Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201707505/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft het college [appellant] onder aanzegging van een dwangsom gelast om op zijn perceel [locatie] te Ohé en Laak (hierna: het perceel) aanwezige asbesthoudende golfplaten door een gecertificeerd bedrijf te laten verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/217 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/7964
JOM 2018/1058
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707505/1/A1.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ohé en Laak, gemeente Maasgouw,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft het college [appellant] onder aanzegging van een dwangsom gelast om op zijn perceel [locatie] te Ohé en Laak (hierna: het perceel) aanwezige asbesthoudende golfplaten door een gecertificeerd bedrijf te laten verwijderen.

Bij besluit van 25 april 2017 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij de rechtbank Limburg beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroepschrift op 17 september 2017 doorgestuurd naar de Afdeling ter behandeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2018, waar [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, en het college, vertegenwoordigd door N.J.S. Maas-Houben en W.M.G. Cramers, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op het perceel bevond zich een gebouw, door partijen gebouw 2a genoemd, waarvan het dak bestond uit asbesthoudende golfplaten.

Op 20 augustus 2016 heeft het college geconstateerd dat [appellant] het dak van gebouw 2a grotendeels heeft gesloopt. Van de bevindingen is op dezelfde dag een rapport opgesteld. Het college heeft de werkzaamheden stilgelegd en dit besluit op 24 augustus 2016 op schrift gesteld.

    In opdracht van [appellant] heeft het bedrijf Xilium B.V. op 1 september 2016 een asbestinventarisatie gemaakt en daarvan een rapport, gedateerd 9 september 2016, opgesteld.

    Het college heeft [appellant] bij het besluit van 21 oktober 2016 gelast om binnen drie weken na verzenddatum van het besluit de asbesthoudende golfplaten die nog bevestigd zijn op het gebouw 2a en de stapel afgedekte asbesthoudende golfplaten gelegen op het perceel aan de [locatie] te Ohé en Laak door een Ascert gecertificeerd bedrijf te laten verwijderen. Met een gecertificeerd bedrijf wordt bedoeld een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Het college is er daarbij van uitgegaan dat het dak van gebouw 2a een oppervlakte had van meer dan 35 m2. Het college heeft aan het besluit onder meer ten grondslag gelegd dat artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 en artikel 6 van het Asbestverwijderingsbesluit zijn overtreden.

    [appellant] betwist niet dat het college als zodanig bevoegd was tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen. Hij kan zich niet verenigen met de inhoud van de opgelegde last.

2.    De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.

2.1.    [appellant] betoogt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen gelasten dat de verwijdering van de asbesthoudende golfplaten door een gecertificeerd bedrijf dient te gebeuren. Hij stelt dat het college heeft miskend dat de oppervlakte aan asbesthoudende dakplaten van gebouw 2a minder was dan 35 m2, zodat er geen reden is om te gelasten dat een gecertificeerd bedrijf de verwijdering moet verrichten. Bovendien betreffen de dakplaten, anders dan waarvan het college is uitgegaan, blijkens het rapport van Xilium hechtgebonden asbest, zo stelt hij.

3.1.    In artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit is bepaald dat, indien de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 als bedoeld in artikel 4.48 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, bepaalde handelingen met asbesthoudende producten slechts mogen worden verricht door een gecertificeerd bedrijf. Niet in geschil is dat het op het perceel gaat om asbesthoudende platen die zijn geclassificeerd in bedoelde risicoklasse 2. Artikel 3 regelt dat als bepaalde handelingen met asbesthoudende producten worden verricht een asbestinventarisatierapport is vereist. Artikel 4, voor zover dat in artikel 6 van overeenkomstige toepassing is verklaard, omschrijft de gevallen waarin een asbestinventarisatierapport niet is vereist.

    Met de van overeenkomstige toepassingverklaring in artikel 6, tweede lid, van onderdelen van artikel 4 heeft de wetgever beoogd te regelen dat in de desbetreffende in artikel 4 genoemde gevallen bepaalde handelingen met asbesthoudende producten ook door anderen dan een gecertificeerd bedrijf mogen worden verricht. Partijen gaan ervan uit dat artikel 6, in verbinding met artikel 4, derde lid, en artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit erop neerkomen dat een gecertificeerd bedrijf asbesthoudende platen dient te verwijderen, tenzij de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen minder dan 35 m2 per kadastraal perceel bedraagt en het hechtgebonden asbest betreft.

3.2.    Ten tijde van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 oktober 2016 was het gehele dak van gebouw 2a gesloopt.

    Het college heeft zich onder meer op grond van een rapport van 11 juni 2015 op het standpunt gesteld dat het dak een oppervlakte van meer dan 35 m2 aan asbesthoudende dakplaten had. In het rapport zijn de bevindingen neergelegd van een bezoek aan het perceel naar aanleiding van een handhavingsverzoek van een omwonende. In het rapport is geconstateerd dat gebouw 2a een oppervlakte heeft van 45,3 m2. Weliswaar is op foto 2 in het rapport te zien dat op dat moment het dak van gebouw 2a niet meer intact was, maar de oppervlakte van het deel van het dak waarop dakplaten ontbreken, bedraagt hooguit 1 à 2 m2, zo heeft het college ter zitting gesteld. Wat ook zij van de exacte oppervlakte van de ontbrekende dakplaten, deze oppervlakte is naar het oordeel van de Afdeling hoe dan ook niet zodanig dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de oppervlakte van het asbesthoudende dak van gebouw 2a op 11 juni 2015 meer dan 35 m2 bedroeg. De ter zitting naar voren gebrachte stelling van [appellant] dat gebouw 2a, toen hij in 2002 eigenaar werd van het perceel, reeds een aantal dakplaten mistte en de oppervlakte aan asbesthoudende dakplaten minder bedroeg dan 35 m2, wat daar overigens ook van zij, acht de Afdeling, gezien het vorenstaande niet aannemelijk.

    Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat op het perceel van gebouw 2a afkomstige asbesthoudende dakplaten met een oppervlakte van meer dan 35 m2 aanwezig waren, zodat gelet op bovenvermelde bepalingen uit het Asbestverwijderingsbesluit verwijdering door een gecertificeerd bedrijf was aangewezen. De stelling dat op het moment van het nemen van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 oktober 2016 de op het perceel aanwezige, van gebouw 2a afkomstige, dakplaten inmiddels een gezamenlijke oppervlakte van minder dan 35 m2 hadden, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. Artikel 4, derde lid aanhef en onder a, van het Asbestverwijderingsbesluit stelt een maximum ten aanzien van de oppervlakte van per perceel af te voeren asbesthoudende platen en vaststaat dat die is overschreden. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het college verwijdering van de overige asbesthoudende dakplaten door een gecertificeerd bedrijf niet langer aangewezen heeft mogen achten en niet in redelijkheid [appellant] heeft kunnen gelasten de op het perceel nog aanwezige dakplaten, afkomstig van gebouw 2a, door een gecertificeerd bedrijf te laten verwijderen.

    De vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet gaat om hechtgebonden asbest en het verwijderen van de dakplaten ook om die reden door een gecertificeerd bedrijf dient te gebeuren, behoeft, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen bespreking.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de aan het besluit van 21 oktober 2016 ten grondslag gelegde overtredingen.

3.1.    In het besluit van 21 oktober 2016 heeft het college de hoogte van de dwangsom gemotiveerd. Het college heeft een bedrag van € 3.000,00 passend geacht gezien de ernst van de overtreding en de kosten die moeten worden gemaakt om de overtreding te beëindigen. Het bedrag is daarbij iets verhoogd ten opzichte van de kosten die moeten worden gemaakt voor de verwijdering, om een financiële prikkel te geven, zo staat in het besluit.

    Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bedrag van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

    Het betoog faalt.

4.     Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Drop    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

163. Bijlage

Artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit luidt:

1. Degene die:

a. anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een bouwwerk of object geheel of gedeeltelijk afbreekt of uit elkaar neemt, of

b. een bouwwerk of object geheel of gedeeltelijk doet afbreken of uit elkaar doet nemen,

beschikt met betrekking tot het bouwwerk of object, dan wel het gedeelte daarvan ten aanzien waarvan de handeling wordt verricht, over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk of object asbest of een asbesthoudend product bevindt.

2. Degene die:

a. anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf asbest of een asbesthoudend product uit een bouwwerk of object verwijdert, of

b. asbest of een asbesthoudend product uit een bouwwerk of object doet verwijderen,

beschikt met betrekking tot het bouwwerk of object over een asbestinventarisatierapport.

3. Degene die materialen of producten doet opruimen die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen, beschikt met betrekking tot de materialen of producten over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in de materialen of producten asbest of een asbesthoudend product bevindt.

Artikel 4 luidt:

1. Artikel 3 is niet van toepassing op:

a. […];

b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen;

c. wegen als bedoeld in het Besluit asbestwegen milieubeheer.

2. Artikel 3 is voorts niet van toepassing op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk:

a. verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voorzover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet;

b. verwijderen van geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;

c. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;

d. verwijderen van pakkingen uit verbrandingsmotoren;

e. verwijderen van pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.

3. Artikel 3 is voorts niet van toepassing op het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel:

a. verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand gebouw, voor zover de woning of het gebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt."

Artikel 6 luidt:

"1. De volgende handelingen, indien de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, mogen slechts worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit:

a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten indien in die bouwwerken of objecten asbest of een asbesthoudend product is verwerkt;

b. het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit bouwwerken of objecten;

c. het opruimen van asbest dat of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident is of zijn vrijgekomen.

2. Artikel 4 is, met uitzondering van het eerste lid, onder a, van overeenkomstige toepassing.

3. Het is verboden een handeling als bedoeld in het eerste lid te doen verrichten in strijd met het bepaalde in het eerste lid in verbinding met het tweede lid."

Artikel 4.48 van het Arbeidsomstandighedenbesluit luidt:

"1. Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid kunnen worden blootgesteld, de som van de concentratie asbestvezels van het type chrysotiel als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, eerste lid, en van de concentratie amfibole asbestvezels actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet als fractie van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, groter is dan of gelijk is aan 1, dan is in aanvulling op paragraaf 3 tevens deze paragraaf van toepassing."