Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:29

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2018
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
201702672/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:1720, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2016 heeft de raad een aanvraag van [appellant B] om een vergoeding voor door hem als advocaat aan [appellant A] verleende rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702672/1/A2.

Datum uitspraak: 10 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2017 in zaak nr. 16/6971 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de raad voor rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2016 heeft de raad een aanvraag van [appellant B] om een vergoeding voor door hem als advocaat aan [appellant A] verleende rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2016 heeft de raad het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2017, waar [appellant B], mede als vertegenwoordiger van [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) heeft bij besluit van 16 november 2015 de ziektewetuitkering van [appellant A] vanaf 17 december 2015 beëindigd. Op 9 februari 2016, zoals aangevuld op 7 april 2016, heeft [appellant B] een aanvraag ingediend om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant A] voor een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure tegen dit besluit. De raad heeft deze toevoeging bij besluit van 29 april 2016 verleend.

2.    Op 6 mei 2016 heeft [appellant B] een aanvraag ingediend om een vergoeding voor aan [appellant A] verleende rechtsbijstand op basis van voormelde toevoeging. Hierbij heeft [appellant B] de uitspraak overgelegd van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 26 januari 2016, waarbij de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening heeft afgewezen.

    Bij besluit van 24 mei 2016 heeft de raad de aanvraag van 6 mei 2016 afgewezen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de toevoegingsaanvraag van [appellant B] dateert van 9 februari 2016, terwijl de voorzieningenrechter op 26 januari 2016 uitspraak heeft gedaan. Daardoor is niet voldaan aan de voorwaarde dat een aanvraag om een toevoeging moet worden ingediend voordat de werkzaamheden zijn beëindigd en wordt de vergoeding afgewezen, aldus de raad. Het daartegen door [appellant B] gemaakte bezwaar heeft de raad bij besluit van 22 augustus 2016 ongegrond verklaard, waarbij het zijn standpunt dat op het moment van indiening van de toevoegingsaanvraag de rechtsbijstand in de zaak reeds was beëindigd, heeft gehandhaafd. Het door [appellant A] gemaakte bezwaar heeft de raad niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant A] geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het besluit van 24 mei 2016 over de aan [appellant B] toekomende vergoeding.

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank is de raad gevolgd in zijn standpunt dat [appellant A] geen belanghebbende is bij een besluit op een verzoek om vergoeding van de onder toevoeging verrichte werkzaamheden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde werkzaamheden van [appellant B] niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat deze weigering niet onevenredig is of in strijd met het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) of artikel 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Ook van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is de rechtbank niet gebleken.

Het hoger beroep van [appellant A]

4.    [appellant A] betoogt dat zij, anders dan de raad en de rechtbank hebben aangenomen, wel belanghebbende is bij een besluit op een verzoek om vergoeding van de onder toevoeging verrichte werkzaamheden en dat zij dus ook kan opkomen tegen het besluit op bezwaar voor zover dat betrekking heeft op [appellant B]. Hiertoe voert [appellant A] onder meer aan dat het een advocaat gelet op regel 25 van de Gedragsregels 1992 van de Orde van Advocaten (hierna: de Gedragsregels) niet toegestaan is om werkzaamheden te verrichten op basis van een 'no cure no pay'-afspraak. Als de raad aan [appellant B] geen vergoeding toekent, zal [appellant B] haar dan ook een factuur sturen, aldus [appellant A].

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1853) is het belang van de rechtzoekende niet rechtstreeks betrokken bij een besluit waarbij de hoogte van de aan de rechtshulpverlener toekomende vergoeding is vastgesteld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de rechtsbijstand op basis van toevoeging al is verleend en de rechtzoekende daarvoor een eigen bijdrage die voortvloeit uit draagkracht verschuldigd is aan de rechtsbijstandverlener. Niet gebleken is dat deze eigen bijdrage zal worden beïnvloed door de uitkomst van deze procedure. [appellant A] kan niet worden gevolgd in haar betoog over regel 25 van de Gedragsregels, reeds omdat regel 24, tweede lid, van de Gedragsregels luidt dat een advocaat voor de behandeling van een zaak waarin hij is toegevoegd voor zijn werkzaamheden geen vergoeding, in welke vorm dan ook, zal bedingen of in ontvangst zal nemen, afgezien van eigen bijdragen en verschotten volgens de daarvoor geldende regels. Met haar verwijzing naar de Gedragsregels heeft [appellant A] dan ook niet gestaafd dat zij gehouden is zelf de verleende rechtsbijstand te betalen. Dat, zoals [appellant A] ter zitting heeft betoogd, tussen haar en [appellant B] contractueel is bepaald dat [appellant B] kan verzoeken om intrekking van de toevoeging als de raad niet uitbetaalt, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de situatie waarin de toevoeging is ingetrokken zich thans niet voordoet. Bovendien kan [appellant A], indien de raad overgaat tot intrekking van de verleende toevoeging, hetgeen hij, naar ter zitting is gebleken, niet zonder meer zal doen, als belanghebbende daartegen opkomen. Hetgeen [appellant A] voor het overige aanvoert, over het belang van een rechtzoekende bij een besluit over een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand, leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat onderhavige zaak daarop niet ziet.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep, voor zover dat door [appellant A] is ingesteld, is ongegrond.

Het hoger beroep van [appellant B]

6.    [appellant B] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de door hem gestelde werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen.

7.    Hij betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de rechtsbijstand op het moment van de toevoegingsaanvraag van 9 februari 2016 reeds was beëindigd. Daarmee gaat de raad eraan voorbij dat hij die rechtsbijstand nog heeft verleend tot en zelfs na 9 februari 2016, aldus [appellant B].

7.1.    De raad heeft [appellant B] in bezwaar, bij e-mail van 15 juni 2016, in de gelegenheid gesteld zijn stelling over de door hem na 9 februari 2016 verrichte werkzaamheden nader te onderbouwen. Weliswaar heeft [appellant B] de raad in reactie hierop een overzicht gestuurd van door hem verrichte werkzaamheden na 9 februari 2016, maar hij heeft geen stukken overgelegd ter staving van die werkzaamheden. Daarom is de rechtbank de raad terecht gevolgd in zijn standpunt dat [appellant B] niet heeft gestaafd dat hij op en na 9 februari 2016 nog rechtsbijstand heeft verleend in het kader van de procedure over de voorlopige voorziening.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant B] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad in bepaalde spoedeisende gevallen een uitzondering maakt op de hoofdregel die volgt uit artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand dat een aanvraag om een toevoeging moet worden ingediend voordat de rechtsbijstand is verleend. Deze uitzonderingssituatie deed zich voor, nu de toevoegingsaanvraag van 9 februari 2016 zag op een voorlopige voorziening in verband met de beëindiging van de ziektewetuitkering van [appellant A], aldus [appellant B].

8.1.    De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de aanvraag van 9 februari 2016 ziet op een toevoeging voor een procedure over een voorlopige voorziening, niet betekent dat reeds hierom spoedeisend belang bestond bij de verlening van de rechtsbijstand aan [appellant A]. De raad heeft gemotiveerd dat het besluit van het UWV in verband waarmee de toevoegingsaanvraag is ingediend, dateert van 16 november 2015, zodat voldoende gelegenheid bestond om tijdig een toevoeging aan te vragen. [appellant B] heeft niet toegelicht waarom dit desondanks niet mogelijk was. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [appellant B] niet aannemelijk heeft gemaakt dat omstandigheden bestaan op basis waarvan de late indiening van de toevoegingsaanvraag van 9 februari 2016 verschoonbaar moet worden geacht. Voor zover [appellant B] betoogt dat hij werkzaamheden die hij tot vier weken voor de toevoegingsaanvraag heeft verricht kan declareren, leidt dit niet tot een ander oordeel. De raad heeft ter zitting gemotiveerd toegelicht dat dit onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, maar niet in het geval zoals hier aan de orde waarin de rechtsbijstand ten tijde van de toevoegingsaanvraag al was beëindigd en een toevoeging is verleend doordat de rechtsbijstandverlener onjuiste gegevens heeft verstrekt, terwijl verstrekking van de juiste gegevens niet tot verlening van de toevoeging zou hebben geleid.

    Het betoog faalt.

9.    Verder betoogt [appellant B] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de afwijzing van de aanvraag om hem een vergoeding toe te kennen niet onevenredig en niet in strijd met artikel 6 van het EVRM of artikel 14 van het IVBPR is.

    Dit betoog faalt reeds omdat [appellant B] ter toelichting op dit betoog slechts verwijst naar de onder 4, 7 en 8 vermelde betogen.

10.    [appellant B] betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de raad heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad onrechtmatig heeft gehandeld.

10.1.    Hetgeen [appellant B] in dit kader en voor het overige aanvoert, heeft grotendeels dezelfde strekking als hetgeen hiervoor is aangevoerd en kan ook voor het overige niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

11.    Het hoger beroep, voor zover dat door [appellant B] is ingesteld, is ongegrond.

Conclusie

12.    Het door [appellant A] en [appellant B] ingestelde hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D.J. van Heijst, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Van Heijst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2018

18-787.