Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
201806356/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft het college, voor zover thans van belang, het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast vanwege de afzuiginstallaties, ventilatoren en airco-units aan de achterzijde van de inrichtingen Le Garage, Next Door en En Pluche, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806356/2/A1.

Datum uitspraak: 11 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

[appellante], wonend te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 24 juli 2018 in zaak nrs. 18/4115 en 18/2874 in het geding tussen:

[appellante]

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid (thans en hierna: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft het college, voor zover thans van belang, het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast vanwege de afzuiginstallaties, ventilatoren en airco-units aan de achterzijde van de inrichtingen Le Garage, Next Door en En Pluche, afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2016 heeft het college, voor zover thans van belang, het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast vanwege de afzuiginstallaties, ventilatoren en airco-units aan de achterzijde van de inrichtingen Le Garage, Next Door en En Pluche opnieuw, ditmaal met inachtneming van een door [appellante] overgelegd geluidsrapport van DPA Caubergh-Huygen, opnieuw afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2018, voor zover thans van belang, heeft het college de door [appellante] tegen de besluiten van 24 augustus 2016 en 26 september 2016 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, deze besluiten herzien en bepaald onverwijld over te gaan tot handhavend optreden, teneinde de geconstateerde overschrijding van de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) door het gebruik van deze afzuiginstallaties en ventilatoren te doen beëindigen.

Bij besluit van 20 maart 2018 heeft het college Le Garage B.V. gelast per direct de geluidshinder op het adres Ruysdaelstraat 54 te Amsterdam op te heffen door het gebruik van de afzuiginstallatie voor de keuken te beperken tot maximaal stand 3 en binnen zes weken de geluidshinder op te heffen door voorzieningen te treffen aan de afzuiginstallatie voor de keuken zodat het gebruik ervan niet meer leidt tot een overschrijding van de geldende geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit.

Bij uitspraak van 24 juli 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door [appellante] tegen de onderscheiden besluiten van 20 maart 2018 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2018, waar [appellante], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door K. Visser, E. de Groot en K.D. Partodimedjo, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Le Garage B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    De opgelegde last onder dwangsom houdt in dat Le Garage B.V. op de dag na afloop van de in de last genoemde begunstigingstermijnen een dwangsom verbeurt van € 2.500,00, tot een maximum van € 10.000,00 bij vier overtredingen. Het college heeft na inspectie op 7 juni 2018, waarbij is vastgesteld dat Le Garage niet heeft voldaan aan de last, op 4 juli 2018 besloten over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 2.500,00.

3.    [appellante] heeft de voorzieningenrechter verzocht de last onder dwangsom zodanig te herformuleren dat hiervan een voldoende prikkel uitgaat om de overtreding van de geluidsnormen op te heffen. Nu de dwangsom van € 2.500,00 inmiddels is verbeurd, kan volgens [appellante] niet nogmaals een dwangsom worden verbeurd omdat sprake is van dezelfde, voortdurende overtreding.

    Voorts is de opgelegde dwangsom volgens [appellante] te laag en dient in de nieuw te formuleren last niet te worden opgenomen op welke wijze aan de last dient te worden voldaan, aangezien het ook mogelijk is om op andere dan in de last opgenomen wijze te bewerkstelligen dat de geluidsoverlast wordt opgeheven, aldus [appellante].

3.1.    De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Anders dan [appellante] veronderstelt, maakt de omstandigheid dat inmiddels een dwangsom van € 2.500,00 is verbeurd niet dat in een voorkomend geval niet opnieuw een dwangsom kan worden verbeurd. Nu de afzuiginstallatie ’s nachts wordt uitgeschakeld is immers geen sprake van een voortdurende overtreding. Bij een nieuwe overtreding van de geldende geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit kan derhalve opnieuw een dwangsom worden verbeurd, aangezien in de last is vermeld dat Le Garage B.V. op de dag na afloop van de in de last genoemde begunstigingstermijnen een dwangsom verbeurt van € 2.500,00, tot een maximum van € 10.000,00 bij vier overtredingen. Het college heeft voorts ter zitting opgemerkt dat ter plaatse onaangekondigde inspecties zullen plaatsvinden. Voor het oordeel dat met de opgelegde last iedere prikkel tot het opheffen van overtreding van de geluidsnormen ontbreekt, bestaat derhalve naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen grond. Voorts heeft het college er terecht op gewezen dat is gebleken dat het dwangsombesluit en het daarin opgenomen bedrag, dat is gebaseerd op het op 19 september 2017 door het college vastgestelde Handhavingsbeleid Wabo, voldoende effectief was. Le Garage B.V. heeft immers omgevingsvergunning aangevraagd voor het treffen van geluidswerende voorzieningen aan de afzuiginstallatie en die voorzieningen zijn inmiddels getroffen.  

    Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is gezien het vorenstaande niet aannemelijk dat de op 20 maart 2018 opgelegde last onder dwangsom niet kan afdwingen dat Le Garage B.V. aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit voldoet. Dit betekent dat geen spoedeisend belang aanwezig is dat het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

4.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018

490.