Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201602264/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3345, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 14 januari 2016 te herstellen. Het bestemmingsplan "N331 Hasselt" (hierna: het plan) dat de raad bij besluit van 14 januari 2016 heeft vastgesteld voorziet in de aanleg van twee rotondes: bij de kruising van de N331 met de N759 en de kruising van de N331 met de N377.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602264/3/R3.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

2.    [appellant sub 2], wonend te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

3.    [appellant sub 3], wonend te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zwartewaterland,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3345, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 14 januari 2016 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft bij brief van 29 mei 2018 aan de Afdeling medegedeeld dat hij de gebreken in het besluit van 14 januari 2016 heeft hersteld door middel van een nadere motivering.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

Bij brief van 19 juli 2018 zijn partijen ervan op de hoogte gesteld dat mr. Th.C. van Sloten niet langer deel uitmaakt van de meervoudige kamer die deze zaak behandelt en dat hij is vervangen door mr. G. van der Wiel. Partijen hebben de Afdeling desgevraagd toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan "N331 Hasselt" (hierna: het plan) dat de raad bij besluit van 14 januari 2016 heeft vastgesteld voorziet in de aanleg van twee rotondes: bij de kruising van de N331 met de N759 en de kruising van de N331 met de N377. De aanleg van deze rotondes zijn onderdeel van het project "N331 VOC’s Hasselt" dat tot doel heeft de verkeersveiligheid en doorstroming bij Hasselt te verbeteren. De provincie Overijssel is wegbeheerder van de N331.

2.    [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wonen in de omgeving van het plangebied. Zij vrezen in het bijzonder dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat door onder meer geluidhinder.

De tussenuitspraak

3.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak verschillende gebreken geconstateerd in de akoestische onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn verricht.

3.1.    In overweging 14 van de tussenuitspraak is vermeld dat aan het plan dat op 14 januari 2016 is vastgesteld het akoestisch onderzoek van Geluid Plus Adviseurs van 27 september 2015 ten grondslag ligt. Na de vaststelling van het plan heeft Geluid Plus Adviseurs in opdracht van de raad nieuwe onderzoeken verricht naar de akoestische effecten van de in het plan voorziene wegaanpassingen. De redenen voor deze nieuwe onderzoeken zijn de conclusie van de raad dat verschillende (recreatie)woningen aan onder meer de Van Nahuysweg ten onrechte niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek van 27 september 2015 en een gewijzigd inzicht van de raad over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de verschillende geluidreducerende maatregelen die in het kader van het plan zullen worden getroffen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het daaraan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, aldus de Afdeling in de tussenuitspraak.

4.    Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting heeft de Afdeling in de tussenuitspraak op basis van de aangevoerde beroepsgronden de na de planvaststelling verrichte akoestische onderzoeken beoordeeld. Ook ten aanzien van deze onderzoeken heeft de Afdeling in de tussenuitspraak verschillende gebreken geconstateerd.

4.1.    In overweging 24.1 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad te kennen heeft gegeven dat in de akoestische onderzoeken van Geluid Plus Adviseurs geen rekening is gehouden met de verkeerseffecten van de in het plan voorziene aansluiting van het Justitie Bastion op de Zwartewaterweg. De raad heeft de Afdeling verzocht deze aansluiting niet langer deel te laten uitmaken van het plan door het plandeel met de bestemming "Verkeer" en de daarop rustende dubbelbestemmingen ter plaatse te vernietigen, zo staat in de tussenuitspraak. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak op basis van het gewijzigde standpunt van de raad geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de in het plan voorziene aansluiting van het Justitie Bastion op de Zwartewaterweg niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. In de tussenuitspraak is vermeld dat dit plandeel in de einduitspraak zal worden vernietigd.

4.2.    Voorts heeft de Afdeling in overweging 32.2 van de tussenuitspraak naar aanleiding van de betogen van [appellant sub 1] en anderen geconcludeerd dat de raad ten onrechte heeft nagelaten voorafgaand aan de planvaststelling te onderzoeken of het plan leidt tot een toename van hinder van laagfrequent geluid van de voegovergangen in de brug over het Zwarte Water (hierna ook wel genoemd: de Zwartewaterbrug) en of deze toename uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar kan worden geacht.

4.3.    Verder heeft de Afdeling in overweging 40 van de tussenuitspraak geconcludeerd dat onzekerheid bestaat over de effecten van de geluidreducerende maatregelen die in het kader van het plan zullen worden getroffen. De Afdeling heeft er daarbij op gewezen dat de raad tijdens de tweede zitting aanvullende geluidreducerende maatregelen heeft voorgesteld waarvan de door Geluid Plus Adviseurs berekende effecten bij de woningen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet zijn overgelegd.

    In dit verband heeft de Afdeling onder 42 van de tussenuitspraak vermeld dat omdat nog geen duidelijkheid bestaat over de vraag of met de voorgestelde geluidreducerende maatregelen de toename van de geluidbelasting als gevolg van het plan bij de woningen nabij het plangebied beperkt blijft tot minder dan 1,5 dB, nog geen oordeel kan worden gegeven over het betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] dat voor hun woningen voorafgaand aan de planvaststelling hogere waarden hadden moeten worden vastgesteld op basis van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vermeld dat dit betoog in de einduitspraak zal worden beoordeeld.

5.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van 14 januari 2016 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling vermeldt hierbij ter toelichting dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk is verklaard, voor zover het beroep is ingediend door [persoon A], [persoon B] en [persoon C].

Opdracht in de tussenuitspraak

6.    In overweging 52, onder a, van de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen zich met inachtneming van overweging 32.2 van de uitspraak met behulp van geluidmetingen een oordeel te vormen over de effecten van het plan op de mate van hinder van laagfrequent geluid als gevolg van de aanstotingen van de voegovergangen in de Zwartewaterbrug.

7.    In overweging 52, onder b, van de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen met inachtneming van overweging 40 van de uitspraak nader inzichtelijk te maken wat de effecten zijn van de realisatie van de in de uitspraak genoemde geluidreducerende maatregelen.

8.    De raad heeft in zijn brief van 29 mei 2018 een nadere motivering gegeven. Bij deze nadere motivering heeft de raad een onderzoeksrapport overgelegd van M+P raadgevende ingenieurs B.V. van 14 mei 2018 getiteld "Geluidmetingen aan de Zwartewaterbrug in Hasselt" (hierna: het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V.). Blijkens dit rapport is onder meer onderzoek gedaan naar de geluidhinder van de voegovergangen in de Zwartewaterbrug. Voorts heeft de raad bij zijn nadere motivering een onderzoeksrapport overgelegd van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 getiteld "Akoestisch onderzoek reconstructie N331 te Hasselt" (hierna: het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018). Blijkens dit rapport is onderzoek gedaan naar de effecten van de geluidreducerende maatregelen waarvan de raad en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tijdens de tweede zitting hebben toegezegd deze maatregelen te zullen treffen.

9.    In het onderstaande zal de Afdeling aan de hand van de door [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] naar voren gebrachte zienswijzen beoordelen of de raad met de nadere motivering en de daarbij overgelegde onderzoeksrapporten heeft voldaan aan de twee opdrachten in de tussenuitspraak. Indien de gebreken in het besluit van 14 januari 2016 zijn hersteld, geeft dat aanleiding de rechtsgevolgen van dat besluit - met uitzondering van de in het plan voorziene aansluiting van het Justitie Bastion op de Zwartewaterweg; vergelijk overweging 4.1 - in stand te laten.

Voegovergangen

10.    [appellant sub 1] en anderen hebben voorafgaand aan de eerste zitting betoogd dat in de akoestische onderzoeken van Geluid Plus Adviseurs ten onrechte geen rekening is gehouden met de geluidhinder van de voegovergangen in de Zwartewaterbrug. In het tweede deskundigenbericht dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) in deze zaak heeft uitgebracht, is naar aanleiding van dit betoog toegelicht dat het voegen- en brugdekgeluid als een aparte laagfrequente geluidsbron kan worden beschouwd, los van de beoordeling van het normale band-wegdekgeluid op basis van de Wgh. Dit betreft een aanvullende beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zo staat in de tussenuitspraak. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de raad in dit geval gehouden was een dergelijke beoordeling te verrichten. Daarbij heeft de Afdeling van belang geacht dat blijkens het in deze zaak uitgebrachte tweede en derde deskundigenbericht het plan op de Zwartewaterbrug leidt tot een verschuiving van verkeer van de Zwartewaterweg naar de hoofdrijbaan: de N331. Deze verschuiving kan volgens de StAB gevolgen hebben voor de mate waarin hinder van laagfrequent geluid van de voegovergangen optreedt. Daarbij heeft de StAB toegelicht dat op de N331 een hogere maximumsnelheid geldt, namelijk 80 km/uur, dan op de Zwartewaterweg, waar de maximumsnelheid 50 km/uur bedraagt. De rijsnelheid is volgens de StAB een van de bepalende factoren voor de mate waarin trillingen in het brugdek kunnen optreden, waarbij vrachtverkeer in het bijzonder verantwoordelijk zal zijn voor de grootste aanstotingen van de voegovergangen en het brugdek.

11.    M+P raadgevende ingenieurs B.V. heeft na de tussenuitspraak door middel van geluidmetingen onderzoek gedaan naar de hinder van laagfrequent geluid van de voegovergangen in de Zwartewaterbrug. Daarbij is beoordeeld wat de effecten zijn van de als gevolg van het plan verwachte verschuiving van een deel van het verkeer van de Zwartewaterweg naar de N331. In het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. staat dat de laagfrequente geluidopwekking wordt gedomineerd door vrachtwagens die over de voegovergangen rijden. Er wordt geen verandering verwacht in de laagfrequente geluidopwekking, omdat als gevolg van het plan weinig of geen verschuiving van vrachtverkeer zal optreden tussen de Zwartewaterweg en de N331, zo staat in het rapport. Op de Zwartewaterweg geldt een inrijverbod voor vrachtwagens. Vrachtwagens mogen alleen via de N331 de Zwartewaterbrug oversteken, aldus M+P raadgevende ingenieurs B.V. Sporadisch zijn er vrachtwagens die toch de Zwartewaterweg gebruiken. Tijdens de metingen is slechts één vrachtwagen op de Zwartewaterweg gemeten, zo staat in het rapport. Wel reden er meerdere tractoren en stadsbussen, maar dit verkeer zal volgens het rapport ook in de toekomst op de Zwartewaterweg blijven rijden.

    Een verschuiving van verkeer, en daarmee toename van het opgewekte geluid, is wel relevant voor lichte motorvoertuigen, aldus het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. In het rapport staat dat de gemeten toename van geluid ten gevolge van de voegovergangen bestaat uit twee delen: de voegen op de N331 blijken iets luider dan de voegen op de Zwartewaterweg en de gemiddelde rijsnelheid op de N331 is iets hoger dan op de Zwartewaterweg. De combinatie van de gemeten luidere voegen en de gemeten snelheidstoename leidt op grond van de voorspelling van het aantal te verschuiven lichte motorvoertuigen tot een toename van 1,46 dB(A), aldus M+P raadgevende ingenieurs B.V. Deze toename betreft hoogfrequent geluid en draagt niet bij aan een verandering van de laagfrequente geluidemissie, zo staat in het rapport.

    De raad heeft in zijn nadere motivering van 29 mei 2018 onder verwijzing naar het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. gesteld dat de verandering van laagfrequent geluid als gevolg van het plan nihil is en dat het plan op dit punt daarom uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

De zienswijze van [appellant sub 1] en anderen

12.    [appellant sub 1] en anderen betogen in hun zienswijze dat de onderzoeksresultaten van M+P raadgevende ingenieurs B.V. niet representatief zijn. Zij voeren ter onderbouwing het volgende aan.

    Volgens [appellant sub 1] en anderen is in het onderzoek ten onrechte aangenomen dat op de Zwartewaterbrug weinig tot geen vrachtwagens gebruik maken van de Zwartewaterweg. [appellant sub 1] en anderen wijzen daarbij op de geluidrapporten van Geluid Plus Adviseurs waarin volgens hen voor de Zwartewaterweg wel degelijk wordt uitgegaan van een niet gering aantal vrachtwagens, namelijk 472 middelzware en 523 zware motorvoertuigen per jaargemiddeld etmaal in het peiljaar 2017 en 379 middelzware en 326 zware motorvoertuigen per jaargemiddeld etmaal in het peiljaar 2018.

    Daarnaast blijkt volgens [appellant sub 1] en anderen uit de geluidrapporten van Geluid Plus Adviseurs dat het vrachtverkeer op de brug toeneemt van 0,75% per jaar naar 1,1% per jaar in de plansituatie. Extra vrachtwagenbewegingen betekent meer aanstotingen van de voegovergangen en daarmee ook meer hinder van laagfrequent geluid, aldus [appellant sub 1] en anderen. Volgens hen heeft M+P raadgevende ingenieurs B.V. in haar onderzoek geen rekening gehouden met de als gevolg van het plan verwachte toename van het aantal vrachtwagenbewegingen op de brug.

    Verder wijzen [appellant sub 1] en anderen erop dat zij na de tussenuitspraak bij de voorzieningenrechter van de Afdeling een verzoek hebben ingediend het plan te schorsen, omdat na de tussenuitspraak met de werkzaamheden is begonnen. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3556, afgewezen. In de uitspraak is vermeld dat ter zitting is verklaard dat de geluidmetingen aan de brug zullen worden verricht tijdens de zogenoemde "fase 0" van de werkzaamheden. Tijdens deze fase, die voornamelijk bestond uit voorbereidende werkzaamheden, reed nog voldoende verkeer en verschillende typen vrachtverkeer en personenauto’s over de brug met een snelheid van 80 km/uur, waardoor de werkzaamheden niets zouden afdoen aan de representativiteit van de geluidmetingen, zo blijkt volgens [appellant sub 1] en anderen uit de uitspraak van de voorzieningenrechter. De metingen zijn echter uitgevoerd tijdens de zogenoemde "fase 1", in welke fase daadwerkelijk veranderingen aan de weg plaatsvinden. Dit heeft tot gevolg dat de geluidmetingen niet representatief zijn, aldus [appellant sub 1] en anderen. Zij stellen in dit verband dat uit het rapport van M+P ingenieurs B.V. blijkt dat de lichte motorvoertuigen tijdens de metingen gemiddeld 65 km/uur reden en het vrachtverkeer gemiddeld 59 km/uur, terwijl 80 km/uur is toegestaan. Voorts zijn de metingen volgens [appellant sub 1] en anderen niet uitgevoerd met lege containerwagens. Juist deze voertuigen zorgen volgens hen voor veel geluidhinder bij het aanstoten van de voegovergangen.

12.1.    Ter beoordeling staat of het plan leidt tot een toename van hinder van laagfrequent geluid en of deze toename uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. De StAB heeft in het tweede deskundigenbericht dat in deze procedure is uitgebracht toegelicht dat in het bijzonder het vrachtverkeer verantwoordelijk is voor de grootste aanstotingen van de voegovergangen en het brugdek. Dit wordt bevestigd in het rapport M+P raadgevende ingenieurs B.V. Daarnaast is de rijsnelheid blijkens het derde deskundigenbericht van de StAB van belang. Een hogere rijsnelheid leidt tot meer trillingen in het brugdek en daarmee mogelijk tot meer hinder van laagfrequent geluid van de voegovergangen, aldus de StAB.

12.2.    Zowel in de deskundigenberichten van de StAB als in het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. is vermeld dat de in het plan voorziene wegaanpassingen tot gevolg hebben dat op de brug een deel van het verkeer zal verschuiven van de Zwartewaterweg (de parallelweg) naar de N331 (de hoofdrijbaan). Tussen partijen bestaat verschil van mening over de vraag of deze verschuiving zich ook voordoet bij het vrachtverkeer, welk verkeer in het bijzonder verantwoordelijk is voor de grootste aanstotingen van de voegovergangen en het brugdek. In het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. is vermeld dat vrachtwagens alleen via de N331 de Zwartewaterbrug mogen oversteken en dat daarom als gevolg van het plan op de brug weinig of geen verschuiving van vrachtverkeer zal optreden tussen de Zwartewaterweg en de N331. De raad bevestigt in zijn nadere motivering dat in de huidige situatie op de Zwartewaterweg ter plaatse van de brug sprake is van een inrijverbod voor vrachtverkeer. Dat dit inrijverbod geldt, hebben [appellant sub 1] en anderen niet weersproken. De Afdeling stelt vast dat ook in het rapport "Plan in Hoofdlijnen" dat de provincie Overijssel in oktober 2013 in het kader van het project "N331 VOC’s Hasselt" heeft opgesteld (hierna: het Plan in Hoofdlijnen) het inrijverbod is vermeld. Vermeld is dat op de parallelweg op de Zwartewaterbrug een verbod geldt voor vrachtverkeer vanaf het kruispunt parallelweg/Hoogstraat tot aan het kruispunt parallelweg/N759. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanknopingspunten aan de feitelijke juistheid hiervan te twijfelen. Gelet op het in de huidige situatie geldende inrijverbod voor vrachtverkeer, volgt de Afdeling de conclusie in het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. dat ervan kan worden uitgegaan dat als gevolg van het plan op de brug geen verschuiving zal plaatsvinden van vrachtverkeer van de Zwartewaterweg naar de N331. Dat volgens [appellant sub 1] en anderen in de verkeerscijfers die zijn gehanteerd in de onderzoeken van Geluid Plus Adviseurs wel wordt uitgegaan van een niet gering aantal vrachtwagens op de Zwartewaterweg - daargelaten de juistheid van die stelling - brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Indien zich op de brug vrachtverkeer op de Zwartewaterweg bevindt, hetgeen volgens het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. slechts sporadisch gebeurt, betreft dat in de huidige situatie een illegale situatie waartegen handhavend kan worden opgetreden. Met een dergelijke situatie heeft de raad in redelijkheid geen rekening hoeven houden in zijn onderzoek naar de gevolgen van het plan op de hinder van laagfrequent geluid van de voegovergangen.

12.3.    Verder wijst de Afdeling erop dat de StAB in zijn derde deskundigenbericht op basis van een analyse van de door Geluid Plus Adviseurs gehanteerde verkeerscijfers en de daaraan ten grondslag liggende verkeerscijfers afkomstig uit het Plan in Hoofdlijnen heeft geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een toename van het totale aantal vrachtwagenbewegingen op de Zwartewaterbrug. Dat het plan anders dan de StAB concludeert wel tot gevolg heeft dat het aantal vrachtwagenbewegingen op de brug toeneemt, namelijk volgens [appellant sub 1] en anderen van 0,75% naar 1,1% jaarlijkse groei in de plansituatie, leidt de Afdeling niet af uit de verkeerscijfers die zijn vermeld in de rapporten van Geluid Plus Adviseurs. De Afdeling ziet in de door [appellant sub 1] en andere niet nader onderbouwde stelling geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de StAB dat het plan geen toename van het totale vrachtverkeer op de brug en in zoverre dus geen extra hinder van laagfrequent geluid tot gevolg heeft.

12.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van M+P raadgevende ingenieurs B.V. dat de als gevolg van het plan verwachte verkeersverschuiving van de Zwartewaterweg naar de N331 op de Zwartewaterbrug in het bijzonder lichte motorvoertuigen betreft. Lichte motorvoertuigen produceren op de brug hoogfrequent geluid en dragen volgens M+P raadgevende ingenieurs B.V. niet veel bij aan de laagfrequente geluidemissie. De Afdeling ziet evenmin aanleiding aan deze conclusie te twijfelen en wijst er daarbij op dat ook de StAB in het tweede deskundigenbericht heeft vermeld dat in het bijzonder de vrachtwagenbewegingen, zijnde de middelzware en zware voertuigen, verantwoordelijk zijn voor de grootste aanstotingen van de voegovergangen en het brugdek. Doordat de lichte motorvoertuigen boven de brug hoogfrequent geluid produceren en niet veel bijdragen aan de laagfrequente geluidemissie, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het voor de onderzoeksresultaten van belang is dat de metingen volgens [appellant sub 1] en anderen zijn uitgevoerd in de zogenoemde "fase 1", waarbij de wegwerkzaamheden zijn gestart en de rijsnelheid van de lichte motorvoertuigen mogelijk lager is dan de maximaal toegestane snelheid.

12.5.    Voor zover [appellant sub 1] en anderen tot slot hebben gesteld dat de metingen niet zijn uitgevoerd met lege containerwagens, wijst de Afdeling erop dat in het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. is vermeld dat voor de metingen een beladen en een onbeladen vrachtwagen zijn gehuurd. Met deze vrachtwagens zijn gecontroleerd passagemetingen uitgevoerd aan de N331 en de Zwartewaterweg, zo staat in het rapport. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de feitelijke juistheid hiervan te twijfelen. De stelling dat geen metingen zijn uitgevoerd met lege containerwagens mist dan ook feitelijke grondslag.

12.6.    Gelet op het vorenstaande, ziet de Afdeling in de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen geen aanleiding het standpunt van de raad dat het plan niet leidt tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare toename van hinder van laagfrequent geluid, onredelijk te achten.

12.7.    De betogen van [appellant sub 1] en anderen falen.

De zienswijzen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3]

13.    Ook [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben in hun zienswijzen opmerkingen geplaatst bij het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. De Afdeling laat deze opmerkingen wegens strijd met de goede procesorde buiten inhoudelijke bespreking. Ter onderbouwing overweegt de Afdeling als volgt.

    In haar brief van 4 juni 2018 heeft de Afdeling appellanten in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen over de nadere motivering van de raad. Daarbij heeft de Afdeling erop gewezen dat de zienswijzen niet bij de einduitspraak kunnen worden betrokken indien in het beroep tegen het plan geen gronden zijn aangevoerd over het onderwerp van de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Deze situatie doet zich in dit geval voor. Na binnenkomst van de beroepschriften die tegen het plan zijn gericht, heeft de Afdeling bij brief van 15 augustus 2016 aan appellanten medegedeeld dat de Afdeling in deze procedure de StAB als deskundige heeft benoemd. In de brief is vermeld dat het van belang is dat de deskundige bij de start van zijn onderzoek een volledig overzicht heeft van de gronden van het beroep en dat daarom na drie weken na dagtekening van deze brief in ieder geval geen nieuwe gronden meer kunnen worden ingediend. Binnen deze termijn hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief van 31 augustus 2016 een nader stuk ingediend waarin zij in aanvulling op hun beroepschrift onder meer hebben betoogd dat in de geluidonderzoeken van Geluid Plus Adviseurs ten onrechte geen rekening is gehouden met de geluidhinder van de voegovergangen in de Zwartewaterbrug. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben in hun beroepschrift en de nadere stukken die zij voorafgaand aan de eerste zitting hebben ingediend op dit punt geen beroepsgronden aangevoerd. De Afdeling verwijst hierbij ook naar de in overweging 52, onder a, van de tussenuitspraak gegeven opdracht over laagfrequent geluid waarin wordt verwezen naar overweging 32.2 van de tussenuitspraak. In deze overweging zijn de betogen van [appellant sub 1] en anderen over hinder van laagfrequent geluid van de voegovergangen besproken en is geconcludeerd dat hun betogen op dit punt slagen. Een vergelijkbare overweging met betrekking tot [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ontbreekt. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van andere partijen, kan niet worden aanvaard dat [appellant sub 2] en [appellant sub 3] in hun zienswijze gronden aanvoeren over de in de tussenuitspraak naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] en anderen gegeven opdracht over laagfrequent geluid van voegovergangen, over welk onderwerp zij zelf in hun beroep en nadere stukken voorafgaand aan de inschakeling van de StAB geen gronden hebben aangevoerd. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd over het door M+P raadgevende ingenieurs B.V. verrichte onderzoek naar laagfrequent geluid van de voegovergangen in de Zwartewaterbrug wegens strijd met de goede procesorde buiten inhoudelijke bespreking blijft.

Geluidreducerende maatregelen

14.    In overweging 35 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in het tweede deskundigenbericht dat in deze procedure is uitgebracht, is vermeld dat bij de woning van [appellant sub 3], enkele woningen van [appellant sub 1] en anderen en bij de woning van [appellant sub 2] de geluidbelasting als gevolg van het plan zal toenemen met meer dan 1,5 dB. Daarmee is sprake van een reconstructie van een weg in de zin van de Wgh. Blijkens de akoestische onderzoeken van Geluid Plus Adviseurs en de stukken van de raad, beoogt de raad deze toename te beperken tot minder dan 1,5 dB door middel van het nemen van geluidreducerende maatregelen, zo staat in de tussenuitspraak. Deze geluidreducerende maatregelen bestaan blijkens de overwegingen 38 tot en met 40 van de tussenuitspraak uit de realisatie van geluidreducerend asfalt, een geluidswal bij Sluizerdijk 1 en verschillende geluidschermen op en nabij de Zwartewaterbrug. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen inzichtelijk te maken wat de effecten van deze geluidreducerende maatregelen zijn bij de woningen van appellanten.

15.    In paragraaf 5.4.8 van het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 is naar aanleiding van de tussenuitspraak uiteengezet welke geluidreducerende maatregelen in het kader van het plan worden gerealiseerd. Over het geluidreducerend asfalt is vermeld dat de wegdekverharding voor de Vaartweg/N377 tussen de rotonde (kern) met de Zwartsluizerweg/N331 en de Buiten de Venepoort wordt vervangen door SMA-NL5. Voorts is vermeld dat ook de wegdekverharding op de volgende wegdelen wordt vervangen door SMA-NL5: tussen de rotonde (kern) en de noordoostelijke grens bebouwde kom, tussen de rotonde (kern) en oostelijke oever van het Zwarte Water en tot slot tussen de rotonde (west) en westelijke oever van het Zwarte Water. Tevens is vermeld dat de grondwal nabij de Sluizerdijk 1 wordt gerealiseerd. Wat betreft de geluidschermen, staat in het rapport dat de volgende maatregelen worden getroffen:

- verlengen noordelijke barrier op de Zwarte Water brug in zuidwestelijke richting met 60 meter, reflecterend scherm met hoogte 80 cm;

- verlengen noordelijke barrier op de Zwarte Water brug in noordoostelijke richting met 40 meter, reflecterend scherm met hoogte 80 cm;

- vervangen vangrail op de Zwarte Water brug tussen de N331 en de Zwartewaterweg door barrier/scherm (hoogte 80 cm). Het middenscherm heeft een lengte van ca. 230 meter (40 meter langer dan de brug richting het noordoosten) en is geluidsabsorberend.

    Dit totaalpakket aan te treffen geluidreducerende maatregelen is weergegeven op de afbeeldingen 5.1 en 5.2 van het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018. Afbeelding 5.1 komt overeen met de afbeelding van de treffen geluidreducerende maatregelen die de raad tijdens de tweede zitting heeft overgelegd.

16.    In tabel 5.13 van het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 zijn voor verschillende woningen nabij het plangebied de effecten op de geluidbelasting weergegeven, waarbij rekening is gehouden met het totaalpakket aan geluidreducerende maatregelen. In het rapport is vermeld dat uit tabel 5.13 blijkt dat de toename van de geluidbelasting als gevolg van het plan voor de woningen nabij het plangebied ten hoogste 1,2 dB bedraagt en dat als gevolg van de geluidreducerende maatregelen de reconstructie-effecten van de wegaanpassingen zijn opgeheven. Op basis van deze onderzoeksresultaten stelt de raad in zijn nadere motivering van 29 mei 2018 dat het plan niet zal leiden tot een significante toename van de geluidbelasting bij de woningen van appellanten en dat het plan daarom uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

De zienswijze van [appellant sub 3]

17.    [appellant sub 3] heeft zich in zijn zienswijze beperkt tot het reageren op het rapport van M+P raadgevende ingenieurs B.V. In zijn zienswijze heeft hij niet gereageerd op de onderzoeksresultaten die zijn neergelegd in het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 en de conclusies die de raad in zijn nadere motivering aan dit rapport heeft verbonden. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant sub 3] zich in zoverre met de nadere motivering van de raad kan verenigen.

De zienswijze van [appellant sub 1] en anderen

18.    [appellant sub 1] en anderen hebben in hun zienswijze in het kader van de te treffen geluidreducerende maatregelen gewezen op het "Projectplan Herstructurering Bodewes Hasselt". Dit projectplan voorziet onder meer in de aanleg van een nieuwe parallelweg langs de N331 nabij enkele woningen van [appellant sub 1] en anderen. Zij vrezen dat de aanleg van deze parallelweg een extra toename van geluidhinder bij hun woningen tot gevolg heeft. [appellant sub 1] en anderen wensen dat bij de geluidreducerende maatregelen die worden getroffen in het kader van het in deze procedure bestreden bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de extra geluidhinder van de nieuw aan te leggen parallelweg.

18.1.    In de tussenuitspraak is nader ingegaan op het "Projectplan Herstructurering Bodewes Hasselt". In overweging 25.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het projectplan en het daarvoor vast te stellen bestemmingsplan zich nog in de voorbereidende fase bevinden. Gelet hierop vormde de aanleg van de parallelweg langs de N331, als onderdeel van het projectplan, ten tijde van de vaststelling van het bestreden plan "N331 Hasselt" nog slechts een onzekere toekomstige gebeurtenis, zo staat in de tussenuitspraak. De Afdeling heeft vervolgens geconcludeerd dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij met een dergelijke gebeurtenis bij de vaststelling van het bestreden plan geen rekening heeft hoeven te houden.

    De Afdeling kan behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde. In de door [appellant sub 1] en anderen aangedragen omstandigheid dat inmiddels het ontwerp voor het bestemmingsplan "Herontwikkeling locatie Bodewes" ter inzage ligt, waarin de parallelweg langs de N331 is opgenomen, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien al in deze procedure met de effecten van dit nog in voorbereiding zijnde plan rekening te houden. [appellant sub 1] en anderen kunnen tegen het plan "Herontwikkeling locatie Bodewes" eigen rechtsmiddelen aanwenden waarbij zij, voor zover zij belanghebbende zijn bij dat plan, de effecten van het plan op de geluidhinder bij hun woningen aan de orde kunnen stellen.

19.    [appellant sub 1] en anderen verzoeken in hun zienswijze in de uitspraak te waarborgen dat de geluidreducerende maatregelen die blijkens het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 zullen worden getroffen ook daadwerkelijk voor het einde van het project worden gerealiseerd.

19.1.    In de overwegingen 38 tot en met 40 van de tussenuitspraak is vermeld dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel tijdens de eerste en tweede zitting heeft toegezegd dat de provincie als wegbeheerder het geluidreducerend asfalt, de geluidswal bij Sluizerdijk [.] en de geluidschermen gelijktijdig met de in het plan voorziene wegaanpassingen zal realiseren. Ook in het rapport van Geluid Plus Adviseurs staat dat de provincie Overijssel heeft aangegeven de in paragraaf 5.4.8 vermelde geluidreducerende maatregelen te zullen treffen. In de tussenuitspraak is verder vermeld dat de provincie het als wegbeheerder en - voor zover van toepassing - als eigenaar van de desbetreffende gronden in haar macht heeft de geluidreducerende maatregelen te treffen en niet is gebleken van belemmeringen die zich daartegen verzetten. Nu de provincie op het getroffen worden van de geluidreducerende maatregelen in rechte aanspreekbaar is, is de Afdeling van oordeel dat voldoende zekerheid bestaat dat de maatregelen ook worden gerealiseerd, zo staat in de tussenuitspraak. De Afdeling ziet geen aanleiding om in deze einduitspraak tot een ander oordeel te komen.

19.2.    Tot slot leidt de Afdeling uit de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen af dat zij wensen dat de StAB de onderzoeken die de raad bij zijn nadere motivering heeft overgelegd, controleert. De Afdeling ziet hiervoor geen aanleiding. Het is aan [appellant sub 1] en anderen om aan te voeren op welke punten zij twijfelen aan de juistheid van de onderzoeksresultaten. Hetgeen zij in dit verband hebben aangevoerd, heeft de Afdeling in het vorenstaande beoordeeld. De Afdeling ziet daarin geen aanleiding een nieuw deskundigenbericht aan de StAB te vragen.

20.    De betogen van [appellant sub 1] en anderen falen.

De zienswijze van [appellant sub 2]

21.    [appellant sub 2] stelt in haar zienswijze dat nabij haar woning het wegdek inmiddels is vervangen. Zij stelt te betwijfelen of ter hoogte van haar woning toereikend geluidreducerend asfalt is gerealiseerd.

21.1.    De vraag of in de praktijk het juiste type geluidreducerend asfalt is gerealiseerd, betreft een kwestie van uitvoering van het plan. Een dergelijke kwestie ligt in deze procedure niet ter toetsing voor.

    Ten overvloede vermeldt de Afdeling in dit verband dat in paragraaf 5.4.8 van het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 is vermeld dat als geluidreducerend asfalt SMA-NL5 wordt gebruikt. Uit overweging van 38.1 van de tussenuitspraak blijkt dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel ter zitting ongeclausuleerd heeft toegezegd dat indien andere vormen van geluidreducerend asfalt worden gerealiseerd dan is vermeld in het rapport van Geluid Plus Adviseurs, de geluidreducerende effecten gelijkwaardig zullen moeten zijn.

22.    [appellant sub 2] wijst in haar zienswijze op de tabellen met geluidwaarden die zijn opgenomen in het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018. In deze tabellen is haar woning aan de Van Nahuysweg [..] te Hasselt soms niet vermeld dan wel is ten onrechte vermeld dat haar woning wat betreft de geluidbelasting gelijk is aan de woning aan de Van Nahuysweg [..], aldus [appellant sub 2]. Gelet hierop betwijfelt [appellant sub 2] of de geluidbelasting bij haar woning toereikend is onderzocht.

22.1.    Uit bijlage 3 bij het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 blijkt dat de woning van [appellant sub 2] aan de Van Nahuysweg [..] is meegenomen als toetspunt in het onderzoek. In bijlage 4 en 5 zijn de geluidwaarden bij de onderzochte woningen weergegeven in de huidige situatie en de plansituatie zonder het treffen van geluidreducerende maatregelen. Ook in deze bijlagen zijn de geluidwaarden bij de woning van [appellant sub 2] vermeld. Bijlagen 6 tot en met 13 bevatten vervolgens de rekenresultaten van de verschillende geluidreducerende maatregelen, waarbij - alleen waar relevant - eveneens de woning van [appellant sub 2] is meegenomen. Tot slot zijn in bijlage 14 de geluidwaarden weergegeven op de onderzochte woningen rekening houdend met het totaalpakket aan geluidreducerende maatregelen dat blijkens paragraaf 5.4.8 van het rapport van Geluid Plus Adviseurs zal worden uitgevoerd. Ook in deze bijlage is de woning aan de Van Nahuysweg [..] meegenomen. Dat de woning van [appellant sub 2] soms niet in de tabellen is vermeld die zijn opgenomen in het rapport van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 betekent dus niet dat de woning niet is meegenomen in het onderzoek.

22.2.    In bijlage 14 is voor de woning van [appellant sub 2] vermeld dat de geluidbelasting als gevolg van de N331 na de geluidreducerende maatregelen op 1,5 meter hoogte met 0,0 dB zal toenemen en op 4,5 meter hoogte met 0,2 dB. [appellant sub 2] heeft de juistheid van deze geluidwaarden niet bestreden.

23.    Voor het overige heeft [appellant sub 2] in haar zienswijze vergelijkbare beroepsgronden naar voren gebracht als [appellant sub 1] en anderen. Deze beroepsgronden hebben betrekking op de extra geluidhinder die [appellant sub 2] verwacht van de aanleg van de parallelweg die is voorzien in het ontwerpbestemmingsplan "Herontwikkeling locatie Bodewes", de zekerheid dat de geluidreducerende maatregelen worden uitgevoerd en tot slot het opnieuw inschakelen van de StAB. Op dit punt verwijst de Afdeling naar hetgeen in het vorenstaande bij de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen over deze beroepsgronden is overwogen.

24.    De betogen van [appellant sub 2] falen.

Hogere waarden Wgh

25.    Omdat blijkens het akoestisch onderzoek van Geluid Plus Adviseurs van 17 april 2018 de te treffen geluidreducerende tot gevolg hebben dat de toename van de geluidbelasting bij de woningen nabij het plangebied beperkt blijft tot minder dan 1,5 dB, is in dit geval op basis van de Wgh geen hogere waardenbesluit vereist. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] dat voorafgaand aan de planvaststelling voor hun woningen op basis van de Wgh hogere waarden hadden moeten vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting faalt dan ook.

Conclusie

26.    Gelet op het vorenstaande concludeert de Afdeling dat de raad met de nadere onderzoeken van M+P raadgevende ingenieurs B.V. en Geluid Plus Adviseurs heeft voldaan aan de in overweging 52 van de tussenuitspraak gegeven opdrachten. De Afdeling ziet daarom aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van de raad van 14 januari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "N331 Hasselt" in stand te laten, met uitzondering van het plandeel dat betrekking heeft op de in het plan voorziene aansluiting van het Justitie Bastion op de Zwartewaterweg.

Proceskosten

27.    De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

28.    Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen overweegt de Afdeling dat zij tijdens de eerste zitting drie proceskostenformulieren hebben overgelegd waarin in totaal drie keer wordt verzocht om vergoeding van de reiskosten. Indien meerdere personen gezamenlijk één beroepschrift hebben ingediend, zoals [appellant sub 1] en anderen, wordt in de regel ten behoeve van maar één van de gezamenlijk procederende appellanten een vergoeding van de reiskosten toegekend. De Afdeling ziet geen aanleiding om in dit geval ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen op deze regel een uitzondering te maken.

    Voorts overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] en anderen bij de opgave van de reiskosten hebben verzocht om een kilometervergoeding. Hiervoor bestaat uitsluitend aanleiding indien reizen met het openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. Voor de conclusie dat reizen met het openbaar vervoer voor [appellant sub 1] en anderen niet of niet voldoende mogelijk was, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten. Bij het vaststellen van de gemaakte reiskosten gaat de Afdeling daarom uit van de vergoeding van de reiskosten voor één persoon met het openbaar vervoer.

29.    [appellant sub 2] heeft geen proceskostenformulier ingevuld. Voorts is niet gebleken dat zij is bijgestaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat daarom geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Elektronisch plan

30.    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zwartewaterland van 14 januari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "N331 Hasselt";

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II. vermelde besluit in stand blijven, met uitzondering van het plandeel met de bestemming "Verkeer" en de daarop rustende dubbelbestemmingen ter plaatse van de in het plan voorziene aansluiting van het Justitie Bastion op de Zwartewaterweg;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Zwartewaterland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 116,10 (zegge: honderdzestien euro en tien cent) aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 3];

V.    gelast dat de raad van de gemeente Zwartewaterland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2];

c. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 3];

VI.    draagt de raad van de gemeente Zwartewaterland op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor onder III. vermelde onderdeel wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Van Zuijlen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

810.