Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2933

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
201804880/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:2857, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/426
JV 2018/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804880/1/V3.

Datum uitspraak: 4 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 juni 2018 in zaak nr. NL18.9964 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Igdeli, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De vreemdeling, een Dublinclaimant die rechtmatig verblijf geniet ingevolge artikel 8, aanhef en onder m van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), is op 25 mei 2018 in het asielzoekerscentrum te Echt staande gehouden, overgebracht naar het detentiecentrum Rotterdam en aldaar opgehouden krachtens artikel 50 van de Vw 2000. Diezelfde dag is hem een maatregel van bewaring krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 opgelegd. De staatssecretaris heeft daarin onderkend dat de vreemdeling ten onrechte is staande gehouden, opgehouden en overgebracht krachtens artikel 50 van de Vw 2000. Het voorgaande maakt de inbewaringstelling volgens de staatssecretaris echter niet onrechtmatig, aangezien zwaarwegende betekenis toekomt aan zijn belangen dat de overdrachtstermijn van de vreemdeling aan Duitsland bijna is verstreken, een vlucht is geboekt voor de overdracht van de vreemdeling op 31 mei 2018 en de vreemdeling niet wil meewerken zijn overdracht.

    In geschil is of aan de belangen van de staatssecretaris doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2992, overwogen dat de onrechtmatige staandehouding, overbrenging en ophouding van de vreemdeling de maatregel van bewaring eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank wegen de door het vastgestelde gebrek geschonden belangen van de vreemdeling niet op tegen de belangen van de staatssecretaris hem zo spoedig mogelijk over te dragen aan de Duitse autoriteiten. De op 1 juni 2018 opgeheven maatregel van bewaring is dan ook niet onrechtmatig geweest, aldus de rechtbank, zodat er geen grond is voor schadevergoeding.

Grief I

3.    In grief I klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen en de maatregel van bewaring derhalve van aanvang af onrechtmatig is.

Overwegingen

3.1.    De rechtbank heeft in lijn met eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016 terecht overwogen dat de staatssecretaris de belangen van de vreemdeling heeft geschonden door hem staande te houden, op te houden en over te brengen naar een detentiecentrum met het oogmerk hem in bewaring te stellen, terwijl hij wist dat daartoe geen rechtsgrondslag bestond. Evenwel is het gewicht dat aan de belangen van de staatssecretaris moet worden toegekend, anders dan het geval was in de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016, inmiddels sterk afgenomen. De staatssecretaris is immers al sinds voornoemde uitspraak op de hoogte van de onrechtmatigheid van zijn werkwijze. Desondanks bestaat er nog steeds geen rechtsgrondslag in de Vw 2000 dan wel het Vreemdelingenbesluit 2000 voor het staandehouden, ophouden en overbrengen van rechtmatig verblijvende Dublinclaimanten.

De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris er kennelijk bewust voor heeft gekozen om na de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016 en vervolgens ook nog na de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1491, de onrechtmatig geoordeelde werkwijze inzake het staandehouden, overbrengen en ophouden van rechtmatig verblijvende Dublinclaimanten, voort te zetten. Dit onrechtmatige handelen door de staatssecretaris heeft daarmee een structureel karakter gekregen. Niet langer kan worden aanvaard dat een dergelijk structureel onrechtmatig handelen wordt gepasseerd langs de weg van een belangenafweging. Dat is in zaken als deze slechts anders indien zich een dermate ernstige situatie voordoet, dat het risico dat het voornemen tot overdracht aan een andere lidstaat niet kan worden uitgevoerd, niet kan worden aanvaard. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.2.    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 25 mei 2018 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 25 mei 2018 tot 1 juni 2018, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 juni 2018 in zaak nr. NL18.9964;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 560,00 (zegge: vijfhonderdzestig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Vonk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018

638-839.