Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2899

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201707555/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in het stadsdeel Loosduinen, wijk 40: Nieuw Waldeck Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707555/1/A1.

Datum uitspraak: 5 september 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Wijkberaad Nieuw Waldeck, gevestigd te Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in het stadsdeel Loosduinen, wijk 40: Nieuw Waldeck Den Haag.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2018, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Helm en ing. R. van Coevorden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De stichting kan zich niet verenigen met 14 aangewezen locaties uit het plaatsingsplan. Zij is het niet eens met de in de nota van antwoord vermelde reactie van het college op de door haar ingediende zienswijzen. In dit verband betoogt de stichting dat het standpunt van het college dat ORAC’s bij hoge uitzondering in plantsoenen worden geplaatst niet is opgenomen in de randvoorwaarden voor plaatsing, dat de parkeerdruk door de plaatsing van ORAC’s aanzienlijk wordt verhoogd en dat de mogelijkheid van achteruitrijden van de ledigingsvoertuigen moet worden gefaciliteerd door een bijrijder of een achteruitrijdcamera.

    Voorts betoogt de stichting dat ten onrechte loopafstanden van meer dan 125 meter zijn toegestaan.

1.1.    Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn "Voorstel van het college inzake 4e Programma Ondergrondse Restafvalcontainers (ORAC’s): 1000 extra" met kenmerk RIS 280886 (hierna: de randvoorwaarden) gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:

"- Loopafstand: De maximale loopafstand van perceel tot de container mag maximaal 75 meter bedragen, waarbij een uitloop naar maximaal 125 meter wordt gehanteerd. De maximale loopafstand van 125 meter kan gehanteerd worden wanneer geen andere locatie beschikbaar is of wanneer aan één van de onderstaande criteria meer recht kan worden gedaan. Wanneer er binnen de 125 meter geen locatie beschikbaar is kan het college onder bijzondere omstandigheid besluiten hiervan af te wijken.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur : zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering.

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen.

- Bereikbaarheid leegwagen: De leegwagen moet voldoende ruimte hebben om de ORAC’s te kunnen legen.

 - Veiligheid: Bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden."

1.2.    Bij de keuze van een locatie voor ORAC's dient het college een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plaatsingsplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

1.3.    Ter zitting heeft de stichting bevestigd dat de bezwaren tegen de locaties 40-8, 40-29, 40-69 en de reactie op de alternatieve locatie naast Billie Holidaystraat 10 zijn ingetrokken.

1.4.    De Afdeling stelt vast dat het college in de reactie op de zienswijze en in het verweerschrift in beroep uitvoerig op de overige door de stichting in het beroepschrift vermelde alternatieve locaties is ingegaan. Gelet op de door het college gegeven motivering bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de in het plaatsingsplan opgenomen locaties niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen.

    Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling bij de aanwijzing van de locaties in redelijkheid van belang kunnen achten dat ORAC’s conform een vaste gedragslijn van de gemeente Den Haag slechts bij hoge uitzondering in plantsoenen worden geplaatst. Deze gedragslijn vloeit voort uit de randvoorwaarden, waarin is opgenomen dat bomen zo min mogelijk worden gekapt of verplaatst. Ter zitting heeft het college in dit verband bovendien toegelicht dat geen ORAC’s worden geplaatst op groene locaties zoals grasvelden indien een andere locatie voorhanden is.

    De Afdeling stelt voorts vast dat enkele bewoners een loopafstand van iets meer dan 125 m hebben naar de ORAC’s. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om die reden niet tot aanwijzing van de locaties in het plaatsingsplan heeft mogen overgaan, aangezien, zoals het college heeft toegelicht, de omstandigheid dat de afstand van 125 m in sommige gevallen wordt overschreden, voortvloeit uit de structuur van de wijk, waarbij sommige woonerven doodlopende straten hebben waar geen ORAC’s kunnen worden geplaatst. Het ledigingsvoertuig zou dan achteruit moeten rijden om de ondergrondse containers te kunnen ledigen, hetgeen het college uit veiligheidsoverwegingen in redelijkheid ongewenst heeft kunnen achten. In dit verband heeft het college toegelicht dat de ledigingsvoertuigen weliswaar zijn voorzien van achteruitrijdcamera’s, maar dat deze het blikveld niet voor 100% dekken. Voorts heeft het college opgemerkt dat de ledigingsvoertuigen slechts door een persoon worden bemensd vanwege het uitgangspunt dat sprake dient te zijn van een effectieve inzamelmethodiek.

    Voorts heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in het verlies van een aantal parkeerplaatsen in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om van aanwijzing van de locaties af te zien.

    Het college heeft toegelicht dat de parkeerdruk op wijkniveau is bezien alvorens is besloten dat wijk 40 in aanmerking komt voor de plaatsing van ORAC’s. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1089) volgt dat het college er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen de parkeerdruk op wijkniveau te beoordelen. Er is vastgesteld dat de parkeerdruk in wijk 40 na plaatsing van de ORAC’s niet boven de vastgestelde norm van 90% zal stijgen. Nu de stelling van het college dat de parkeerdruk niet boven de norm van 90% stijgt door de stichting niet is bestreden, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat het college wegens de parkeerdruk niet tot aanwijzing van de in geding zijnde locaties mocht overgaan.

    In hetgeen de stichting heeft aangevoerd, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de door de stichting in het beroepschrift vermelde locaties in redelijkheid niet heeft kunnen aanwijzen.

    Het betoog faalt.

2.    Het beroep is ongegrond.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Drop    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

490.