Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201707530/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6103, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college een verzoek van [appellante] tot wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (hierna: de brp) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2018/109
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1240
Module BRP 2019/2026
Module Privacy & AVG 2019/1240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707530/1/A3.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2017 in zaak nr. 16/7679 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college een verzoek van [appellante] tot wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (hierna: de brp) afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.M. Langenberg, advocaat te Utrecht, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] is in 2004 naar Nederland gekomen. In Nederland zijn uit haar drie kinderen geboren, namelijk in 2005, 2008 en 2014. [appellante] is sinds 24 november 2004 in de brp ingeschreven als [naam 1], geboren [1988] te Shongqing (China). Deze gegevens zijn ontleend aan een door haar afgelegde verklaring onder belofte. Zij heeft het college verzocht om haar gegevens te wijzigen in [naam 2], geboren [1983] te Changle (China). Daartoe heeft zij de volgende documenten overgelegd:

- een Chinese identiteitskaart, afgegeven op 1 maart 2002;

- een Chinees paspoort, afgegeven op 25 oktober 2013;

- een notariële geboorteverklaring, afgegeven op 21 september 2015;

- een notariële verklaring over goed gedrag, afgegeven op 25 juli 2013;

- een ongehuwdverklaring, afgegeven op 17 juli 2013, met bijbehorend notarieel certificaat, afgegeven op 25 juli 2013;

- een huishoudregistratieboekje (Hukou), waarin [naam 2] is geregistreerd op 24 juli 2013, met bijbehorend notarieel certificaat, afgegeven op 1 juni 2016;

- een door het Dorpscomité […] opgesteld geboortecertificaat, afgegeven op 22 juli 2013.

    Achtergrond van het verzoek tot wijziging van de brp is dat een verzoek tot naturalisatie is afgewezen omdat twijfel bestaat over de door [appellante] bij het verzoek om naturalisatie gebruikte identiteit.

Besluiten van het college

2.    Het college heeft het verzoek van [appellante] tot wijziging van de brp afgewezen. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de in de door [appellante] overgelegde documenten vermelde persoonsgegevens aan haar toebehoren. Daardoor is door [appellante] ook niet onomstotelijk aangetoond dat de thans in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] onvoldoende heeft aangetoond dat de door haar overgelegde documenten op haar betrekking hebben. Daarom staat niet onomstotelijk vast dat de thans in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn. De overgelegde documenten vermelden slechts gegevens over een persoon waarvan [appellante] stelt dat zij het is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het paspoort, de hukou-registratie, het geboortecertificaat en de diverse notariële aktes dateren van na de komst van [appellante] naar Nederland. Niet is gebleken op basis van welke brondocumenten deze documenten zijn opgemaakt, zodat onduidelijk is of voorafgaand aan de afgifte ervan een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden. Verder is van belang dat de hukou-registratie niet de volledige oudergegevens bevat, zodat onduidelijk is op basis waarvan de geboorteverklaring is opgemaakt en op basis waarvan daarin de oudergegevens zijn opgenomen. Ook heeft het college het opmerkelijk mogen achten dat [appellante] is ingeschreven in de hukou van het huishouden van haar broer, terwijl zij sinds 2004 in Nederland verblijft. Voorts is het geboortecertificaat niet afgegeven door een daartoe bevoegde instantie. Ook heeft [appellante] niet met doorslaggevend aanvullend bewijs aannemelijk gemaakt dat zij dezelfde persoon is als degene die op de identiteitskaart is vermeld. Het door [appellante] met een beroep op de verificatieplicht bepleite onderzoek naar de echtheid van de documenten is in deze situatie (nog) niet zinvol, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij met de overgelegde documenten niet onomstotelijk heeft aangetoond dat de daarin vermelde persoonsgegevens haar toebehoren. Volgens haar heeft de rechtbank miskend dat de Chinese identiteitskaart is overgelegd als aanvullend bewijsstuk, naast de overgelegde brondocumenten. Het college heeft volgens haar onvoldoende gemotiveerd waarom aan de identiteitskaart geen waarde wordt gehecht. Zij wijst erop dat de identiteitskaart is afgegeven door de Chinese autoriteiten en dat de daarop aanwezige gegevens en pasfoto overeenkomen dan wel grote gelijkenis vertonen met de gegevens en pasfoto op de geboorteverklaring en op het paspoort. In dat verband heeft zij een rapport van een gezichtsvergelijkend onderzoek overgelegd. Het college had de documenten moeten verifiëren, aldus [appellante].

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:232), dienen de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk te zijn. De gebruikers van deze gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Zoals de Afdeling eerder ook heeft overwogen (onder meer uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:305) moet voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk vaststaan dat de gegevens onjuist zijn.

4.2.    In het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat door het college bij het besluit van 19 oktober 2016 is overgenomen, staat dat de identiteitskaart onafhankelijk van de andere documenten onvoldoende zekerheid biedt om als brondocument voor de bijhouding van de brp te worden aangemerkt. Dat de identiteitskaart op zichzelf onvoldoende is voor wijziging van de brp, laat onverlet dat de gegevens op de identiteitskaart een aanwijzing zouden kunnen vormen voor het antwoord op de vraag of de overige door [appellante] overgelegde documenten haar betreffende gegevens bevatten. In dat verband is van belang dat de identiteitskaart is afgegeven op 1 maart 2002, dus vóór de komst van [appellante] naar Nederland. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat op de identiteitskaart een pasfoto staat. In hoger beroep heeft [appellante] een rapport van 10 april 2018 overgelegd, waarin de resultaten staan van een gezichtsvergelijkend onderzoek dat is uitgevoerd door Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau. Bij dit onderzoek zijn de pasfoto's op de identiteitskaart, de geboorteverklaring en het paspoort vergeleken met de pasfoto op het Nederlandse verblijfsdocument van [appellante]. Niet is gebleken dat het onderzoek ondeugdelijk is uitgevoerd. In het rapport staat dat bij het onderzoek diverse morfologische overeenkomsten zijn aangetroffen en dat geen significante en karakteristieke morfologische verschillen zijn aangetroffen. In het rapport staat als conclusie dat de resultaten van het gezichtsvergelijkende onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de persoon op pasfoto's op de identiteitskaart, de geboorteverklaring en het paspoort dezelfde persoon is als de persoon op de pasfoto op het verblijfsdocument, dan wanneer dit niet zo is. Gelet hierop heeft het college, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de identiteitskaart onvoldoende onderzocht. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op de overgelegde documenten vermelde gegevens op haar betrekking hebben en dat zij niet onomstotelijk heeft aangetoond dat de thans in de brp over haar vermelde gegevens onjuist zijn.

    Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 19 oktober 2016 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het college dient opnieuw een besluit te nemen op het door [appellante] tegen het besluit van 9 mei 2016 gemaakte bezwaar. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2017 in zaak nr. 16/7679;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 19 oktober 2016, kenmerk A.B.2016.4.08405/CPO;

V.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

640.