Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2916

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201706679/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:2726, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2016 is het college overgegaan tot invordering van door [appellante] verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 12.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706679/1/A1.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 juli 2017 in zaak nr. 17/501 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2016 is het college overgegaan tot invordering van door [appellante] verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 12.000,00.

Bij besluit van 9 januari 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2018, waar [appellante] en [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door S.A.J. Hiddink-Braakman, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij besluit van 15 juli 2015 heeft het college [appellante] gelast de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op te heffen door uiterlijk 4 januari 2016 in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor de van de bouwvergunning uit 2003 afwijkende onderdelen of het pand in overeenstemming te brengen met de in 2003 verleende bouwvergunning, onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,00 per maand dat de overtreding van de Wabo niet is opgeheven met een maximum van € 12.000,00. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de last terecht is opgelegd.

2.    Het college stelt zich op het standpunt dat uit controlebezoeken op 22 februari 2016, 9 maart 2016, 12 april 2016, 4 mei 2016, 15 juni 2016 en 4 augustus 2016 is gebleken dat het pand niet is aangepast overeenkomstig de geldende bouwvergunning en dat er ook geen omgevingsvergunning is verleend voor de doorgevoerde wijzigingen. Omdat de overtreding niet is beëindigd zijn dwangsommen verbeurd, aldus het college.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid tot invordering kon overgaan, nu het besluit van 15 juli 2015 onrechtmatig is. Hij doet in dat kader een beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De rechtbank is hier volgens hem ten onrechte niet op ingegaan. Hij wijst er op dat hij niet heeft verzocht om vernietiging van het besluit van 15 juli 2015.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2706), kunnen bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom in de regel niet meer aan de orde komen in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking. Dit is slechts onder zeer bijzondere omstandigheden anders. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat van deze omstandigheden sprake is. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het college het besluit van 15 juli 2015, zoals het ter zitting heeft toegelicht, zowel naar het bij hem bekende adres van [appellante] in Enschede als het adres in Sas van Gent heeft verzonden. Wat [appellante] naar voren heeft gebracht over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom heeft de rechtbank dus terecht onbesproken gelaten.

    Uit het voorgaande volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot invordering van verbeurde dwangsommen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

580.