Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2927

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201708368/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5782, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2016 heeft de korpschef van politie de aan [appellant] verleende jachtakte ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/1055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708368/1/A3.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 september 2017 in zaak nr. 17/3414 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2016 heeft de korpschef van politie de aan [appellant] verleende jachtakte ingetrokken.

Bij besluit van 29 maart 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde administratieve beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2016 vernietigd en besloten [appellant] een jachtakte te verlenen.

Bij uitspraak van 5 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister en de korpschef hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.L.J.M. van de Mortel, advocaat te Lekkerkerk, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Ibrahim, zijn verschenen. Voorts is de korpschef, vertegenwoordigd door mr. W. Andelbeek, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] exploiteert een boomkwekerij. Voor zijn boomkwekerij heeft hij agrarische gronden in gebruik die achter het perceel aan het [locatie] te Alphen liggen. Ook heeft hij een loods in gebruik die op de achterzijde van dit perceel staat. [appellant] werkt enkele dagen per maand op het perceel. [broer] van [appellant], is eigenaar van het perceel.

    In een op ambtseed opgesteld proces-verbaal van de politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant van 30 mei 2016 staat dat verbalisanten van de politie op 4 april 2016 een anonieme melding hebben ontvangen dat een gebouw op het perceel in gebruik is voor een hennepkwekerij. Naar aanleiding van die melding hebben de verbalisanten een controle uitgevoerd op het perceel. Achter een haag van bomen stond een ander gebouw dan de loods. Bij de ingang van dat gebouw is de geur van hennep waargenomen. In het gebouw hebben de verbalisanten een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Ten tijde van de controle was [appellant] aanwezig op het perceel. [appellant] voldeed enigszins aan het signalement van de persoon die volgens de anonieme melder betrokken zou zijn bij de hennepkwekerij.

    Bij het besluit van 15 augustus 2016 heeft de korpschef de aan [appellant] verleende jachtakte op grond van artikel 41, eerste lid, onder c, van de Flora en faunawet, zoals die luidde ten tijde van belang, ingetrokken. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat aan [appellant] het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kon worden toevertrouwd, omdat er een vermoeden bestond dat [appellant] betrokken was bij een hennepkwekerij. Tegen het besluit van 15 augustus 2016 heeft [appellant] administratief beroep ingesteld.

    In een aanvullend op ambtseed opgesteld proces-verbaal van de politie van 7 november 2016 staat dat de sterke hennepgeur rond het gebouw goed te ruiken was bij de haag en in de kantine op het perceel. Een ieder die langs de haag is gelopen en in de kantine is geweest heeft die geur waargenomen.

    Op de hoorzitting van 14 november 2016 heeft [appellant] een verklaring van een KNO-arts van 26 mei 2005 over zijn reukvermogen overgelegd. Daaruit volgt dat [appellant] een neusaandoening heeft waarvoor hij tweemaal medisch is behandeld. Als gevolg hiervan ruikt [appellant] nog maar heel weinig. Voorts heeft hij de staatssecretaris verzocht in de gelegenheid te worden gesteld een nadere verklaring van zijn huisarts over te leggen waarin de inhoud van de verklaring van 26 mei 2005 wordt bevestigd. Op 14 november 2016 heeft [appellant] die verklaring aan de staatssecretaris gezonden.

    Op 17 februari 2017 is [appellant] door de politie gehoord over zijn mogelijke betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Op dezelfde dag heeft de Officier van Justitie, kort na het verhoor, de zaak tegen [appellant] geseponeerd wegens het ontbreken van wettig bewijs.

    Bij het besluit van 29 maart 2017 heeft de staatssecretaris het besluit van 15 augustus 2016 herroepen, primair omdat de strafzaak tegen [appellant] is geseponeerd. Verder heeft de staatssecretaris van belang geacht dat [appellant] medische verklaringen over zijn reukvermogen heeft overgelegd. Dat hij de sterke hennepgeur op het perceel niet heeft waargenomen kan daarom niet worden uitgesloten. Volgens de staatssecretaris dienen het sepot en het overleggen van de medische verklaringen als veranderde omstandigheden van na het besluit van 15 augustus 2016 te worden aangemerkt. De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellant] om een vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het administratieve beroep heeft moeten maken afgewezen. Volgens de staatssecretaris heeft de korpschef geen onrechtmatig besluit genomen.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft het standpunt van de staatssecretaris onderschreven dat het besluit van 15 augustus 2016 niet is herroepen wegens een aan de korpschef te wijten onrechtmatigheid, maar wegens veranderde omstandigheden. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om een vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het administratief beroep terecht afgewezen. Omdat de korpschef geen onrechtmatig besluit heeft genomen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de korpschef met toepassing van de bevoegdheid van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van de intrekking van zijn jachtakte.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 15 augustus 2016 is herroepen wegens een aan de korpschef te wijten onrechtmatigheid. Ten tijde van het besluit van 15 augustus 2016 liep er tegen [appellant] geen strafzaak. Dat het Openbaar Ministerie begin 2017 de strafzaak tegen [appellant] heeft geseponeerd wegens het ontbreken van wettig bewijs is geen veranderde omstandigheid van na dat besluit. Evenmin kan het indienen door [appellant] van een medische verklaring over zijn beperkte reukvermogen in de bezwaarprocedure als een veranderde omstandigheid worden aangemerkt, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 41, aanhef en onder c, van de Flora- en faunawet, zoals dit gold ten tijde van belang, luidde: "Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt in ieder geval ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd."

    Artikel 7:28, tweede lid, van de Awb luidt: "De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dat geval stelt het beroepsorgaan de vergoeding vast die het bestuursorgaan verschuldigd is."

3.2.    De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het primaire besluit is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarbij acht de Afdeling vooreerst van belang dat, zoals ook ter zitting is besproken, de discussie over het reukvermogen van [appellant] eerst in beeld is gekomen tijdens de procedure in administratief beroep, met het aanvullend op ambtseed opgesteld proces-verbaal van 7 november 2016. In dat aanvullend proces-verbaal verstrekt de verbalisant in aanvulling op het eerdere proces-verbaal nadere informatie over de precieze locatie waar de hennepgeur op 4 april 2016 is waargenomen, onder andere nabij de plaats waar de bestelbus van [appellant] op 4 april 2016 was geparkeerd. In het aanvullend proces-verbaal werd voor het eerst een verband gelegd tussen de sterke hennepgeur en (de bestelbus van) [appellant]. In het eerste proces-verbaal is die bestelbus niet genoemd. Op die door de staatssecretaris aangedragen nieuwe omstandigheid heeft [appellant] tijdens de hoorzitting op 14 november 2016 gereageerd middels de overlegging van een verklaring van een KNO-arts, welke verklaring daags na de hoorzitting is gevolgd door een verklaring van de huisarts van [appellant]. Uit beide verklaringen volgt dat [appellant] beschikt over een sterk verminderd reukvermogen. In zoverre is tijdens de procedure van het administratief beroep gebleken van, deels door de staatssecretaris zelf aangedragen nieuwe omstandigheden.

    Aan de hand van deze omstandigheden en de beslissing van de officier van justitie om de strafzaak tegen [appellant] te seponeren wegens gebrek aan bewijs zijn feiten en omstandigheden die aan het primaire besluit van 15 augustus 2016 ten grondslag zijn gelegd opnieuw gewaardeerd. Die waardering heeft bij de staatssecretaris tot het inzicht geleid dat [appellant] niet daadwerkelijk betrokken was bij de hennepkwekerij op het niet bij [appellant] in gebruik zijnde deel van het perceel en dat het niet uitgesloten is dat hij daarvan niet wist. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

3.1.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 maart 2017 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling zal beoordelen of het verzoek van [appellant] om de korpschef te veroordelen tot vergoeding van de schade als gevolg van het besluit van 15 augustus 2016 dient te worden ingewilligd.

Schadevergoeding

4.    Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb luidt: "De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit."

4.1.    [appellant] verzoekt om een vergoeding van de schade die hij heeft geleden, omdat hij tot april 2017 van zijn wapen geen gebruik heeft kunnen maken. Hij stelt dat hij daardoor onnodig kosten heeft gemaakt. De schade bestaat uit € 90,00 voor een Nederlandse jachtakte, € 64,00 voor een Duitse jachtakte, € 29,00 voor een jachtverzekering, € 30,00 voor wapenopslag en € 2.500,00 omdat hij niet als combinant in Duitsland heeft kunnen jagen, aldus [appellant].

    Naar het oordeel van de Afdeling kunnen vorenstaande uitgaven in beginsel worden aangemerkt als schade ten gevolge van het besluit van 15 augustus 2016. Het is aan dit besluit toe te rekenen dat [appellant] van zijn wapen geen gebruik heeft kunnen maken. Voor het begroten van de door hem geleden schade, die als vermogensschade moet worden aangemerkt, geldt als uitgangspunt dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven. [appellant] heeft diverse bewijsstukken van de gemaakte kosten overgelegd en ter zitting een toelichting op elk van die kosten gegeven. De staatssecretaris heeft die toelichting onvoldoende weersproken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat voormelde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

4.2.    De aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding wordt vastgesteld op € 2.713,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2017, zijnde de dag waarop [appellant] de door hem geleden schade voor het eerst heeft onderbouwd.

Proceskosten

5.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 september 2017 in zaak nr. 17/3414;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 29 maart 2017, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van proceskosten is afgewezen;

V.    veroordeelt de korpschef van politie om aan [appellant] te betalen een vergoeding van € 2.713,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

VI.    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het administratieve beroep, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.006,00 (zegge: drieduizend zes euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de minister van Justitie en Veiligheid aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Man

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

629.