Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2957

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
201801577/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:77, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2016 heeft het college de 1e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2017 vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/416
JNA 2018/44
BA 2018/308
AB 2019/134 met annotatie van J. Wieland
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801577/1/A2.

Datum uitspraak: 12 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 januari 2018 in zaak nr. 17/2243 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2016 heeft het college de 1e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2017 vastgesteld.

Bij besluit van 10 juli 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2018, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Bouchiba, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het geschil gaat over de vraag of [appellant] belanghebbende is bij het besluit van 12 december 2016.

2.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Besluiten van het college

3.    De 1e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2017 is verankerd in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (hierna: SNL), waarvan ook de in de bijlage van deze uitspraak vermelde Subsidieregelingen deel uitmaken. Het plan merkt bepaalde percelen aan als natuur- of landschapsbeheertype. Subsidie op grond van het SNL is alleen mogelijk voor percelen die in het Natuurbeheerplan zijn opgenomen. In artikel 2.1 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016 is vermeld wie de subsidie kunnen aanvragen.

    [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 december 2016, omdat hij van mening is dat voor het perceel ten westen en ten noorden van het perceel [locatie] te Heeze-Leende, dat op circa 50 meter afstand van zijn agrarisch bedrijf is gelegen, een ander beheertype realistischer en beter is. Hij heeft in zijn zienswijze naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerp verzocht het perceel alsnog op te nemen in de 1e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2017 en daarvoor een ander beheertype op te nemen dan is vastgelegd in het eerder vastgestelde Natuurbeheerplan 2017. Bij de vaststelling van de 1e partiële wijziging heeft het college deze zienswijze niet gevolgd.

    Het college heeft het bezwaar van [appellant] bij het besluit van 10 juli 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 16 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT0523) voor de vaststelling van natuurgebiedsplannen heeft te gelden dat de eigenaar of pachter van enig terrein gelegen binnen het gebied van een plan, als bedoeld in de subsidieregelingen waarop dat plan berust, aan die regelingen aanspraak kan ontlenen en als zodanig belanghebbende is bij de vaststelling van een dergelijk plan. Belanghebbend is verder de eigenaar of pachter die betoogt dat zijn terrein ten onrechte niet binnen de grenzen van het plan valt en dientengevolge geen aanspraak op subsidie kan maken. Het college heeft vastgesteld dat [appellant] niet de eigenaar of pachter is van het betreffende perceel en door het besluit van 12 december 2016 ook niet op andere wijze in zijn belang wordt getroffen. Dat hij in de toekomst wellicht eigenaar of pachter van een in het besluit betrokken perceel zou kunnen worden, maakt niet dat [appellant] een rechtstreeks belang als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft bij het besluit van 12 december 2016. Dat hij zich betrokken voelt bij het besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt. In dit verband is volgens het college mede van belang dat niet [appellant], maar een derde, inmiddels via een daartoe gevoerde procedure de eigendom dan wel de pacht over het betrokken perceel heeft verkregen.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Onweersproken is dat zijn eigen percelen niet in het bij besluit van 12 december 2016 vastgestelde plan zijn opgenomen. Hij behoort daarom niet tot de categorie belanghebbenden die in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 zijn genoemd. Dat [appellant] mogelijk eigenaar zal worden van het perceel, waar zijn bezwaar betrekking op heeft, is onvoldoende om aan te nemen dat hij een actueel belang heeft bij het besluit van 12 december 2016. [appellant] wordt door de vaststelling van de 1e partiële wijziging van het Natuurbeheerplan 2017 ook anderszins niet rechtstreeks in zijn belang getroffen. Hij kan vanuit zijn hoedanigheid als jachthouder geen aanspraak maken op de subsidieregeling waarvoor het Natuurbeheerplan wordt vastgesteld. Verder is gesteld noch gebleken dat het besluit van 12 december 2016 verandering brengt in de jachtrechten van [appellant].

    De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de ter zitting aangevoerde beroepsgrond dat in het besluit van 12 december 2016 ten onrechte niet is gereageerd op zijn zienswijze van 4 juli 2016 niet kan slagen. De rechtbank heeft overwogen dat het college deze zienswijze heeft opgevat als een verzoek tot wijziging van het voor het betrokken perceel geldende beheerstype. Ook dit verzoek kan in het licht van de uitspraak van 16 maart 2005 alleen worden gedaan door de eigenaar of pachter van het perceel. Omdat hij geen belanghebbende is, kan zijn verzoek op grond van artikel 1:2 en 1:3 van de Awb geen aanvraag zijn om een besluit te nemen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn belang niet rechtstreeks bij het besluit van 12 december 2016 is betrokken. Hij voert daartoe aan dat hij niet heeft gesteld dat zijn jachtrechten worden aangetast, maar dat aanpassing van het natuurbeheertype zal leiden tot een ander grondgebruik en dat dat gevolgen heeft voor de wildstand. Ook in verband met de aanspraak als potentiële koper van het perceel heeft hij een rechtstreeks belang. Nu hij belanghebbend is, had zijn zienswijze moeten worden betrokken bij het besluit van 12 december 2016, aldus [appellant]. Ten slotte stelt hij dat het procedureel onjuist is een beheertype eventueel te wijzigen na de keuze van de uiteindelijke koper. Het college heeft het door hem gewenste beheertype ten behoeve van de beoogde koper juist wel in orde bevonden.

5.1.     De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 12 december 2016. Het rechtsgevolg van een natuurbeheerplan is dat daarbij wordt bepaald welke subsidies ingevolge de in de bijlage genoemde subsidieregelingen voor de in het plan opgenomen percelen kunnen worden aangevraagd. Alleen het belang van degenen die tot de kring van mogelijke aanvragers behoren en van degenen die er bezwaar tegen hebben dat zij niet tot die kring behoren, omdat hun percelen ten onrechte niet zijn opgenomen in het natuurbeheerplan, is rechtstreeks bij een besluit tot vaststelling van een natuurbeheerplan betrokken. De percelen van [appellant] zijn niet in de wijziging van het natuurbeheerplan opgenomen en hij heeft in zijn bezwaarschrift evenmin gesteld dat één of meer van zijn percelen ten onrechte niet in de wijziging is opgenomen. Daarom behoort hij niet tot de kring van belanghebbenden bij de 1e partiële herziening van het Natuurbeheerplan 2017. Dat hij eigenaar wil of wilde worden van het perceel waar zijn bezwaren betrekking op hebben is niet voldoende om hem als belanghebbende aan te merken. Bepalend is of een betrokkene op het moment van vaststelling van het natuurbeheerplan eigenaar of erfpachter is of uit een gesloten overeenkomst blijkt dat hij eigenaar of erfpachter zal worden. Nu [appellant] op dat moment geen eigenaar of erfpachter was en tussen hem en de provincie geen overeenkomst tot koop van het perceel was gesloten, kon hij ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer niet tot de kring van mogelijke aanvragers van een subsidie worden gerekend. Dat de aanwijzing van een beheerstype mogelijk invloed heeft op de wildstand van het perceel en daarmee op de wijze waarop hij zijn jachtrecht kan uitoefenen, maakt [appellant] evenmin tot belanghebbende. Nu [appellant] terecht niet als belanghebbende is aangemerkt, wordt niet toegekomen aan een inhoudelijk oordeel over de vraag of het college bij het besluit van 12 december 2016 had moeten ingaan op zijn zienswijze.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2018

17. BIJLAGE

Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016, zoals deze luidde ten tijde van belang

Artikel 1.2 Natuurbeheerplan

1. Gedeputeerde Staten stellen het natuurbeheerplan vast.

2. Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten in ieder geval een elektronische kaart met topografische ondergrond vast, waarop is aangeduid:

a. voor welke natuurterreinen een subsidie op grond van deze subsidieregeling kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding:

1°. welk natuurbeheertype in stand kan worden gehouden;

2°. welke landschapsbeheertypen in stand kunnen worden gehouden;

3°. of het natuurterrein in aanmerking komt voor een vaartoeslag.

b. voor welk leefgebied, of onderdeel van een leefgebied een subsidie agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding:

1°. open akkerland;

2°. open grasland;

3°. droge dooradering;

4°. natte dooradering;

5°. categorie water.

3. Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten een elektronische ambitiekaart met een topografische ondergrond vast, waarop de begrenzing is vastgelegd van alle bestaande en nog te realiseren natuur waarvoor Gedeputeerde Staten een investeringssubsidie willen verstrekken met daarbij de aanduiding van de kwaliteit per natuurbeheertype of landschapselement.

Artikel 2.1 Doelgroep

1. Subsidie kan worden aangevraagd door:

a. natuurlijke personen, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

b. privaatrechtelijke rechtspersonen en Staatsbosbeheer, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

c. verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b;

d. rechtspersonen die overeenkomstig het in bijlage 6 opgenomen model een overeenkomst zijn aangegaan met natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b.

2. Onverminderd het eerste lid en in afwijking van artikel 2.3 kan subsidie worden aangevraagd door gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, voor zover deze voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd, subsidie ontvangen op basis van de Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant of de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant, waarbij:

a. de periode waarvoor de subsidie overeenkomstig de Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant of de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant wordt verstrekt op of na 31 december 2015 eindigt, en;

b. de subsidie natuurbeheer die op grond van de onderhavige regeling kan worden verstrekt niet later ingaat dan 1 januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin de in onderdeel a bedoelde subsidie eindigt.

3. Onverminderd het eerst lid, kan subsidie worden aangevraagd door personen als bedoeld in het eerste lid voor een natuurterrein waarvan zij nog geen eigenaar of erfpachter is indien tussen de aanvrager en de provincie voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd op het moment van aanvragen een koopovereenkomst is gesloten.