Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
201806286/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:6058, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806286/1/V2.

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 juli 2018 in zaak nr. NL18.12486 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 25 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.A. Agayev, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

    Overwegingen

1.    De aan de vreemdeling sinds 1996 verleende verblijfsvergunningen en het aan hem in 2003 verleende Nederlanderschap zijn ingetrokken, omdat de vreemdeling niet de Somalische nationaliteit bleek te hebben, maar de Jemenitische. Verder is de vreemdeling door het Gerechtshof Den Bosch op 17 februari 2017 (ECLI:GHSHE:2017:555) veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor het in Tilburg ronselen van een asielzoeker voor de gewapende terroristische strijd.

    De vreemdeling heeft een asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris is afgewezen. De staatssecretaris heeft bij dat besluit tegen de vreemdeling ook een inreisverbod van 20 jaar uitgevaardigd. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van de staatssecretaris om de asielaanvraag van de vreemdeling af te wijzen en tegen hem een zwaar inreisverbod van 20 jaar uit te vaardigen omdat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid is, juist is geweest.

2.    In zijn grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij toch een inreisverbod uitvaardigt waardoor de vreemdeling naar Jemen kan worden uitgezet, waar hij te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet de staatssecretaris bij uitvaardiging van een zwaar inreisverbod met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden een afweging maken tussen het algemeen belang dat wordt gediend met het beschermen van de openbare orde of veiligheid, de nationale veiligheid en de internationale betrekkingen en het individuele belang van een vreemdeling bij verblijfsaanspraken in Nederland, dan wel bescherming tegen uitzetting (zie de uitspraak van 19 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2539). Als uit de rechterlijke toetsing van die afweging volgt dat een vreemdeling aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning voldoet, is daarmee in beginsel gegeven dat een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod niet in stand kan blijven (zie de uitspraak van 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:638). In bepaalde situaties, bijvoorbeeld als artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, kan een uitgevaardigd inreisverbod toch in stand blijven, hoewel een vreemdeling niet wordt uitgezet (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4530).

4.    De in rechtsoverweging 3. voorgeschreven belangenafweging en toetsing hebben de staatssecretaris en rechtbank in deze zaak niet verricht. Zij hebben de vraag of de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid vormt en of om die reden een inreisverbod kan worden uitgevaardigd, beoordeeld en getoetst, zonder de vraag te beantwoorden of de vreemdeling kan terugkeren naar Jemen. De staatssecretaris heeft daarom niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de rechtsgevolgen van het inreisverbod en de bevoegdheid tot uitzetting heeft afgewogen tegen de algehele veiligheidssituatie in Jemen waar zich volgens hem de uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet, waartegen artikel 29, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 bescherming biedt. En de rechtbank heeft dat niet getoetst.

    De grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd over zijn privéleven in Nederland behoeft thans geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep moet alsnog gegrond worden verklaard en het besluit van 3 juli 2018 moet worden vernietigd.

6.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

7.    Deze uitspraak betekent niet dat de vreemdeling alsnog een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend en in Nederland moet kunnen blijven. De staatssecretaris zal met inachtneming van rechtsoverweging 3. opnieuw een beslissing moeten nemen. Daarbij zal hij het gevaar dat de vreemdeling vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid en de redenen waarom hij niet wil dat de vreemdeling in het bezit komt van een verblijfsvergunning, moeten afwegen tegen de mogelijkheid dat de vreemdeling uit eigen beweging Nederland verlaat, dan wel wordt uitgezet naar Jemen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 juli 2018 in zaak nr. NL18.12486;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 3 juli 2018, kenmerk […].

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bosma

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018

572.