Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2930

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201708040/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Verplaatsing agrarisch bedrijf Juliana-Bernhardplein/Eilandseweg Nederhorst den Berg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2018/8048
JOM 2018/1061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708040/1/R1.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied, gevestigd te Maarssen (hierna: de Commissie),

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Nederhorst den Berg (hierna: de Stichting),

3.    [appellante sub 3], wonend te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Wijdemeren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Verplaatsing agrarisch bedrijf Juliana-Bernhardplein/Eilandseweg Nederhorst den Berg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Commissie, de Stichting en [appellante sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3] heeft nadere stukken ingediend.

De raad heeft desgevraagd bij brief van 22 mei 2018 nadere stukken ingediend en verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten aanzien van het formulier "Exploitatieopzet Ruimte voor Ruimte" van 22 april 2014, de brief omtrent de kostenraming voor de verplaatsing van het agrarisch bedrijf van 25 april 2014 van Van Westreenen, de brief omtrent de kostenraming voor de sloopwerkzaamheden aan het Juliana-Bernhardplein 6 van 8 april 2014 van [bedrijf A], en het taxatierapport van 25 april 2014 van [bedrijf B]. Bij beslissing van 29 mei 2018 heeft de Afdeling, in een andere samenstelling, het verzoek gedeeltelijk ingewilligd. Partijen is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de geheim te houden informatie uitspraak te doen. Partijen hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken.

De Commissie en de Stichting hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2018, waar de Commissie, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachitde B], bijgestaan door mr. J.P.M. van Beers, advocaat te ’s-Hertogenbosch, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, rechtsbijstandverlener te Leusden, en de raad, vertegenwoordigd door F.E. Lieste en H.J.W. van Emmerik, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde E], gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het plan voorziet in de verplaatsing van een agrarisch bedrijf, eigendom van [bedrijf C], naar een locatie aan de Eilandseweg, buiten het dorp Nederhorst den Berg. Deze verplaatsing wordt mogelijk gemaakt omdat het bedrijf op de huidige locatie geen mogelijkheden heeft om uit te breiden. De door de verplaatsing vrijkomende locatie aan het Juliana-Bernhardplein wordt benut voor woningbouw met bijbehorende infrastructuur. Het plan maakt 12 woningen in twee blokken van vier rijwoningen en vier vrijstaande woningen mogelijk. Verder zijn twee bedrijfswoningen bestemd als burgerwoning. De raad heeft beide onderdelen (zowel de nieuwe locatie van het agrarisch bedrijf als de woningbouwlocatie) in één bestemmingsplan opgenomen.

    De Commissie, de Stichting - eigenaar van een aan het plangebied voor de nieuwe woningen grenzend landgoed met kasteel - en [appellante sub 3] - omwonende - kunnen zich niet met het plan verenigen.

Ontvankelijkheid

2.    De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van de Stichting, gezien de afstand tussen het kasteel en het woningbouwproject en het ontbreken van zicht op het plangebied, niet-ontvankelijk is.

2.1.    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.    De locatie waar de twaalf woningen zullen worden gerealiseerd, grenst aan het perceel waarvan de Stichting eigenaar is. De Stichting bezit aldaar een kasteel en landgoed Nederhorst den Berg. Nu het perceel van de Stichting grenst aan het plangebied, kan niet uitgesloten worden geacht dat ter plaatse van het perceel van de Stichting feitelijke gevolgen van de realisering van het plan worden ondervonden. De door de raad aangevoerde omstandigheid dat het kasteel op een afstand ligt van ongeveer 100 m tot het eerste woningbouwvlak en circa 135 m tot het laatste woningbouwvlak, maakt het voorgaande niet anders, nu de Stichting eigenaar is van gronden rond het kasteel.

    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de Stichting belanghebbende is bij de vaststelling van de door haar bestreden plandelen.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van de Commissie

Kwetsbaar landschap

4.    De Commissie voert aan dat de nieuwe locatie van het agrarisch bedrijf in een zeer kwetsbaar landschap ligt, dat wordt bepaald door de rivier De Vecht en door de nabijheid van kasteel Nederhorst. De raad heeft volgens de Commissie onvoldoende rekening gehouden met het kwetsbare landschap, hetgeen blijkt uit de maximaal toegestane nokhoogte van 10 m en de zeer smalle groenstrook rond het agrarisch bedrijf.

4.1.    Op de verbeelding van het plan is aan de nieuwe locatie van het agrarisch bedrijf de bestemming "Agrarisch" toegekend.

    In het plan is het volgende bepaald:

"Artikel 3 Agrarisch

[…]

3.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

3.2.1 Gebouwen

[…]

b. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 10 m;

[…]"

4.2.    De raad heeft toegelicht dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) advies heeft gevraagd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ordening (hierna: ARO) over de verplaatsing van het agrarisch bedrijf. Het positieve advies van de ARO bevestigt volgens de raad de optimale inpassing van het agrarisch bedrijf in het Vechtstreeklandschap. De raad heeft verder toegelicht dat de nieuwe locatie van het agrarisch bedrijf zich bevindt te midden van het gebied waar het bestemmingsplan "Buitengebied Nederhorst den Berg" geldt, waarin is geregeld dat de toegestane bouwhoogte voor agrarische bedrijfsgebouwen maximaal 10 m bedraagt. De raad stelt zich onder verwijzing naar het advies van de ARO op het standpunt dat er geen reden bestaat om in dit plan af te wijken van deze bouwhoogte. De raad heeft verder toegelicht dat naar aanleiding van de zienswijze van de Commissie is beoordeeld wat voor bouwhoogte noodzakelijk is voor het agrarisch bedrijf. Gebleken is volgens de raad dat in verband met de eisen ten aanzien van het dierenwelzijn en de noodzakelijke luchtversheid een bouwhoogte van maximaal 10 m noodzakelijk is. Besloten is naar aanleiding van de zienswijze van de Commissie om de reguliere binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van de bouwhoogte tot 12 m en ten hoogste 10 procent van de maximale bouwhoogte, niet in de planregels op te nemen, aldus de raad. Gelet op het voorgaande en het positieve advies van de ARO, ziet de Afdeling in het summiere betoog van de Commissie geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van het agrarisch bedrijf.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het beroep van de Commissie is ongegrond.

Het beroep van de Stichting

Ingetrokken beroepsgrond

6.    Ter zitting heeft de Stichting de beroepsgrond over de openheid van het karakteristieke veenweidelandschap en de zichtlijn ingetrokken.

Winstpercentage Ruimte voor Ruimte

7.    De Stichting betoogt dat de raad ten onrechte heeft voorzien in de bouw van 12 woningen, omdat daarmee niet wordt voldaan aan het winstcriterium uit de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling waarmee deze ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Uit de exploitatieopzet volgt volgens de Stichting ten onrechte dat het winstpercentage 1,7% bedraagt. Hoewel de kosten en opbrengsten voor de Stichting niet inzichtelijk zijn omdat de cijfers voor haar niet kenbaar zijn gemaakt, stelt de Stichting dat de bouwkosten van de voorziene woningen te hoog en de grondwaarde van het perceel te laag moeten zijn ingeschat. Daarnaast stelt de Stichting dat de twee bestaande bedrijfswoningen die bestemd worden als burgerwoningen, ten onrechte in het geheel niet in de berekening lijken te zijn betrokken. Verder stelt de Stichting dat de waardevermeerdering van de grond ten onrechte niet in de exploitatieopzet is betrokken.

7.1.    Artikel 46a, eerste lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV), luidde ten tijde van belang:

"De verordening zoals die gold vóór 1 maart 2017 blijft van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan waarvan het ontwerp voor dit tijdstip ter inzage is gelegd, met dien verstande dat het besluit omtrent vaststelling binnen 2 jaar na dit tijdstip wordt genomen."

    Artikel 16 van Provinciale Ruimtelijke Verordening zoals die gold vóór 1 maart 2017 luidde:

"1. Een bestemmingsplan kan voorzien in de mogelijkheid van nieuwe woningen ter compensatie van storende agrarische bebouwing in het landelijk gebied als door deze ontwikkeling een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd.

2. Gedeputeerde staten stellen nadere regels omtrent het bepaald in het eerste lid."

7.2.    De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 46a, eerste lid, van de PRV, de PRV zoals die gold vóór 1 maart 2017 van toepassing is ten aanzien van dit bestemmingsplan, nu het ontwerp voor 1 maart 2017 ter inzage is gelegd. De nadere regels als bedoeld in artikel 16, tweede lid, zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling Ruimte voor Ruimte. Uit deze regeling volgt dat de opbrengsten uit de compensatiewoningen, grondverkoop en de waardestijging van de bestaande opstallen ten opzichte van de totale investeringen niet meer winst mogen opleveren dan 5%. Voor de beoordeling daarvan heeft de initiatiefnemer het formulier "Exploitatieopzet Ruimte voor Ruimte" verstrekt aan de raad en het expertteam van de provincie, die gemeenten en het college van gedeputeerde staten adviseert bij ontwikkelingen waarbij artikel 16 van de PRV wordt toegepast. Bij dit formulier is gevoegd: kostenramingen voor de verplaatsing en sloopwerkzaamheden, een berekening van de verplaatsingskosten, een taxatierapport en een landschapsanalyse. Bij brief van 3 november 2014 heeft het college van gedeputeerde staten aangegeven dat het de ontwikkeling op basis van de aan hem toegestuurde stukken heeft beoordeeld en dat gebleken is dat niet meer woningen worden toegestaan dan noodzakelijk is om de sloop van de bebouwing te realiseren. Uit de door het expertteam en het college van gedeputeerde staten beoordeelde exploitatieopzet en de bijbehorende stukken komt naar voren dat een winstpercentage wordt behaald van 1,7%.

    De Afdeling is van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan in beginsel uit mag gaan van de positieve beoordeling door het expertteam en het college. Dit is pas anders op het moment dat er concrete aanknopingspunten worden aangedragen die aanleiding geven om aan deze positieve beoordeling te twijfelen. De Afdeling ziet, na kennisneming van de exploitatieopzet, de kostenramingen en het taxatierapport, in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van de juistheid van de positieve beoordeling van het expertteam en het college, en dus van het winstpercentage van 1,7%, uit heeft kunnen gaan. Daarbij is van belang dat de te handhaven gebouwen, anders dan de Stichting veronderstelt, wél in de berekening zijn betrokken. Verder is van belang dat de gronden waarop de vrijstaande woningen zijn voorzien, als kavel - en dus onbebouwd - worden verkocht.  

    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het beroep van de Stichting is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

Ontsluiting

9.    [appellante sub 3] voert aan dat ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwe woningen slechts één nieuwe weg zal worden gerealiseerd, direct langs haar woning en voortuin. Daardoor zal haar woon- en leefklimaat op onevenredige wijze worden aangetast, nu de directe omgeving thans wordt gekenmerkt door rust en een vrij en weids uitzicht op een groen en uitgestrekt weiland. Hiertoe stelt [appellante sub 3] dat het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk zal toenemen en dat de raad dit aantal te bescheiden heeft vastgesteld, wat volgens haar alleen al blijkt uit het aantal voorziene extra parkeerplaatsen. Er worden 30 parkeerplaatsen gerealiseerd terwijl de raad is uitgegaan van zes verkeersbewegingen per woning, aldus [appellante sub 3]. Verder stelt [appellante sub 3] dat niet valt in te zien in hoeverre een verlaging van de snelheid naar 30 km/uur bijdraagt aan een beperking van geluidhinder. Hierbij merkt [appellante sub 3] op dat de snelheid in een afzonderlijk verkeersbesluit dient te worden vastgelegd en dat de raad voorbij gaat aan het verkeer van bezoekers, waaronder leveranciers.

    Voorts voert van Beusekom-de Heus aan dat er sprake is van willekeur, nu niet valt te begrijpen dat bij een eerder verzoek van het agrarisch bedrijf een ontsluiting ten behoeve van dat bedrijf juist op deze locatie door de raad werd afgewezen.

    Verder voert [appellante sub 3] aan dat haar woning door de voorziene ontsluiting van de nieuwe woningen zal worden omringd door wegen, terwijl er een alternatieve, reeds bestaande, ontsluitingsweg bestaat. Een ontsluitingsweg in het oosten op het Juliana-Bernardplein is volgens [appellante sub 3] een ontsluitingsvariant met aanmerkelijk minder nadelen, te meer nu op die locatie ook de huidige inrit van het agrarisch bedrijf is gesitueerd.

9.1.    Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 3] dat de raad het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan te laag heeft geschat, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat de ontsluitingsweg 12 woningen gaat ontsluiten. Bij het ontwerpplan is de raad uitgegaan van zes verkeersbewegingen per woning per dag. De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 3] de toename van het aantal verkeersbewegingen herberekend aan de hand van de kencijfers van het CROW - het landelijk kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur - zoals neergelegd in publicatie 317. Onder verwijzing naar deze kencijfers en het aantal en het soort woningen dat in het plan mogelijk wordt gemaakt, is de raad bij de vaststelling van het plan uitgegaan van in totaal 87,2 verkeersbewegingen per dag. Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling in het betoog van [appellante sub 3] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op onjuiste aantallen heeft gebaseerd bij de berekening van het aantal verkeersbewegingen. Daarbij is van belang dat, anders dan [appellante sub 3] stelt, rekening is gehouden met bezoekers, nu deze bij de kencijfers van het CROW zijn inbegrepen.

    Het betoog faalt in zoverre.

9.2.    Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 3] dat de ontsluitingsweg zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van haar woon- en leefklimaat, overweegt de Afdeling als volgt. Tussen de woning van [appellante sub 3] en de voorziene ontsluitingsweg die uitkomt op de Torenweg ligt ongeveer 17,5 m afstand. Tussen de tuin van de woning en de ontsluitingsweg is in het plan een groenstrook voorzien van ongeveer 6 m breed. Gelet op het feit dat [appellante sub 3] vanuit haar woning aan de desbetreffende zijde thans niet uitkijkt op een weg, maar op een weiland en bosschages, is enige aantasting van de privacy en het woongenot van [appellante sub 3] niet uit te sluiten. Gezien de te verwachten beperkte verkeersintensiteit op de ontsluitingsweg, de voorziene groenstrook van ongeveer 6 m breed, de beperkte inbreuk op het uitzicht over het weiland dat [appellante sub 3] en de maximumsnelheid van 30 km/u die zal gelden op de ontsluitingsweg, heeft de raad zich echter naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontsluitingsweg niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellante sub 3]. Daarbij is van belang dat, anders dan [appellante sub 3] stelt, een maximumsnelheid van 30 km/u kan bijdragen aan de beperking van geluidhinder. Naar het oordeel van de Afdeling is genoegzaam gebleken dat het gemeentebestuur voor de ontsluitingsweg waarin het plan voorziet, een snelheidsregime van 30 km/u zal invoeren, nu de raad dit in de Nota van zienswijzen en in deze procedure heeft aangegeven, op de Torenweg - waar de voorziene ontsluitingsweg op uitkomt - eveneens een maximumsnelheid geldt van 30 km/u en het gemeentebestuur het in zijn macht heeft om tot instelling van een snelheidsregime van 30 km/u over te gaan.

    Het betoog faalt in zoverre.

9.3.    Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 3] dat er sprake is van willekeur, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat de situatie niet vergelijkbaar is met de door [appellante sub 3] aangehaalde situatie. Aan het verzoek van het agrarisch bedrijf is destijds geen medewerking verleend vanwege het ontbreken van noodzaak, omdat het agrarisch bedrijf al werd ontsloten aan de voorzijde. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van willekeur.

    Het betoog faalt in zoverre.

9.4.    De Afdeling overweegt over het door [appellante sub 3] naar voren gebrachte alternatief het volgende. Het plan voorziet in de realisatie van een ontsluitingsweg langs het perceel van [appellante sub 3]. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Naar aanleiding van het door [appellante sub 3] in haar zienswijze aangedragen alternatief heeft de raad de keuze voor de in het plan voorziene ontsluiting van de 12 woningen gemotiveerd. Daartoe heeft de raad gesteld dat hoewel de alternatieve weg reeds bestaat en in de bestaande situatie - vóór verplaatsing van het agrarisch bedrijf - fungeert als ontsluitingsweg van het agrarisch bedrijf, gebruikmaking van deze route als alternatieve ontsluitingsweg onwenselijk is vanwege de ligging van die ontsluitingsweg en de belangen van de bewoners van twee bestaande woningen waartussen de weg ligt. De raad heeft aldus de voor- en nadelen van het door [appellante sub 3] aangedragen alternatief meegenomen in zijn belangenafweging en gemotiveerd een keuze gemaakt. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gelet op het vorenstaande niet in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen de in het plan voorziene ontsluiting heeft kunnen verkiezen boven het door [appellante sub 3] genoemde alternatief.

    Het betoog faalt in zoverre.

Parkeerplaatsen

10.    [appellante sub 3] stelt dat de exacte locatie van de beoogde parkeerplaatsen vastgelegd dient te worden in het plan, omdat er nu sprake is van een rechtsonzekere situatie doordat parkeervoorzieningen op zeer korte afstand van haar woning kunnen worden gerealiseerd.

10.1.    Aan de zogenoemde openbare ruimte is de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend. De woonkavels hebben deels de bestemming "Wonen" en deels de bestemming "Tuin".

    In het plan is het volgende bepaald:

"Artikel 6 Tuin

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

b. parkeervoorzieningen;

[…]

Artikel 9 Verkeer- Verblijfsgebied

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals […], parkeervoorzieningen, […].

[…]

Artikel 11 Wonen

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals […], parkeervoorzieningen, […].

[…]"

10.2.    De Afdeling overweegt dat het tot de beleidsruimte van de raad behoort om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

    In de toelichting bij het plan staat dat in het plangebied 22 openbare parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd en acht parkeerplaatsen op de kavels. Het plan voorziet niet in een aanduiding van de specifieke locaties van parkeervoorzieningen. Uit de planregels volgt wel duidelijk binnen welke bestemmingen parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat hiermee sprake is van een rechtsonzekere situatie.

    Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

11.    [appellante sub 3] voert aan dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet zonder meer is gegarandeerd, omdat niet zeker is of er daadwerkelijk voldoende aanbod van fosfaatrechten is om de beoogde uitbreiding van het agrarisch bedrijf op de nieuwe locatie te kunnen realiseren. Het is volgens [appellante sub 3] een gegeven dat met name de ontwikkelingen inzake de mestproblematiek en fosfaatreductieregelingen een prijsopdrijvend effect hebben op het beschikbare aanbod van fosfaatrechten.

11.1.    De raad heeft toegelicht dat voor de voorziene uitbreiding van het aantal stuks melkvee fosfaatrechten moeten worden aangekocht, dat vooruitlopend op de invoering van het stelsel van fosfaatrechten al fosfaatrechten van stoppende veehouders of agrarische bedrijven die inkrimpen worden aangeboden en dat er op dit moment al voldoende aanbod van fosfaatrechten is om de uitbreiding te kunnen realiseren. De raad heeft verder toegelicht dat op basis van een financiële onderbouwing aannemelijk is gemaakt dat het plan economisch uitvoerbaar is.

11.2.    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Mede nu het gaat om een reeds bestaand bedrijf dat in het bezit is van fosfaatrechten voor 80 koeien met jongvee, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd.

    Het betoog faalt.

Conclusie

12.    Het beroep van [appellante sub 3] is ongegrond.

Proceskosten

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Sparreboom

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

195-849.