Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2914

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201710441/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Verzamelherziening Buitengebied 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2018/158 met annotatie van H.J. de Vries
JOM 2018/1049
JGROND 2018/221 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2018/221 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710441/1/R1.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Garderen, gemeente Barneveld,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Verzamelherziening Buitengebied 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben desgevraagd nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2018, waar [appellanten], in persoon van [appellant A], bijgestaan door mr. E. Lems, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. G.C. de Kruijf, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het bestemmingsplan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (hierna: moederplan), vastgesteld door de raad op 28 mei 2013. Tegen dit besluit hebben verschillende partijen beroep ingesteld. De Afdeling heeft op 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1327, en op 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891, uitspraak gedaan. De Afdeling heeft in deze uitspraken enkele onderdelen van de planregels en de verbeelding vernietigd. De delen die de Afdeling heeft vernietigd, worden in dit plan voor zover nodig gerepareerd. Daarnaast ziet het plan op enkele andere omissies in het moederplan en bevat het verbeterpunten van beperkte betekenis die naar voren zijn gekomen.

2.    [appellanten] zijn eigenaren van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Garderen. Zij kunnen zich niet verenigen met de reparaties die de raad in het plan heeft opgenomen voor het perceel [locatie 1] naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2015. Voorts hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de raad het perceel [locatie 2] ten onrechte buiten het plan heeft gelaten.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ingetrokken beroepsgronden

4.    Ter zitting hebben [appellanten] de beroepsgronden die betrekking hebben op twee stallen op het perceel [locatie 2], ingetrokken.

Planbegrenzing

5.    [appellanten] kunnen zich er niet mee verenigen dat het plan niet het gehele agrarische perceel [locatie 1] omvat. Volgens hen heeft de Afdeling bij haar uitspraak van 16 september 2015 bij de vernietiging van de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 1] geen voorbehoud of beperking opgenomen, waardoor de agrarische bestemming voor het gehele perceel [locatie 1] is vernietigd. Dit perceel moet in de context van de uitspraak volgens haar geacht worden ook het kadastrale perceel [locatie 2] te omvatten, behoudens het deel waaraan de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning" is toegekend. In dat verband wijzen zij erop dat de feitelijke inrichting van het terrein geen begrenzing tussen de beide percelen laat zien. Voorts wordt het perceel [locatie 2], afgezien van het deel met de bestemming "Recreatie-Recreatiewoning", ontsloten via [locatie 1]. Dit betekent dat de raad het plan ten onrechte tot een deel van de agrarische percelen heeft beperkt. Hierdoor is voor een deel van de percelen het plan van toepassing en voor de rest van het agrarische perceel het vóór het moederplan geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" (hierna: het voorheen geldende plan). Dit is volgens [appellanten] onwenselijk.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de vernietiging betrekking heeft op het afgebakende deel zoals opgenomen in het plan. De bestemming "Agrarisch" is een gebiedsbestemming, waarvoor een interpretatie nodig is van de uitspraak van de Afdeling om te bepalen op welk gedeelte van het bestemmingsplan deze vernietiging betrekking heeft, aldus de raad.

5.2.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

    In de uitspraak van 16 september 2015 heeft de Afdeling de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 1] te Garderen vernietigd. Naar het oordeel van de Afdeling moet dit, bij gebreke van aanknopingspunten voor het tegendeel in de overwegingen van de uitspraak, aldus worden opgevat dat wordt gedoeld op het perceel in kadastrale zin. Het perceel [locatie 2] is kadastraal een ander perceel dan het perceel [locatie 1]. De feitelijke indeling van dit terrein maakt dat niet anders. Dit betekent dat het perceel [locatie 2] niet is geraakt door de vernietiging. Aangezien in het beroep geen aanleiding kan worden gevonden voor de conclusie dat de raad dit laatste perceel anderszins deel had moeten laten uitmaken van het gebied van het plan, faalt het betoog van [appellanten] in zoverre.

    Blijkens de kadastrale gegevens is het als agrarisch bestemde deel van het kadastrale perceel [locatie 1] echter van een grotere omvang dan het deel dat de raad heeft opgenomen in het plan. Een L-vormig gedeelte van dit perceel ten westen en zuiden van het plangebied is namelijk buiten het plan gelaten. Dit betekent dat voor het deel van het agrarische perceel [locatie 1] dat niet in het plan is opgenomen, het voorheen geldende plan geldt. Dit komt niet overeen met hetgeen de raad heeft beoogd bij het nemen van het besluit van 8 november 2017. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat dit besluit, voor zover daarbij onderdelen van het agrarische perceel [locatie 1] buiten het plangebied zijn gelaten, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

    Het betoog slaagt in zoverre.

Omvang bouwblok en paardrijbak

6.    Het beroep van [appellanten] is voorts gericht tegen artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder b, van de planregels van het moederplan - welke regels in beginsel van overeenkomstige toepassing zijn op het plan -in samenhang bezien met het in de verbeelding weergegeven bouwvlak op het plandeel met de bestemming "Agrarisch". Volgens [appellanten] wordt het gebruik van hun bestaande, legale paardrijbak beperkt door de in die bepaling opgenomen voorwaarden ten opzichte van de bestaande situatie. Zij voeren hiertoe aan dat voor de paardrijbak een vergunning is verleend met een oppervlakte van 1.200 m², terwijl volgens de planregels de oppervlakte van de paardrijbak niet meer mag bedragen dan 800 m². Nu er geen correcte planologische regeling is voor de paardrijbak, wordt het gebruik daarvan ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht, aldus [appellanten].

    Daarnaast voeren [appellanten] aan dat de aansluiting van de paardrijbak op het bouwvlak niet correct in de verbeelding is opgenomen. Volgens hen is het bouwvlak zoals dat is opgenomen in het plan ten opzichte van het voorheen geldende plan ten onrechte verkleind, waardoor de paardrijbak niet geheel binnen het bouwvlak ligt. Voorts is de aansluiting door middel van een smalle verbindingsstrook gekunsteld, omdat deze geen functioneel bouwvlak voor bouwwerken en gebouwen kan zijn. Daarnaast wordt niet voldaan aan de definitie van een bouwvlak van artikel 2, lid 2.32, van de regels van het plan, aldus [appellanten].

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de paardrijbak op een correcte wijze is aangesloten op het bouwvlak. Volgens de raad klopt het voorts dat er een vergunning is verleend voor een paardrijbak met een oppervlakte van 1.200 m² en dat het gewenst is dit op een planologisch correcte wijze te regelen. Bij nader inzien had het de voorkeur verdiend dit te regelen in het plan, aldus de raad ter zitting.

6.2.    Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels van het moederplan mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

    Ingevolge artikel 2, lid 2.32, van de regels van het plan wordt onder bouwvlak verstaan: "een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;"

    Voorts is in artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder b, van de planregels van het moederplan het volgende bepaald:

"3.5.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming

Als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt aangemerkt:

[…]

b. het gebruik van grond als paardrijbak bij een agrarisch bedrijf, mits:

1. de paardrijbak wordt gebruikt ten dienste van bewoners van de bedrijfswoning of 'kleine woning' die ligt in het bouwvlak waartoe de paardrijbak behoort;

2. de paardrijbak binnen een bouwvlak dan wel aansluitend aan het bouwvlak ligt waartoe de paardrijbak behoort;

3. de paardrijbak achter de voorgevelrooilijn ligt;

4. de oppervlakte van de paardrijbak niet meer dan 800 m² bedraagt;

5. de afstand tot een woning van een derde niet minder dan 50 m bedraagt."

6.3.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 september 2015 in rechtsoverweging 31.4.1 al geoordeeld over de omvang van het bouwvlak. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen.

    Met betrekking tot de paardrijbak oordeelt de Afdeling verder als volgt. Ingevolge de hiervoor weergegeven planregels moet de paardrijbak liggen binnen een bouwvlak dan wel aansluitend aan het bouwvlak waartoe de paardrijbak behoort. Op de verbeelding van het plan is voor de paardrijbak een lange, rechthoekige toevoeging opgenomen die aansluit op het bouwvlak. Hiermee wordt voldaan aan artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder b, sub 1 en 2, van de planregels van het moederplan en aan de definitie van artikel 2, lid 2.32, van de regels van het plan. De Afdeling ziet in het summiere betoog van [appellanten] op dit punt geen aanleiding voor het oordeel dat de in de verbeelding opgenomen uitbreiding van het bouwvlak niet correct is en de raad niet in redelijkheid op deze wijze kon bewerkstelligen dat de paardrijbak aan het bouwvlak aansluit.

    Het betoog faalt in zoverre.

6.4.    De oppervlakte van de paardrijbak mag uitgaande van de planregels niet meer bedragen dan 800 m². Hieraan wordt in dit geval niet voldaan, aangezien de paardrijbak een oppervlakte van 1.200 m² heeft en daarvoor een vergunning is verleend. In de uitspraak van 16 september 2015 heeft de Afdeling overwogen dat de raad het bestaand gebruik als paardrijbak niet in redelijkheid onder het overgangsrecht van het moederplan heeft kunnen brengen. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat het moederplan in zoverre is vastgesteld in strijd met de eis van rechtszekerheid.

6.5.    Gelet op deze overwegingen in de uitspraak van 16 september 2015 en gelet op het standpunt dat de raad hierover ter zitting heeft ingenomen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 8 november 2017, voor zover de paardrijbak niet meer dan 800 m² mag bedragen, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. In zoverre slaagt het betoog.

Conclusie

7.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten] gegrond.

8.    De Afdeling zal overgaan tot vernietiging van het besluit wat het plandeel zoals nader weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I betreft en waar het artikel 3, lid 3.5.1, sub 4, van de planregels van het moederplan betreft, voor zover dit van overeenkomstige toepassing is verklaard op het plan. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van deze onderdelen in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Hierbij betrekt de Afdeling de omstandigheid dat partijen ter zitting desgevraagd te kennen hebben gegeven te kunnen instemmen met een aanpassing van de planregels zoals de Afdeling ter zitting heeft voorgelegd.

9.    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

10.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 8 november 2017 tot vaststelling van het bestemmingplan "Verzamelherziening Buitengebied 2012", voor zover een deel van het perceel [locatie 1] te Garderen met de bestemming "Agrarisch", welk deel is weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I, buiten het plan is gelaten en waar het artikel 3, lid 3.5.1, sub 4, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" betreft, voor zover dit van overeenkomstige toepassing is verklaard in het bestemmingsplan "Verzamelherziening Buitengebied 2012";

III.    bepaalt dat de verbeelding ter plaatse van het agrarisch perceel [locatie 1] wordt aangepast op de wijze zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart II;

IV.    bepaalt dat artikel 3, lid 3.5.1, sub 4, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", voor zover betrekking hebbend op het bestemmingsplan "Verzamelherziening Buitengebied 2012", komt te luiden: "4. de oppervlakte van de paardrijbak niet meer dan 800 m² bedraagt, met dien verstande dat de oppervlakte van de paardrijbak voor het perceel [locatie 1] niet meer dan 1.200 m² bedraagt;";

V.    bepaalt dat deze uitspraak wat de onderdelen III en IV betreft in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI.    draagt de raad van de gemeente Barneveld op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II, III, IV en V worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII.    veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 540,37 (zegge: vijfhonderdveertig euro en zevenendertig cent), waarvan € 501,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

195-877.