Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2915

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201703934/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het college de aanvraag van [bedrijf] om een aanlegvergunning voor het planten van fruitbomen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703934/1/A1.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting De Limiten en Valkeveen, gevestigd te Naarden, (hierna: Stichting De Limiten),

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Huizen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het college de aanvraag van [bedrijf] om een aanlegvergunning voor het planten van fruitbomen afgewezen.

Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college het door [bedrijf] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 24 mei 2011 herroepen en medegedeeld dat van rechtswege een aanlegvergunning is verleend aan [bedrijf].

Bij besluit van 4 april 2017 heeft het college, opnieuw beslissend op het door [bedrijf] tegen het besluit van 24 mei 2011 gemaakte bezwaar en het door Stichting De Limiten tegen het besluit van 3 april 2012 gemaakte bezwaar, het bezwaar van [bedrijf] gegrond verklaard en het bezwaar van Stichting De Limiten ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Stichting De Limiten beroep ingesteld.

Stichting De Limiten heeft een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[bedrijf] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2018, waar Stichting De Limiten, vertegenwoordigd door mr. M. van Duijn, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde], het college, vertegenwoordigd door mr. T.M.H. van Zundert en mr. M. Dickmann, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [bedrijf], vertegenwoordigd door mr. C.N.J. Kortmann en mr. S.F.A. van Ravels, beiden advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. In 2001 is [bedrijf] begonnen met de aanleg van onder meer een boomgaard op het landgoed "De Limiten", zonder te beschikken over de vereiste vergunning op grond van het destijds ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1974".

In 2005 heeft [bedrijf] een aanlegvergunning aangevraagd voor onder meer het planten van 96 hoogstambomen en 252 laagstambomen. Het college heeft geweigerd vergunning te verlenen en die weigering bij besluit op bezwaar van 24 augustus 2010 gehandhaafd. Bij uitspraak van 15 juli 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BS8877, heeft de rechtbank Amsterdam het daartegen door [bedrijf] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op 30 september 2010 heeft [bedrijf] opnieuw een aanlegvergunning aangevraagd, nu voor het planten van 25 hoogstam- en 162 laagstamfruitbomen. Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het college ook deze aanvraag afgewezen, omdat het planten van de fruitbomen volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan. Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college echter het door [bedrijf] gemaakte bezwaar tegen deze weigering om vergunning te verlenen gegrond verklaard en het besluit van 24 mei 2011 herroepen, omdat van rechtswege aanlegvergunning was verleend. Stichting De Limiten heeft bezwaar gemaakt tegen de op 5 april 2012 bekendgemaakte, van rechtswege gegeven beschikking tot verlening van de gevraagde vergunning. Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanplant van de bomen weliswaar in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat het college bij brief van 15 mei 2003 bij [bedrijf] vertrouwen heeft gewekt dat de fruitbomen gehandhaafd mochten blijven en dit opgewekte vertrouwen in redelijkheid dient te prevaleren boven het belang dat Stichting De Limiten nastreeft.

2. Bij uitspraak van 30 januari 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland het besluit op bezwaar van 27 juni 2013 vernietigd en zelf voorziend de van rechtswege gegeven beschikking herroepen.

Deze uitspraak is door de Afdeling bij uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:21, vernietigd, voor zover daarbij de van rechtswege gegeven beschikking is herroepen. Bij die uitspraak is tevens het besluit op bezwaar van 3 april 2012 vernietigd. Daarbij is bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak opnieuw op de bezwaarschriften van [bedrijf] en Stichting De Limiten dient te beslissen. Tevens is bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Met het thans bestreden besluit van 4 april 2017 heeft het college opnieuw op de bezwaren van [bedrijf] en Stichting De Limiten beslist. Het college heeft bepaald dat in heroverweging heeft te gelden dat de vergunning met toepassing van artikel 7 van het bestemmingsplan Natuurgebieden is verleend. De Afdeling begrijpt dit laatste zo dat het college daarmee het besluit van 24 mei 2011 opnieuw heeft herroepen.

Juridisch kader

3. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding.

4. Artikel 3.16, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) bepaalde ten tijde van belang:

"De aanlegvergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien:

a. het werk of de werkzaamheid in strijd is met een bestemmingsplan […];

[…]."

Artikel 3.18, eerste lid, bepaalde:

"Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag voor een aanlegvergunning binnen zes weken na de dag van ontvangst van de aanvraag."

Artikel 1.12, eerste lid, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) bepaalde ten tijde van belang:

"Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de wettelijke voorschriften, genoemd in bijlage III bij deze wet, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing."

In bijlage III bij de Chw was artikel 3.16 van de Wro vermeld.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Natuurgebieden" rust op de gronden, waarop de gevraagde aanlegvergunning betrekking heeft, de bestemming "Landschappelijk Gebied met natuurwaarden".

Artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften luidt:

"De gronden die op de kaart voor Landschappelijk gebied met natuurwaarden zijn aangegeven, zijn bestemd voor:

a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige dan wel eigen landschappelijke, natuur en cultuurhistorische waarden;

b. het hobbymatig weiden van dieren."

Het derde lid luidt:

"Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

[…]

c. het aanplanten […] van bomen […];

[…]."

Het vierde lid luidt:

"De in het vorige lid vermelde werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van deze gronden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden verkleind."

Het vijfde lid luidt:

"Van een verkleining van de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van deze gronden als bedoeld in lid 4 is in elk geval sprake indien direct, hetzij indirect:

a. een blijvende verarming optreedt van de aanwezige karakteristieke vegetatie;

b. de ruimtematen in het landschap veranderen;

c. zichtbare kenmerken van de cultuurhistorische ontwikkeling verdwijnen."

Het bestreden besluit

5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 14 januari 2015 is de gevraagde aanlegvergunning van rechtswege verleend, omdat het college niet binnen de in artikel 3.18, eerste lid, van de Wro gestelde termijn op de aanvraag heeft beslist. Bij het besluit van 4 april 2017 heeft het college deze van rechtswege gegeven beschikking gehandhaafd.

Het college stelt zich onder verwijzing naar de adviezen van Rho Adviseurs van 25 augustus 2015, 27 september 2016 en 13 maart 2017 op het standpunt dat door het planten van de fruitbomen de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden verkleind of kunnen worden verkleind, als bedoeld in artikel 7, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften en dat de aanleg daarvan niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Procedure

6. Stichting De Limiten betoogt dat het college het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door het besluit van 4 april 2017 hoofdzakelijk te baseren op het aanvullende advies van Rho van 13 maart 2017, dat ruim na de hoorzitting en het advies van de commissie bezwaarschriften tot stand is gekomen.

6.1. Artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord."

6.2. Het aanvullende advies van 13 maart 2017 kan niet worden beschouwd als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit dat voor het in bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kan zijn als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Rho heeft in dit advies op verzoek van het college gereageerd op de vraag van de commissie bezwaarschriften op welke punten zijn visie afwijkt van de "Gebiedsvisie De Limiten" van 26 juli 2006 van BRO, die aan het bestemmingsplan ten grondslag lag, en van het advies van BRO van 3 september 2009. Het college baseerde zich eerder op deze Gebiedsvisie en het advies van BRO uit 2009. Deze reactie bouwt voort op en is gevraagd in het licht van het door het college, naar aanleiding van de adviezen van Rho van 25 augustus 2015 en 27 september 2016, ingenomen standpunt dat het planten van de fruitbomen op grond van artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften toelaatbaar is. Het college was niet gehouden Stichting De Limiten over dit advies te horen.

Het betoog faalt.

Bestemmingsplan

7. Het college stelt zich op het standpunt dat door het planten van de fruitbomen de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden verkleind of kunnen worden verkleind, als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften. Het college baseert zich thans niet langer op de Gebiedsvisie van BRO uit 2006 en het advies van BRO van 3 september 2009, maar op de adviezen van Rho van 25 augustus 2015 en 13 maart 2017. Het college heeft in het besluit van 4 april 2017 uiteengezet waarom thans voor de adviezen van Rho wordt gekozen. Volgens het college heeft BRO uitsluitend beoordeeld of sprake is van een aantasting en niet of sprake is van een onevenredige aantasting. In de adviezen van Rho heeft de afweging of sprake is van een onevenredige aantasting wel plaatsgevonden. Bovendien is de motivering in die adviezen uitgebreider en zodoende completer.

8. Stichting De Limiten betoogt dat het planten van de fruitbomen primair in strijd is met artikel 7, eerste lid, onder a, en subsidiair met artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften en dat het college de gevraagde aanlegvergunning had moeten weigeren. Volgens haar tast het planten van de 25 hoogstamfruitbomen en 162 laagstamfruitbomen de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de gronden in onevenredige mate aan, omdat door de vergunde werkzaamheden een blijvende verarming optreedt van de aanwezige vegetatie, de ruimtematen in het landschap veranderen en de zichtbare kenmerken van de cultuurhistorische ontwikkeling verdwijnen. Stichting De Limiten verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de door Anja Guinée Landschapsarchitectuur en Albers Adviezen Historische Parken opgestelde contra-expertise "Zanderij-weideland De Limiten te Huizen" van augustus 2016 en de reactie van 28 januari 2018 op het aanvullende advies van Rho van 13 maart 2017. Het college schuift volgens Stichting De Limiten voorts geheel ter zijde dat de ontwikkeling bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften doelt op aanwezige en eigen landschappelijke, natuur en cultuurhistorische waarden, waarbij met "eigen" de van oorsprong aanwezige waarden passend in dit gebied worden bedoeld.

8.1. Vooropgesteld zij dat het planten van fruitbomen op zichzelf niet in strijd is met de op de desbetreffende gronden rustende bestemming "Landschappelijk Gebied met natuurwaarden". Hoewel het bestemmingsplan een conserverend karakter heeft, is niet elke ontwikkeling uitgesloten. Het bestemmingsplan biedt beperkte mogelijkheden voor onder meer het aanplanten van bomen. De Afdeling neemt mede in aanmerking dat in de plantoelichting met betrekking tot de bestemming "Landschappelijk gebied met natuurwaarden" is opgemerkt dat ook hobbymatige fruitteelt is toegestaan. Uit het bepaalde in artikel 7, vierde lid van de planvoorschriften, in samenhang gelezen met artikel 7, derde lid, aanhef en onder c, volgt dat het aanplanten van fruitbomen slechts toelaatbaar is, indien de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van deze gronden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden verkleind door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen.

Ter beoordeling ligt derhalve voor of door de hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen van het aanplanten van de 25 hoogstamfruitbomen en 162 laagstamfruitbomen de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de desbetreffende gronden in onevenredige mate worden of kunnen worden verkleind.

8.2. De standpunten in de adviezen van enerzijds Rho en die van BRO en de opstellers van de contra-expertise anderzijds verschillen in de kern op de volgende punten:

- is openheid een karakteristiek van het onderhavige Gooise zanderijlandschap?

- passen fruitbomen binnen de gebiedseigen waarden van de zanderij?

- wat zijn de gevolgen van de aanleg van de fruitbomen op de openheid van het gebied en de aanwezige karakteristieke vegetatie?

Volgens Rho is openheid geen karakteristiek van het gebied, passen fruitbomen binnen de gebiedseigen waarden van de zanderij en vormen de gevolgen van de aanleg van de fruitbomen op de openheid van het gebied, voor zover dit een karakteristiek van het gebied is, en de aanwezige karakteristieke vegetatie geen onevenredige verkleining als bedoeld in artikel 7, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften. Volgens BRO en de opstellers van de contra-expertise is openheid wel een karakteristiek van het gebied, passen fruitbomen niet binnen de gebiedseigen waarden van de zanderij en vormen de gevolgen van de aanleg van de fruitbomen op de openheid van het gebied en de aanwezige karakteristieke vegetatie een onevenredige verkleining als bedoeld in artikel 7, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften.

8.3. Zoals uit eerder jurisprudentie van de Afdeling volgt (onder meer de uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682), zijn de op de plankaart aangeduide bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een project in strijd is met het bestemmingsplan. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn.

Nu de bestemming en de bijbehorende voorschriften geen duidelijkheid geven over de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de desbetreffende gronden en derhalve over de vraag wanneer de situatie als bedoeld in artikel 7, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften zich voordoet, komt in zoverre betekenis toe aan de plantoelichting.

8.4. De gronden waar de aanlegvergunning betrekking op heeft, zijn gelegen in de zanderijafgraving "De Limiten". Ten aanzien van de karakteristieke waarden van het gebied "De Limiten" wordt in de plantoelichting verwezen naar de Gebiedsvisie van BRO uit 2006. In de Gebiedsvisie is de karakteristiek voor zanderijen als volgt omschreven:

"- de relatief lage ligging van de zanderij;

- de aanwezigheid van zanderijvaarten;

- agrarisch grondgebruik als grasland (natte gronden);

- openheid;

- de stijlrand langs de zanderij, direct overgaand in hoger gelegen bos;

- de aanwezigheid van een landgoed achter de stijlrand, in het bos."

In de Gebiedsvisie is opgemerkt dat de karakteristiek van Zanderij De Limiten afwijkt van de karakteristiek voor zanderijen. Voor De Limiten geldt volgens de Gebiedsvisie:

"- de relatief lage ligging;

- de aanwezigheid van (deels vergraven en afgedamde) zanderijvaarten;

- grondgebruik als grasland, boomgaard, siertuin en kwekerij;

- sterk wisselende mate van openheid;

- de stijlrand langs de zanderij, soms nog direct overgaand in hoger gelegen bos; en

- het ontbreken van een landgoed achter de stijlrand in het bos."

In de Gebiedsvisie is met betrekking tot de karakteristieke waarden van "De Limiten" het volgende geconcludeerd:

"In vergelijking tot andere zanderijen heeft De Limiten:

- slechte zichtrelaties en weinig toegankelijkheid;

- niet meer die ongereptheid, met name door de kwekerij, paardenbak etc.;

- niet een enkele boomgroep in de open weide, maar meerdere losstaande bomen langs randen en gebiedsvreemde fruitboomgaarden met laagstamfruit;

- hogere, opvallende en veel verschillende soorten hekwerken i.p.v. gewone lage (prikkeldraad)hekwerken zoals in de andere zanderijen;

- een versnippering van de zanderij door de eigendomssituatie;

- een verschillend beheer dat naar eigen inzicht wordt uitgevoerd door de eigenaren;

- ( intensieve) villabebouwing op de randen;

- een villa op een ‘landgoed’ dat niet als zodanig herkenbaar is, o.a. door omliggende villa’s.

Deze kenmerken zorgen ervoor dat op basis van de ruimtelijke eigenschappen de Limiten kwalitatief niet meer vergelijkbaar is met de overige zanderijen en landgoederen. Uitgaande van de beschreven ruimtelijke karakteristieken voor een landgoederen- en zanderijlandschap sluit de Limiten verreweg het slechtst bij deze karakteristiek aan.

Toch kun je niet zeggen dat de Limiten landschapskundig niet langer als onderdeel van het landgoederen- zanderijenlandschap kan worden gezien. Dit komt vooral door de moeilijk uit te wissen situatie van de ondergrond. De aanwezigheid van hoogteverschillen is onveranderd. Deze hoogteverschillen zijn er de direct oorzaak van dat het massa-ruimteverschil tussen de bossen op de hogere, drogere delen en de relatieve openheid van de lage, natte delen behouden zijn gebleven. Positief is bovendien dat de zanderijvaarten redelijk goed bewaard zijn gebleven."

In de plantoelichting is met betrekking tot het gebied "De Limiten" voorts het volgende opgemerkt:

"Het waardevolle gebied de Limiten is gelegen in het plangebied. De Limiten is een gebied met hoge landschappelijke en potentiële natuurwaarden. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn uniek in Nederland. De natuurwaarden zijn bijzonder door de uitgestrektheid en de betekenis als centrale schakel in de ecologische hoofdstructuur van Midden-Nederland.

Het gebied is eigendom van een aantal particulieren die initiatieven hebben ontplooid en willen ontplooien. Onderzocht is hoe om te gaan met deze initiatieven in verhouding tot de waarden van het gebied. De visie beschrijft de waarden van het gebied in relatie tot de omliggende natuurgebieden en landgoederen. Aan de hand van vier schetsmodellen is onderzocht welke richting ingeslagen dient te worden."

In de plantoelichting is uiteengezet dat is gekozen voor de verdere uitwerking van schetsmodel 2, het model dat volgens de plantoelichting sterk redeneert vanuit de ruimtelijke werkelijkheid en beleving van "De Limiten". De plantoelichting vermeldt over schetsmodel 2:

"In schetsmodel 2 wordt voorgesteld om alles ten noorden van de aanwezige kwekerij (dat zichtbaar is vanaf de openbare weg) open te houden of te maken. Dat betekent dat in dit deel van de Limiten beplanting en bouwwerken moeten worden tegengegaan. Voor het gebied dat gelegen is tussen de kwekerij en de woningen langs de oprijlaan aan de Naarderstraat is bovenstaande minder relevant en kunnen bij wijze van compromis wel beplantingen worden aangelegd. Bouwwerken zijn nog altijd uitgesloten. Ook het doortrekken van de bosrand tot op de stijlrand draagt in dit model bij aan het versterken van het gevoel van ruimte en openheid en dringt bebouwing, ten gunste van natuur, op de achtergrond [..] Derhalve is gekozen voor een mogelijke invulling waarbij per 25 m² grasland, maximaal één hoogstamboom mag worden geplant, die een onderlinge afstand moet kennen van minimaal vijf meter tot de dichtstbijzijnde geplante bomen om de openheid en zichtlijnen te waarborgen. Het doel van de visie is om alleen hoogstambomen toe te laten en geen haagvormende laagstambomen om zo eveneens de openheid en zichtlijnen zoveel mogelijk te waarborgen. De grens tot waar deze invulling mogelijk is, is ten noorden van de kwekerij iets doorgetrokken, zodat de huidige bomen achter de kwekerij, die sinds jaar en dag aanwezig zijn en geen onderdeel uitmaken van de kwekerij, eveneens binnen deze strook vallen."

8.5. Uit de plantoelichting en de Gebiedsvisie, waarnaar deze plantoelichting verwijst, kan worden afgeleid dat in ieder geval openheid, hoewel in mindere mate dan bij andere zanderijen, een van de karakteristieke waarden van het onderhavige gebied is waar artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften betrekking op heeft. De plantoelichting maakt ten aanzien van de mogelijkheden voor het aanleggen van bomen, om de openheid en zichtlijnen te waarborgen, een onderscheid tussen het noordelijke en het zuidelijke deel van het gebied dat is gelegen ten noorden van de kwekerij. De gronden waarop de bomen zijn geplant zijn gelegen in het noordelijke deel van dit gebied. De planvoorschriften maken evenwel geen onderscheid tussen het noordelijke en het zuidelijke deel. Vast staat dat de 25 hoogstamfruitbomen voldoen aan de in de plantoelichting vermelde voorwaarde van één hoogstamfruitboom per 25 m² grasland, die een onderlinge afstand moet kennen van minimaal vijf meter tot de dichtstbijzijnde geplante bomen om de openheid en zichtlijnen te waarborgen, en dat die afstand 20 m bedraagt. Gelet hierop acht de Afdeling het aanplanten van deze 25 hoogstamfruitbomen niet in strijd met artikel 7, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften. Uit de plantoelichting blijkt voorts dat laagstambomen niet zijn toegelaten in het gebied ten noorden van de kwekerij om de openheid en zichtlijnen te waarborgen. Het aanplanten van de 162 laagstamfruitbomen is naar het oordeel van de Afdeling van blijvende invloed op de openheid en de zichtlijnen in het gebied en moet, gelet op de omvang van het aantal bomen, als een onevenredige aantasting van de karakteristieke waarden van het gebied worden aangemerkt. In zoverre is het project waarop de aanvraag ziet in strijd met artikel 7, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften. Het college heeft derhalve niet onderkend dat artikel 3.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro zich verzet tegen verlening van de gevraagde aanlegvergunning.

Het betoog slaagt.

Conclusie

9. Het beroep tegen het besluit van 4 april 2017 is gegrond. Dat besluit dient, wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, te worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van Stichting De Limiten tegen de van rechtswege verleende vergunning ongegrond is verklaard. De Afdeling zal zelf in de zaak voorziend de van rechtswege verleende vergunning herroepen en de aanvraag om omgevingsvergunning alsnog weigeren. Deze uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde deel van het besluit van 4 april 2017. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen Stichting de Limiten voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking meer.

Proceskosten

10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Huizen van 4 april 2017, kenmerk bl/tvz, voor zover daarbij het bezwaar door Stichting De Limiten tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning ongegrond is verklaard;

III. herroept de van rechtswege verleende omgevingsvergunning;

IV. weigert de aanvraag om aanlegvergunning van [bedrijf] voor het planten van fruitbomen van 30 september 2010;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Huizen tot vergoeding van bij Stichting De Limiten en Valkeveen in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Huizen tot vergoeding van bij Stichting De Limiten en Valkeveen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Huizen aan Stichting De Limiten en Valkeveen het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Slump w.g. Kos

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

580.