Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201801191/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:49, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2015 heeft het college een verzoek van [appellante] haar ontheffing te verlenen van de inburgeringsplicht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801191/1/V6.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Leiden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 januari 2018 in zaak nr. 17/4834 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2015 heeft het college een verzoek van [appellante] haar ontheffing te verlenen van de inburgeringsplicht afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2017 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. R.S. Pot, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

1.    Op 2 juni 2015 heeft [appellante] het college gevraagd haar ontheffing te verlenen van de inburgeringspicht om medische of psychische redenen. Bij brief van 8 juni 2015 heeft het college [appellante] meegedeeld dat hij de termijn waarbinnen zij het inburgeringsexamen moet hebben behaald heeft verlengd tot 14 december 2015, omdat een hercontrole bij de GGD is aangevraagd. Het college heeft het verzoek vervolgens bij besluit van 13 augustus 2015 afgewezen. Hierbij heeft hij zich gebaseerd op het advies van 28 juli 2015 van de GGD Hollands Midden. Daarin wordt geconcludeerd dat [appellante] op medische gronden in staat wordt geacht om binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Bij besluit van 12 april 2016 heeft het college de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. De rechtbank heeft het daartegen door [appellante] ingestelde beroep bij uitspraak van 4 oktober 2016 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar moet nemen, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

    Naar aanleiding van voormelde uitspraak van 4 oktober 2016 heeft het college de GGD om een nieuw advies verzocht, dat op 7 maart 2017 is uitgebracht. Daarin wordt wederom geconcludeerd dat [appellante] op medische gronden in staat wordt geacht om binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Gezien de enigszins verminderde energetische belastbaarheid wordt een verlenging van de examentijd en onderbroken examenafname geadviseerd. Het college heeft zijn besluit om [appellante] geen ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen gehandhaafd in het besluit van 6 juni 2017, onder verwijzing naar het advies van 7 maart 2017.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het GGD-advies van 7 maart 2017 op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en concludent is. Bij de toelichting heeft de GGD-arts aangegeven dat gegevens van een arts uit Rabat over de intelligentie van [appellante], die zij reeds in 2012 heeft overgelegd en die dateren van 18 september 2010, ontoereikend zijn. De arts heeft voorts geconcludeerd dat geen gegevens zijn ontvangen over een eventuele verstandelijke beperking. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellante] niet ontkent dat de verklaring van de arts uit Rabat summier is en dat de vrijstelling die zij in het kader van de Wet inburgering in het buitenland (de Wib) heeft gehad niet doorwerkt in de Wet inburgering (hierna: de Wi). De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het GGD-advies ondeugdelijk tot stand is gekomen.

    De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:269, volgt dat indien het college heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht, [appellante] de uitkomst van dat advies slechts succesvol kan bestrijden door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat [appellante] zowel in bezwaar als in beroep wegens financiële redenen heeft nagelaten om medische informatie over te leggen waaruit blijkt dat haar gezondheidssituatie tot een ontheffing van haar inburgeringsplicht zou moeten leiden of dat de conclusie van de GGD-arts onjuist was, niet aan het college worden tegengeworpen. In de Wi kan geen grondslag worden gevonden dat het college in een dergelijk geval gehouden is om de kosten van bijvoorbeeld een intelligentieonderzoek te dragen, aldus de rechtbank.

2.1.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het GGD-onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd en het niet concludent is. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is het aan het college en niet aan haar om nader onderzoek te doen. Bovendien is haar inkomen ontoereikend om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren. Daarbij komt volgens [appellante] dat getwijfeld kan worden aan de deskundigheid van de GGD-arts waar het om het vaststellen van haar capaciteiten gaat. Gegeven de verklaring van de arts uit Rabat, op basis waarvan haar eerder vrijstelling is verleend, had zij ook nu wegens haar beperkte intelligentie en analfabetisme moeten worden vrijgesteld van haar inburgeringsplicht, aldus [appellante].

    Gelet op het medisch onafhankelijk onderzoek dat zij alsnog heeft laten uitvoeren door [psychiater] en dat zij in hoger beroep heeft overgelegd kan niet anders dan geconcludeerd worden dat het niet realistisch is om van haar te eisen dat zij een inburgeringscursus afrondt, aldus [appellante].

2.2.    Het betoog van [appellante] komt erop neer dat de verklaring van de arts uit Rabat als uitgangspunt genomen diende te worden bij de beoordeling of zij op medische gronden in staat wordt geacht om binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. In de verklaring van de arts uit Rabat staat dat [appellante] een psychische stoornis heeft en dat deze bestaat uit depressieve klachten. Voorts heeft [appellante] problemen met haar concentratie, aldus de verklaring van de arts uit Rabat.

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het GGD-advies van 7 maart 2017 op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en concludent is en dat het college het advies aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag heeft mogen leggen. In het advies van 7 maart 2017 staat dat de gegevens van de arts uit Rabat over de intelligentie van [appellante] ontoereikend zijn. Daarmee is ingegaan op de verklaring van de arts uit Rabat. Gegeven de niet nader toegelichte conclusies van de arts uit Rabat, die voorts geen betrekking hebben op de verstandelijke capaciteiten van [appellante], is in het advies op toereikende wijze op de verklaring van deze arts ingegaan. Gelet hierop lag het, anders dan [appellante] stelt en zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, op haar weg om door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies te onderbouwen dat haar verstandelijke capaciteiten onvoldoende zijn om het inburgeringsexamen binnen een termijn van vijf jaar te behalen.

    [appellante] heeft met de door haar overgelegde stukken niet onderbouwd dat haar analfabetisme het behalen van het inburgeringsexamen onmogelijk maakt. Dat geldt evenzo voor haar stelling dat zij wegens haar verstandelijke capaciteiten niet in staat is om het inburgeringsexamen te behalen. Het door [appellante] in hoger beroep overgelegde rapport van de psychiater bevat weliswaar aanwijzingen dat zij zwakbegaafd is, maar daaruit volgt niet dat zij niet aan een inburgeringscursus kan deelnemen. Dat de psychiater, zoals zij in haar rapport stelt, geen instelling heeft kunnen vinden voor het afnemen van een IQ-test bij [appellante], omdat een dergelijke test naar gesteld niet is gemaakt voor mensen met analfabetisme dan wel die de Nederlandse taal niet machtig zijn, betekent niet dat dergelijke IQ-testen niet bestaan.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Woestenburg-Bertels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

501.