Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2908

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201702503/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:8062, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag van [appellant sub 2] voor het jaar 2016 herzien vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702503/1/A2.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    De Belastingdienst/Toeslagen, gevestigd te Utrecht,

2.    [appellant sub 2], wonend te Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 februari 2017 in zaak nr. 16/6903 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag van [appellant sub 2] voor het jaar 2016 herzien vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag van [appellant sub 2] voor het jaar 2014 definitief vastgesteld op respectievelijk € 1.379,00, € 1.447,00 en € 2.697,00 en respectievelijk € 282,00, € 295,00 en € 604,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 5 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag van [appellant sub 2] voor het jaar 2015 herzien vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 18 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant sub 2] tegen de besluiten van 21 januari 2016 en 5 februari 2016 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het tegen het besluit van 28 januari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 december 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 18 juli 2016 gewijzigd in die zin dat de aanspraak op zorgtoeslag en kindgebonden budget voor het jaar 2015 op een ander bedrag wordt vastgesteld.                                           

Bij uitspraak van 2 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] tegen de besluiten van 18 juli 2016 en 19 december 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] dient te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. F.H. Bruggink, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant sub 2] is getrouwd met [echtgenote]. [echtgenote] is door de Belastingdienst/Toeslagen als de toeslagpartner van [appellant sub 2] aangemerkt. Zij hebben samen drie kinderen. [appellant sub 2] heeft voor de jaren 2014, 2015 en 2016 zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag aangevraagd. Dit zijn tegemoetkomingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir).

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 18 juli 2016, zoals gewijzigd bij het besluit van 19 december 2016, ten grondslag gelegd dat [appellant sub 2] in de periode van 10 oktober 2014 tot 22 mei 2015 geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en zijn toeslagpartner en kinderen in de periode van 10 oktober 2014 tot 3 september 2015 geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich daarbij gebaseerd op gegevens die hij heeft ontvangen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND). Wat betreft de huurtoeslag over 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich aanvullend op het standpunt gesteld dat het toetsingsinkomen van [appellant sub 2] in dat jaar de inkomensgrens om voor huurtoeslag in aanmerking te komen overschrijdt.

Wettelijk kader

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 1, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:969) overwogen dat uit de gegevens van de IND weliswaar volgt dat [appellant sub 2] in de periode van 10 oktober 2014 tot 22 mei 2015 en zijn echtgenote in de periode van 10 oktober 2014 tot 3 september 2015 geen rechtmatig verblijf in Nederland hielden, maar dat zij zodra het mogelijk was zijn gaan procederen over de besluiten waarbij hun verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht zijn ingetrokken en zij de onderbreking van de periode van rechtmatig verblijf dan ook niet hebben kunnen voorkomen. De periode dat [appellant sub 2] en zijn echtgenote procedeerden over de intrekking van hun verblijfsvergunningen dient dan ook als aansluitend aan het eerdere rechtmatig verblijf in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Awir te worden aangemerkt. Gelet hierop heeft [appellant sub 2] over de periode van november 2014 tot en met september 2015 recht op zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag, aldus de rechtbank.

Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

4.    [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij en zijn echtgenote van 10 oktober 2014 tot 2 oktober 2015 rechtmatig verblijf hebben gehad. Uit het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 december 2015 blijkt dat hij in die periode een formeel beperkt verblijfsrecht had. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW1435) volgt dat een dergelijk formeel beperkt verblijfsrecht verblijf op grond van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) inhoudt. Voor zijn echtgenote geldt hetzelfde, aangezien zij sinds 2009 over een van hem afgeleid verblijfsrecht beschikt. Bovendien vloeit voor haar als gezinslid van hem rechtmatig verblijf voort uit Richtlijn 2003/109/EG, nu [appellant sub 2] in de betreffende periode zijn verblijfsrecht als langdurig ingezetene van Spanje uitoefende in Nederland.

4.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag de Belastingdienst/Toeslagen zich in beginsel baseren op de verblijfscodes die door de IND zijn verstrekt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK0811). Indien een vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de aan hem toegekende verblijfstitelcode naar voren heeft gebracht, dient de Belastingdienst/Toeslagen nader onderzoek te doen naar de juistheid van die verblijfscode.

4.2.    Volgens de door de IND aan de Belastingdienst/Toeslagen verstrekte gegevens had [appellant sub 2] van 26 oktober 2013 tot 10 oktober 2014 code 21, van 10 oktober 2014 tot 22 mei 2015 code 98, van 22 mei 2015 tot 16 oktober 2015 code 33 en vanaf 16 oktober 2015 code 25. Code 21 betekent dat een vreemdelingen over een geldige verblijfstitel beschikt, dat wil zeggen een verblijfsvergunning heeft. Code 98 betekent dat een vreemdeling niet (meer) over een verblijfstitel beschikt, dat wil zeggen geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vw 2000 (meer) heeft. Code 33 betekent dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vw 2000. Code 25 betekent dat een vreemdeling over een geldige verblijfsvergunning beschikt.

4.3.    Uit het door [appellant sub 2] overgelegde besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 december 2015 volgt dat [appellant sub 2] met ingang van 26 oktober 2009 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘arbeid als zelfstandige’, geldig tot 26 oktober 2010, laatstelijk verlengd tot 22 oktober 2018. Op 22 mei 2015 heeft hij een aanvraag om afgifte van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen ingediend. Bij besluit van 3 september 2015 is deze aanvraag afgewezen en is de aan [appellant sub 2] verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘arbeid als zelfstandige’ ingetrokken met terugwerkende kracht per 10 oktober 2014. Hiertegen heeft [appellant sub 2] op 16 september 2015 bezwaar gemaakt. Op 2 oktober 2015 heeft [appellant sub 2] vervolgens een aanvraag ingediend tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ in een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. Deze aanvraag is bij besluit van 14 december 2015 ingewilligd, waarbij aan [appellant sub 2] met ingang van 2 oktober 2015 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ is verleend, geldig tot 22 september 2016 (zie ter verduidelijking bijlage 2).

4.4.    De intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning van [appellant sub 2] heeft tot gevolg dat het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw 2000 dat hij op basis van die vergunning had, is vervallen. Die periode loopt van 10 oktober 2014, te weten de datum met ingang waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken, tot 22 mei 2015, het moment waarop [appellant sub 2] een aanvraag heeft gedaan om een EU-verblijfsvergunning. [appellant sub 2] heeft in die periode derhalve geen rechtmatig verblijf gehad. De mededeling van de staatssecretaris in het besluit van 17 december 2015 dat [appellant sub 2] in die periode over een formeel beperkt verblijfsrecht als bedoeld in Richtlijn 2003/109/EG beschikte is reeds hierom onjuist. Nu de echtgenote van [appellant sub 2] een van hem afgeleid verblijfsrecht had, beschikte zij in die periode evenmin over een verblijfsrecht. Voor haar vloeit in die periode evenmin een verblijfsrecht voort uit artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 2003/109/EG, aangezien aan [appellant sub 2] niet eerder dan bij het besluit van 17 december 2015 met ingang van 16 oktober 2015 een EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene is verleend.

4.5.    Het betoog faalt.

Hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen

5.    De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant sub 2] over de periode van november 2014 tot en met september 2015 recht heeft op zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag.

    De Belastingdienst/Toeslagen voert daartoe aan dat over de hele periode van november 2014 tot en met september 2015 het ontbreken van een verblijfsrecht van de echtgenote van [appellant sub 2] aan toekenning van tegemoetkomingen in de weg staat. De rechtbank heeft volgens de dienst wat betreft de echtgenote ten onrechte belang gehecht aan de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016. Die uitspraak ziet op de toepassing van het eerste lid van artikel 9 van de Awir, terwijl op het geval van de echtgenote het tweede lid van die bepaling van toepassing is.

    De Belastingdienst/Toeslagen voert voorts aan dat over de periode van november 2014 tot en met mei 2015 eveneens het ontbreken van een verblijfsrecht van [appellant sub 2] zelf aan toekenning van tegemoetkomingen in de weg staat. De rechtbank heeft wat betreft [appellant sub 2] ten onrechte geoordeeld dat de periode dat hij procedeerde over de intrekking van zijn verblijfsvergunning als aansluitend aan het eerdere rechtmatig verblijf in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Awir dient te worden aangemerkt. Het koppelingsbeginsel verzet zich in dit geval tegen toekenning van tegemoetkomingen over de periode november 2014 tot en met mei 2015 waarin [appellant sub 2] geen rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000.

5.1.    In aansluiting op hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (in de uitspraak van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:969), overweegt de Afdeling dat het woord ‘aansluitend’ in artikel 9, eerste lid, van de Awir niet zo strikt dient te worden uitgelegd dat die bepaling nimmer van toepassing kan zijn op een situatie waarin als gevolg van de intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot een datum na de verleningsdatum, tussen twee perioden van rechtmatig verblijf een periode van onrechtmatig verblijf ontstaat. Voor de beoordeling of bij een tussenliggende periode van onrechtmatig verblijf artikel 9, eerste lid, van de Awir geacht moet worden van toepassing te zijn heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:828) op niet uitputtende wijze een aantal elementen opgesomd.

5.2.   Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de periode vanaf 22 mei 2015 waarin [appellant sub 2] rechtmatig verblijf heeft gehad niet aangemerkt kan worden als ‘aansluitend’ aan de periode van rechtmatig verblijf die loopt tot 10 oktober 2014. Daartoe wordt overwogen dat de verblijfsvergunning van [appellant sub 2] met als beperking ‘arbeid als zelfstandige’ met terugwerkende kracht is ingetrokken omdat [appellant sub 2] in strijd met die beperking arbeid in loondienst heeft verricht. [appellant sub 2] had derhalve redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget ten onrechte werden verleend. Hij had kunnen begrijpen dat het in strijd handelen met de aan zijn verblijfsvergunning verbonden beperking gevolgen zou kunnen hebben voor zijn verblijfsrecht en zijn aanspraak op toeslagen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft gelet op artikel 5 van de Awir aldus terecht aangevoerd dat over de periode van november 2014 tot en met mei 2015 het ontbreken van een verblijfsrecht van [appellant sub 2] aan toekenning van tegemoetkomingen in de weg staat.

5.3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft eveneens terecht aangevoerd dat in de daaropvolgende periode van juni tot en met september 2015 het ontbreken van een verblijfsrecht van de echtgenote van [appellant sub 2] aan toekenning van tegemoetkomingen in de weg staat. Volgens de door de IND aan de Belastingdienst/Toeslagen verstrekte gegevens had de echtgenote van [appellant sub 2] van 21 augustus 2013 tot 10 oktober 2014 code 21, van 10 oktober 2014 tot 3 september 2015 code 98, van 3 september 2015 tot 2 oktober 2015 code 33 en vanaf 2 oktober 2015 code 21. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in overeenstemming met deze gegevens terecht op het standpunt gesteld dat de echtgenote van [appellant sub 2] in de periode van 23 mei 2015 tot 3 september 2015 geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000 heeft gehad. De dienst heeft zich gelet op artikel 5 van de Awir dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] ingevolge artikel 9, tweede lid, van die wet over de periode van juni tot en met september 2015 evenmin recht heeft op zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5.4.    Het betoog slaagt.

Conclusie

6.    Gelet op het voorgaande is het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de besluiten van 18 juli 2016 en 19 december 2016 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog ongegrond verklaren.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 februari 2017 in zaak nr. 16/6903;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Komduur

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

809. BIJLAGE 1

Artikel 9 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

1. Indien aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 een tegemoetkoming is toegekend, heeft de omstandigheid dat hij aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van die wet niet tot gevolg dat hij daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde tegemoetkoming gedurende de periode van laatstgenoemd verblijf.

2. Ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming.

[…]

Artikel 8 van de Vreemdelingenwet, zoals deze luidde op 1 januari 2015

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan;

j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;

k. gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;

l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

m. na afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 30, eerste lid, onderdeel a, terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.

BIJLAGE 2