelte Utrechtsedwarsstraat 103 te Amsterdam met bestemming daarvan tot één woning en het maken van een bijbehorend dakterras.

Bij besluiten van 7 maart 2017 heeft het algemeen bestuur de door [appellant] en anderen gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 14 september 2016 en 16 september 2016 ongegrond verklaard en deze besluiten, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 25 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur en Van Maarschalkerwaart Holding B.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2018, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], [geamchtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Broos, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord Van Maarschalkerwaart Holding B.V., vertegenwoordigd door mr. H.C. Bollekamp, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

1.    Het algemeen bestuur heeft met de besluiten van 14 september 2016 en 16 september 2016 omgevingsvergunningen verleend aan Van Maarschalkerwaart Holding B.V. voor het intern wijzigen van de zolderverdiepingen van de gebouwgedeeltes Utrechtsedwarsstraat 99 en 103 en het realiseren van bijbehorende dakterrassen. De verleende  omgevingsvergunningen zien op de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en voorzover het de dakterrassen betreft, op de activiteit het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en eerste lid, onder c, van de Wabo. Daarbij heeft het algemeen bestuur toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wabo. [appellant] en anderen wonen allen aan de Prinsengracht in de nabijheid van de voorziene dakterrassen. Zij vrezen dat de dakterrassen hun privacy zullen aantasten en dat de dakterrassen zullen leiden tot geluidhinder en als gevolg daarvan gespannen relaties tussen buurtbewoners.

2.    [appellant] en anderen betogen dat het algemeen bestuur niet bevoegd was om toepassing te geven aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 8.4.8 van de planregels van het bestemmingsplan, omdat er geen garantie is dat de woningen met bijbehorende dakterrassen worden gebruikt ten behoeve van de op het perceel rustende woonfunctie.

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuidelijke binnenstad" (hierna: het bestemmingsplan) hebben de locaties van de bouwplannen de bestemming "Gemengd - 1". Op grond van artikel 8.2.8, onder c, van de planregels zijn dakterrassen op percelen met de bestemming "Gemengd - 1" niet toegestaan. Artikel 8.4.8 geeft een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor dakterrassen ten behoeve van de woonfunctie. Deze bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken is aan een aantal voorwaarden gebonden.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1897, heeft het bevoegd gezag te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. In de aanvragen van 7 juli 2016 is aangegeven dat de te realiseren woningen als woning gebruikt gaan worden. Derhalve hoefde het algemeen bestuur geen rekening te houden met de mogelijkheid dat de woningen in de praktijk geen woonfunctie zullen vervullen. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, ander gebruik dan wonen niet is toegestaan. Indien de dakterrassen voor andere doeleinden worden gebruikt, kan daartegen handhavend worden opgetreden. Voor zover [appellant] en anderen ter zitting hebben gesteld dat het college in de praktijk niet handhaaft, doet dat er niet aan af dat in deze procedure van de aangevraagde woonfunctie moet worden uitgegaan. Omdat niet in geschil is dat de dakterrassen voor het overige voldoen aan de voorwaarden die artikel 8.4.8 van de planregels stelt aan afwijking van het bestemmingsplan, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het algemeen bestuur bevoegd was toepassing te geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 8.4.8 van de planregels.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het algemeen bestuur in redelijkheid de omgevingsvergunningen heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zijn aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij in een dichtbevolkte stedelijke omgeving wonen, waarbij enige geluidhinder en schending van privacy volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar wordt geacht. Volgens hen is de jurisprudentie van de Afdeling verouderd gelet op de veranderde situatie in Amsterdam, waarbij de woonsituatie in de binnenstad de afgelopen jaren is verslechterd. Verder voeren zij aan dat het algemeen bestuur ten onrechte geen kenbare belangenafweging heeft verricht en ten onrechte ten koste van de belangen van omwonenden de belangen van Van Maarschalkerwaart Holding B.V. heeft laten prevaleren.

3.1.    De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van het algemeen bestuur, waarbij het algemeen bestuur beleidsruimte heeft. De rechter toetst of het algemeen bestuur in redelijkheid tot zijn besluit om omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen.

    Bij een dergelijke beslissing moet het algemeen bestuur alle betrokken belangen tegen elkaar afwegen. In dit geval ligt ter toetsing de vraag voor of in dit geval het algemeen bestuur in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van de vergunningen dan aan de belangen die zijn gebaat bij weigering daarvan.

3.2.    Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1921, en de uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:490, volgt dat aan het wonen in een verstedelijkte omgeving enige mate van geluidhinder en een zekere mate van inbreuk op privacy inherent is. De Afdeling ziet geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Dat aan het wonen in een verstedelijkte omgeving enige mate van geluidhinder en inbreuk op privacy inherent is, is ter zitting door [appellant] en anderen als zodanig ook niet bestreden. Dit laat onverlet dat het bevoegd gezag per geval zal moeten beoordelen of er geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het algemeen bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afname van de privacy van [appellant] en anderen door de realisatie van de dakterrassen relatief beperkt is. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de dakterrassen zich op een voor Amsterdamse begrippen redelijke afstand ter grootte van tussen de 15 en 19 m van de gevels van de woningen van [appellant] en anderen bevinden en dat er in de huidige situatie ook al zicht mogelijk is op de woningen van [appellant] en anderen vanuit de woningen aan de Utrechtsedwarsstraat. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de woningen die niet recht tegenover de nummers 99 en 103 staan slechts zijdelings zicht mogelijk is vanaf de dakterrassen. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het algemeen bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat deze dakterrassen tot een onaanvaardbaar niveau van geluidhinder en als gevolg daarvan gespannen relaties tussen buurtbewoners zullen leiden. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de woningen met bijbehorende dakterrassen blijkens de aanvraag zijn bedoeld voor gebruik ten behoeve van de woonfunctie, en dus niet voor gebruik door toeristen. Aldus heeft de rechtbank gemotiveerd uiteengezet waarom de door het algemeen bestuur gemaakte belangenafweging niet als onredelijk kan worden beschouwd en heeft zij terecht geoordeeld dat het algemeen bestuur in redelijkheid de omgevingsvergunningen heeft kunnen verlenen. Dat [appellant] en anderen een ander gewicht aan de betrokken belangen toekennen en een andere uitkomst wensen, maakt dat niet anders. Daarbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, de planwetgever een positieve grondhouding had ten aanzien van het realiseren van dakterrassen bij woningen en daarom een afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan heeft opgenomen. Het belang van het scheppen van buitenruimte voor bewoners in een stedelijke omgeving weegt daarbij zwaar. Bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid geldt, zoals ter zitting toegelicht, in het algemeen als uitgangspunt dat indien aan alle voorwaarden voor een dakterras ten behoeve van wonen is voldaan, in beginsel medewerking wordt verleend. Ten slotte is nog van belang dat, anders dan [appellant] en anderen hebben aangevoerd, het verlenen van de vergunningen niet alleen in het belang is van Van Maarschalkerwaart Holding B.V., maar ook van (toekomstige) bewoners. De belangen van de (toekomstige) bewoners heeft het algemeen bestuur ook mee mogen laten wegen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Helder

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2018

457-855.