Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
201707129/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad de coördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), van toepassing verklaard op de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan "Zandberg, Baronielaan 14, 22-24" en een omgevingsvergunning voor het bouwen van 39 appartementen en een parkeergarage aan de Baronielaan 14, 22-24 in Breda (hierna: het coördinatiebesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/984
Gst. 2019/11 met annotatie van H. Wiersema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707129/1/R2.

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Breda,

en

1.    de raad van de gemeente Breda,

2.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad de coördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), van toepassing verklaard op de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan "Zandberg, Baronielaan 14, 22-24" en een omgevingsvergunning voor het bouwen van 39 appartementen en een parkeergarage aan de Baronielaan 14, 22-24 in Breda (hierna: het coördinatiebesluit).

Bij besluit van 15 juni 2017 heeft de raad het plan vastgesteld.

Bij besluit van 26 juli 2017 heeft het college aan [belanghebbende A] de omgevingsvergunning verleend.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en [belanghebbende A] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2018, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Ruis en drs. M.T.M. Burm, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, gehoord. Ook is [belanghebbende B] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De bestreden besluiten voorzien in de bouw van 39 woonappartementen en een parkeergarage ter plaatse van de percelen aan de Baronielaan 14, 22-24 in Breda. De nieuwbouw is beoogd op de locatie van een voormalige praktijkschool.

Ten zuiden van deze locatie staat de Heilig Hartkerk en de voormalige pastorie. De kerk en de pastorie worden niet meer gebruikt voor hun oorspronkelijke functies. De kerk en de pastorie zijn monumentale panden en zijn in het plan voorzien van een gemengde bestemming. Met het plan wordt beoogd deze gebouwen, de beoogde woningbouw en de omliggende ruimte te ontwikkelen tot een samenhangend geheel.

    [appellant] en anderen zijn bewoners van een aantal appartementen in een begin van deze eeuw gereedgekomen nieuwbouwcomplex aan het Boeimeerhof. Dit wooncomplex ligt direct ten noorden van het plangebied. [appellant] en anderen vrezen met name dat het plan en de daarin voorziene nieuwbouw leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat op het punt van privacy en bezonning. Ook vrezen zij verkeersonveilige situaties en parkeeroverlast.

Beroep

Ontvankelijkheid

2.    Bij brief van 29 augustus 2017 heeft [appellant] mede namens de bewoners van twaalf appartementen in het wooncomplex aan het Boeimeerhof beroep ingesteld. De brief is alleen ondertekend door [appellant]. Niet is gebleken van een ondertekening of een machtiging van deze bewoners van de twaalf appartementen in het wooncomplex aan het Boeimeerhof, namens wie [appellant] beweerdelijk beroep heeft ingesteld.

    Bij brief van 21 september 2017 heeft [appellant] desgevraagd een machtiging overgelegd voor het instellen van beroep tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. De machtiging is ondertekend door de bij naam genoemde bewoners van acht appartementen in het wooncomplex aan het Boeimeerhof, te weten de appartementen op de nummers [locaties].

    Gelet op artikel 6:5, aanhef, en artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), is het beroep alleen ontvankelijk, voor zover het betreft [appellant] en de bewoners van deze acht appartementen.

    Het beroep is niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld namens [6 appellanten].

Formele aspecten van de besluitvorming

3.    [appellant] en anderen betogen dat de coördinatieregeling ten onrechte is toegepast bij de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning, omdat in dit geval, naar zij stellen, geen urgentie voor de beoogde ontwikkeling bestaat.

3.1.    Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad de coördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.30 van de Wro, van toepassing verklaard op de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. De raad heeft verklaard dat hiervoor is gekozen om tijdwinst te bereiken. De raad heeft erop gewezen dat het voormalige kerkcomplex ernstig in verval is geraakt. Ter behoud van dit rijksmonument heeft de raad het van belang geacht dat de verbouw- en restauratiewerkzaamheden zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling mede van belang kunnen achten dat uitstel van de verbouw- en restauratiewerkzaamheden als gevolg van een lang traject van elkaar opeenvolgende procedures voor het bestemmingsplan en bijbehorende omgevingsvergunningen niet wenselijk is.

    In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling, exceptief toetsend, geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot toepassing van de coördinatieregeling in strijd is met een wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen voorafgaand overleg met omwonenden heeft plaatsgevonden over de beoogde ontwikkeling. De terzake gedane suggesties van de omwonenden zijn ten onrechte niet overgenomen, aldus [appellant] en anderen.

4.1.    Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

    Overigens is uit de stukken gebleken dat over de beoogde ontwikkeling overleg met de omwonenden heeft plaatsgevonden. Uit het beroepschrift tegen het bestemmingsplan en uit het raadsvoorstel blijkt dat bij de start van het haalbaarheidsonderzoek naar het initiatiefplan van DimensieVier in mei 2014 de bewoners van het aangrenzende wooncomplex Boeimeerhof zich bij de gemeente hebben gemeld. Volgens het raadsvoorstel zijn toen met deze bewoners afspraken gemaakt over hun betrokkenheid in dit onderzoek. In de overleggen die met deze groep bewoners hebben plaatsgevonden, zijn de door hen gedane suggesties bezien. Naar aanleiding hiervan is het bouwplan voor de beoogde woningbouw op een aantal punten aangepast. De raad was niet verplicht alle suggesties van de omwonenden voor de beoogde ontwikkeling over te nemen.

Toetsingskader voor het bestemmingsplan

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

    De tekst van de relevante planregels is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inhoudelijke aspecten

6.    [appellant] en anderen betogen dat de nieuwbouw in het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen op de onaanvaardbare toename van de schaduwwerking op en de onaanvaardbare vermindering van privacy bij hun appartementen in het wooncomplex Boeimeerhof als gevolg van de in het plan toegestane bouwmogelijkheden, met name de maximaal toegestane bouwhoogte van 15 m. [appellant] en anderen wijzen in dit verband op een haalbaarheidsonderzoek uit 2012, waarbij onder meer de schaduwwerking als gevolg van de beoogde nieuwbouw is onderzocht. In het verslag over de bevindingen van dit onderzoek zijn randvoorwaarden voor de schaduwwerking als gevolg van de beoogde nieuwbouw geformuleerd die ten onrechte niet in het plan zijn vastgelegd, aldus [appellant] en anderen.

6.1.    De raad stelt dat het plan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld en niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het wooncomplex Boeimeerhof. De raad wijst erop dat naar aanleiding van suggesties van de bewoners van het wooncomplex Boeimeerhof de beoogde nieuwbouw ongeveer 2,5 m verder van het wooncomplex Boeimeerhof is verschoven.

6.2.    In het plan is aan de percelen aan de Baronielaan 14 de bestemming "Wonen" met de aanduiding "gestapeld" en de aanduiding "parkeergarage" toegekend. Artikel 6 van de planregels regelt de bestemming "Wonen".

    Uit artikel 6 van de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, volgt dat op het perceel aan de Baronielaan 14 bebouwing mag worden opgericht met een maximaal toegestane hoogte van 15 m. De bebouwing is uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan.

Uit de verbeelding volgt dat het bouwvlak op ongeveer 11,5 m vanaf de noordelijke perceelgrens ligt. Die perceelgrens is naar het wooncomplex van [appellant] en anderen gericht. Uit de verbeelding volgt voorts dat binnen het noordelijke deel van het bouwvlak over een strook van ongeveer 2,5 m een maximale bouwhoogte van 2 m geldt. De maximale bouwhoogte van 15 m is dus toegestaan vanaf ongeveer 14 m vanaf de noordelijke perceelgrens.

6.3.    Het wooncomplex Boeimeerhof ligt op ongeveer 10 m afstand van de perceelgrens en op ongeveer 22 m afstand van het bouwvlak voor de beoogde nieuwbouw op de percelen aan de Baronielaan 14.

Het wooncomplex Boeimeerhof springt in de zuidwestelijke hoek gedeeltelijk uit. Dit uitspringende deel van het wooncomplex Boeimeerhof ligt op een afstand van ongeveer 19 m van het bouwvlak voor de beoogde nieuwbouw.

    Rekening houdend met die 2,5 m met lage bebouwing mag volgens het plan op een afstand van ongeveer 21,5 m en 24,5 m van het bestaande wooncomplex Boeimeerhof bebouwing met een maximale bouwhoogte van 15 m komen.

6.4.    De raad heeft bij de voorbereiding van het plan een bezonningsstudie laten uitvoeren. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport "Bezonning appartementen Heilig Hart Hof Breda" van 10 december 2015 (hierna: de bezonningsstudie). De bezonningsstudie is als bijlage 10 opgenomen bij de plantoelichting. In de bezonningsstudie is de bezonningssituatie onderzocht voor het wooncomplex Boeimeerhof, waar [appellant] en anderen wonen.

    De raad heeft zich op basis van de bezonningsstudie in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van schaduwwerking in de tuinen en op de gevels van wooncomplex Boeimeerhof. Uit de bezonningsstudie volgt dat de tuinen van dit wooncomplex in de winter een groot deel van de dag in de schaduw liggen, omdat de zon in die tijd van het jaar vrij laag aan de horizon staat. De schaduw wordt mede veroorzaakt door omliggende, al bestaande bebouwing. De bezonningsstudie laat verder zien dat er in het voorjaar, de zomer en het najaar voldoende zonlicht toetreedt tot de tuinen en op de gevels van het Boeimeerhof. In het eigen onderzoek van [appellant] en anderen, zijnde een uitdraai van een computerprogramma voor het plaatsen van zonnepanelen, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de bezonningsstudie niet aan het plan ten grondslag te leggen. De raad heeft bij zijn belangenafweging mogen betrekken dat het wooncomplex Bouwmeerhof in een binnenstedelijke omgeving ligt en dat de schaduwwerking ter plaatse van dit wooncomplex, mede gelet op de ligging, niet onaanvaardbaar toeneemt.

    Over het haalbaarheidsonderzoek uit 2012, waarnaar [appellant] en anderen verwijzen, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de bevindingen van dit haalbaarheidsonderzoek volgt dat de raad heeft verklaard dat geprobeerd zal worden om de nieuwbouw zo te plaatsen dat er als gevolg daarvan geen schaduwwerking op de muur van het wooncomplex Boeimeerhof is en dat geprobeerd zal worden om een oplossing te zoeken in de maximaal toegestane bouwhoogte en/of in de afstand tussen het wooncomplex Boeimeerhof en de nieuwbouw. De Afdeling stelt vast dat de bevindingen van het haalbaarheidsonderzoek geen toezegging van de raad bevatten dat er geen enkele schaduwwerking als gevolg van de nieuwbouw op het wooncomplex Boeimeerhof mag zijn. Verder heeft de raad er op gewezen dat het plan naar aanleiding van overleg met de vertegenwoordiging van een aantal bewoners van het wooncomplex Boeimeerhof gedurende de planvorming is gewijzigd in die zin dat de maximaal toegestane bouwhoogte van de nieuwbouw is verlaagd en de afstand tussen het wooncomplex Boeimeerhof en de nieuwbouw is vergroot.

    Het betoog faalt.

6.5.    De raad heeft zich daarnaast in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de met het plan beoogde nieuwbouw niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant] en anderen bij hun appartementen in het wooncomplex Boeimeerhof. De raad heeft er daarbij op gewezen dat, mede gelet op de ligging van de beoogde nieuwbouw en de afstanden van de beoogde nieuwbouw tot het wooncomplex Boeimeerhof, inkijk in de woningen van het wooncomplex nauwelijks aan de orde zal zijn.

    De raad heeft daarbij ook terecht naar voren gebracht dat het plan, om tegemoet te komen aan de zorgen van de bewoners van het wooncomplex Boeimeerhof, onder meer wat betreft de privacy, gedurende de planvorming is gewijzigd. Zo is het bouwvlak voor de beoogde nieuwbouw meer in zuidelijke richting verschoven om de afstand tussen het wooncomplex Boeimeerhof en de nieuwbouw te vergroten en zo de privacy te waarborgen. Tevens is de vierde bouwlaag van de nieuwbouw meer terug komen te liggen om de ruimtelijke impact van de nieuwbouw op het wooncomplex Boeimeerhof te verminderen en de eventuele aantasting van de privacy in de tuinen van de appartementen in het wooncomplex Boeimeerhof te verminderen.

    Het betoog faalt.

Verkeer

7.    [appellant] en anderen betogen dat de met het plan beoogde ontwikkelingen leiden tot een verkeersonveilige situatie bij het Heilig Hartplein. [appellant] en anderen voeren aan dat de toegang naar het Heilig Hartplein een smalle straat is met beperkt zicht in de bocht. De beoogde nieuwbouw zal deze situatie, zo stellen zij, verslechteren en ertoe leiden dat auto's elkaar niet kunnen passeren.

    [appellant] en anderen voeren verder aan dat de beoogde nieuwbouw zo is gesitueerd dat op het Heilig Hartplein de toegang naar het achterterrein van de GGZ op Baronielaan 16 wordt geblokkeerd vanwege de, naar zij stellen, smalle bocht.

7.1.    De raad heeft zich, onder verwijzing naar bijlage 2 bij het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie bij het Heilig Hartplein. De Afdeling acht dit niet onredelijk. De raad heeft hierbij betrokken dat er als gevolg van de beoogde nieuwbouw enige opstelruimte vervalt voor verkeer dat het Heilig Hartplein wil verlaten en dat moet wachten op inrijdend verkeer, maar dat er genoeg opstelruimte overblijft. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, mede gelet op de hoeveelheid verkeersbewegingen en de kans op tegemoetkomend verkeer, de verkleining van de opstelruimte in redelijkheid acceptabel kunnen achten. Hierbij is van belang dat de raad, mede aan de hand van de in bijlage 2 bij het verweerschrift opgenomen afbeeldingen, inzichtelijk heeft gemaakt dat in de nieuwe situatie de rijcurves nog steeds zijn in te passen. Voorts heeft de raad erop gewezen dat het zicht, voor zowel het inrijdend als uitrijdend verkeer en voor zowel auto’s als langzaam verkeer, niet wordt verslechterd door de nieuwbouw, omdat de bebouwing nog steeds ver genoeg van de Baronielaan zal liggen en het zicht niet zal afnemen. Dit geldt zowel voor de huidige toegang naar het Heilig Hartplein als voor de nieuwe ontsluiting naar de parkeergarage. De raad heeft zich, onder verwijzing naar de in bijlage 2 bij het verweerschrift opgenomen afbeeldingen, op het standpunt gesteld dat in de nieuwe situatie evenmin sprake is van het blokkeren van de toegang naar het achterterrein van de GGZ. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij is van belang dat de raad aan de hand van die afbeeldingen heeft laten zien dat ook deze bocht ruim genoeg is. De raad heeft ter zitting verklaard dat het wegprofiel is verbreed.

    Het betoog faalt.

Parkeren

8.    [appellant] en anderen betogen dat de met het plan beoogde nieuwbouw zal leiden tot een onaanvaardbare toename van parkeerdruk.

Zij voeren aan dat in de bestaande situatie de parkeerdruk al hoog is en dat als gevolg van het plan zeven bestaande parkeerplaatsen op het Heilig Hartplein komen te vervallen. Daarnaast zullen als gevolg van de voorgenomen herinrichting aan de Baronielaan twintig parkeerplaatsen vervallen. [appellant] en anderen voeren aan dat de in het plan beoogde parkeergarage voorziet in onvoldoende parkeerplaatsen. Tevens wijzen zij erop dat in de bij de voorbereiding van het plan uitgevoerde parkeerbalans ten onrechte is uitgegaan van de parkeerdruk vanwege de kerk, terwijl de kerk niet meer in gebruik is.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijke parkeerbeleid en niet leidt tot onaanvaardbare toename van parkeerdruk. Volgens de raad voorziet het plan in voldoende parkeergelegenheid voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. De raad verwijst in dit verband naar de parkeerbalans die is uitgevoerd bij de voorbereiding van het plan.

8.2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeft alleen rekening te worden gehouden met parkeerdruk als gevolg van het plan. Het is niet nodig dat dit plan de al bestaande parkeerproblemen, wat daarvan ook zij, geheel oplost. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 29 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2410), onder 7.2.

8.3.    Over het betoog dat als gevolg van de herinrichting aan de Baronielaan twintig parkeerplaatsen zullen komen te vervallen, overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit betrekking heeft op een andere planologische ontwikkeling, te weten de voorgenomen herinrichting van de Baronielaan. De raad heeft verklaard dat de herinrichting van de Baronielaan op zichzelf staat en dat bij de voorbereiding van die herinrichting de parkeerdruk ter plaatse zal worden bezien. De twintig parkeerplaatsen aan de Baronielaan zijn niet bij de beoordeling van de parkeerdruk als gevolg van dit plan betrokken.

8.4.    In het kader van het plan is onderzoek verricht naar de parkeersituatie. De uitkomsten van dat onderzoek zijn neergelegd in de zogenoemde parkeerbalans, opgenomen als bijlage 11 bij de plantoelichting. Bij de berekening van de parkeerbehoefte in de parkeerbalans zijn de parkeernormen gehanteerd van de gemeentelijke parkeernormen uit het Parkeer- en Stallingsbeleid Breda, zoals vastgesteld op 10 september 2004 en gewijzigd met een Herijking op 20 juni 2013, (hierna: de parkeernota). De parkeernota is gebaseerd op richtlijnen van het CROW.

    Uit artikel 15, lid 15.1, van de planregels volgt dat de parkeernormering uit de parkeernota op het plan van toepassing is en dat er voor de toegestane functies voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig dienen te zijn.

    In de plantoelichting wordt in paragraaf 4.3, onder verwijzing naar de parkeerbalans, ingegaan op het parkeren. In de parkeerbalans zijn de bestaande parkeerdruk, de parkeercijfers conform maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en de parkeercijfers conform een realistische invulling weergegeven. De plantoelichting vermeldt dat uit de parkeerbalans volgt dat de parkeerbehoefte op het maatgevende moment, de koopavond, bij de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, 124,8 parkeerplaatsen bedraagt.

    Het plan voorziet in 125 parkeerplaatsen binnen het plangebied, te weten 119 in de parkeergarage en 6 op het voorterrein van de kerk. De raad heeft verklaard dat het plan, gelet op de parkeerbehoefte, in voldoende parkeerplaatsen voorziet, zelfs op de koopavond, wanneer de parkeerbehoefte het grootst is. Dat in de parkeergarage een regime van betaald parkeren zal gelden, is niet bepalend. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat het openbare parkeerplaatsen zijn die voor iedereen beschikbaar en toegankelijk zullen zijn. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

    Over het betoog van [appellant] en anderen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van parkeerdruk omdat zeven bestaande parkeerplaatsen op het Heilig Hartplein komen te vervallen, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft verklaard dat er als gevolg van het plan zes parkeerplaatsen op het Heilig Hartplein zullen komen te vervallen en dat dit is verdisconteerd in het plan. De raad wijst erop dat er als gevolg van het plan op het voorterrein van de kerk 6 parkeerplaatsen worden toegevoegd.

    Over het betoog van [appellant] en anderen dat in de parkeerbalans ten onrechte is uitgegaan van de parkeerdruk vanwege de kerk, terwijl de kerk niet meer in gebruik is, overweegt de Afdeling dat in de parkeerbalans, behalve de bestaande parkeerdruk, ook de parkeerdruk als gevolg van de maximale mogelijkheden van het plan is betrokken. Hierbij is voor de kerk ook de parkeerdruk als gevolg van de verschillende toegestane functies binnen de bestemming "Gemengd" bezien.

    De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in overeenstemming met het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgesteld en dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare toename van parkeerdruk.

    De betogen falen.

Woningbehoefte

9.    [appellant] en anderen betogen dat er geen behoefte bestaat aan de 39 te bouwen appartementen. Zij voeren aan dat de appartementen in een te dure prijsklasse liggen en dat 40% van de appartementen nog steeds niet verkocht is.

9.1.    In paragraaf 3.1 van de plantoelichting is, onder verwijzing naar de in de "Regionale agenda Wonen 2015 deel A, RRO West-Brabant" neergelegde regionale afspraken over woningbouw, ingegaan op de woningbouwbehoefte. Op grond van deze regionale afspraken is voor de gemeente Breda berekend dat in de periode 2015 tot en met 2024 behoefte bestaat aan 9.485 extra woningen. De zogeheten harde plancapaciteit binnen deze gemeente bedraagt momenteel 5.570 woningen, waardoor er nog ruimte is voor 3.915 woningen uit de zachte plancapaciteit, die tot en met 2024 moeten worden gerealiseerd. De in het plan voorziene 39 appartementen passen binnen deze regionale afspraken. Overigens heeft de raad verklaard dat alle woningen inmiddels zijn verkocht.

    In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er geen behoefte bestaan aan de 39 te bouwen appartementen.

    Het betoog faalt.

Beroep tegen de omgevingsvergunning

10.    [appellant] en anderen betogen dat de omgevingsvergunning in strijd met het zogenoemde "Informatieblad ruimtelijk project" uit mei 2014 is verleend. Zij stellen dat uit dit informatieblad volgt dat eerst de kerk moet worden gerestaureerd en dat pas daarna mag worden overgegaan tot woningbouw.

10.1.    Het college heeft verklaard dat het "Informatieblad ruimtelijk project" is bedoeld voor interne informatie over planologische procedures terzake van woningbouw. Hierin worden ten behoeve van interne informatieverstrekking woningbouwcijfers bijgehouden. Het college wijst erop dat dit informatieblad louter informatief van aard is en niet bij besluit is vastgesteld. Het college stelt dat aan het informatieblad geen rechten kunnen worden ontleend.

    Het betoog faalt.

10.2.    [appellant] en anderen hebben ter onderbouwing van hun beroep tegen de verleende omgevingsvergunning verder geen andere beroepsgronden aangevoerd dan de beroepsgronden die zijn ingediend tegen het plan.

Herhalen en inlassen zienswijze

11.    [appellant] en anderen hebben zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in beroep en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

    Het betoog faalt.

Relativiteit

12.    Voor zover hiervoor is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, behoeft het betoog van de raad en [belanghebbende A] dat het relativiteitsvereiste aan de vernietiging van dat besluit in de weg staat geen bespreking en heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb van toepassing is.

Conclusie

13.    Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het bestemmingsplan, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

    Het beroep tegen de omgevingsvergunning is ongegrond.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld namens [6 appellanten];

II.    verklaart het beroep van [appellant] en anderen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

w.g. Polak

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018

408. BIJLAGE

Planregels

Artikel 6 van de planregels luidt:

"Artikel 6 Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat kamerverhuur niet is toegestaan;

b. ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" zijn gestapelde woningen toegestaan;

c. ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" tevens een parkeergarage;

met daarbij behorend(e):

d. groen;

e. nutsvoorzieningen;

f. parkeren;

g. speelvoorzieningen;

h. wegen, straten en paden;

i. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en retentie.

6.2 Bouwregels

6.2.1 Algemeen

a. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mogen gebouwen worden gebouwd;

b. Ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan;

c. Totaal zijn er maximaal 39 wooneenheden toegestaan;

d. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" is de realisatie van een halfverdiepte parkeergarage toegestaan.

6.2.2 Hoofdgebouwen

a. De bouwhoogte mag ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

b. Ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" mag het bouwvlak volledig bebouwd worden.

6.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

a. Aan- en uitbouwen zijn buiten het bouwvlak niet toegestaan, met uitzondering van geringe uitbreidingen zoals erker, entreepartijen en balkons met een maximaal 1 meter diepte over een breedte van het hoofdgebouw minus 2 meter.

(…)"

Artikel 15, lid 15.1, van de planregels luidt:

"a. Het bouwen en het uitbreiden of veranderen van functies op grond van deze planregels dient, overeenkomstig de parkeernormering uit het door de gemeente Breda vastgestelde parkeer- en stallingsbeleid, en zoals als bijlage 1 bij de regels opgenomen, voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig te zijn of te worden gerealiseerd;

b. De in lid a. bedoelde parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden;

c. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a. met dien verstande dat aan de omgevingsvergunning (financiële) voorwaarden verbonden kunnen worden;

d. Indien het onder a. bedoelde parkeer- en stallingsbeleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging."