Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
201708627/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2016 heeft het college het verzoek van [appellanten] om handhavend op te treden tegen Carola’s Cafetaria op het perceel Heumenseweg 9 te Wijchen (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/983
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708627/1/A1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Wijchen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 september 2017 in zaak nr. 16/7918 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijchen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2016 heeft het college het verzoek van [appellanten] om handhavend op te treden tegen Carola’s Cafetaria op het perceel Heumenseweg 9 te Wijchen (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een ontgeuringsinstallatie op het perceel.

Bij besluit van 17 november 2016 heeft het college de door [appellanten] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 4 mei 2016 en

2 juni 2016 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2018, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Keller en M. Kroes, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. M. Jue, rechtsbijstandverlener te Zoetermeer, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [vergunninghoudster] exploiteert een cafetaria op het perceel. Ten behoeve van de cafetaria wil zij een ontgeuringsinstallatie realiseren die bestaat uit een ontgeuringskast op het dak van de cafetaria en een afvoerpijp. [appellanten] wonen op het aangrenzende perceel. Zij hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen de afvoerpijp die thans op het perceel aanwezig is, omdat daarvoor geen omgevingsvergunning is verleend. Bij besluit van 4 mei 2016 heeft het college dit verzoek afgewezen, omdat volgens het college concreet zicht bestaat op legalisatie van de overtreding. Bij besluit van 2 juni 2016 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor het bouwen van een ontgeuringsinstallatie. De vergunde ontgeuringsinstallatie is nog niet gerealiseerd.

Omgevingsvergunning

2.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren, omdat de ontgeuringsinstallatie in strijd is met het Activiteitenbesluit milieubeheer, in het bijzonder artikel 1.10, eerste lid. Volgens [appellanten] dient het college een belangenafweging te maken, waarbij aspecten als geur en geluid aan de orde kunnen komen.

2.1.    In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo staan de situaties opgesomd waarin de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd. De in dit artikel vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden.

    De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de gevraagde omgevingsvergunning op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer geweigerd had moeten worden, of dat op grond hiervan een belangenafweging had moeten plaatsvinden. Artikel 1.10, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer behelst slechts een meldingsplicht aan het bevoegd gezag voor degene die een inrichting opricht en is geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo.

    De rechtbank heeft de door [appellanten] gestelde strijdigheid met het Activiteitenbesluit milieubeheer dan ook terecht buiten beschouwing gelaten.

    Het betoog faalt.

3.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college het door A. Anker opgestelde rapport niet ten grondslag had mogen leggen aan zijn standpunt dat de ontgeuringsinstallatie voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Daartoe stellen zij niet overtuigd te zijn van de deskundigheid van Anker. Volgens [appellanten] had de gevraagde omgevingsvergunning vanwege strijd met het Bouwbesluit 2012 geweigerd moeten worden.

3.1.    Het betoog van [appellanten] bevat onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet heeft mogen baseren op het rapport van Anker. Voorts bevat het onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de gevraagde omgevingsvergunning vanwege strijd met het Bouwbesluit 2012 had moeten worden geweigerd. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

    Het betoog faalt.

Handhaving

4.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bevoegd is om ten aanzien van de thans aanwezige afvoerpijp handhavend op te treden. Daartoe stellen zij dat de vergunde ontgeuringsinstallatie niet is gerealiseerd en dat de thans aanwezige afvoerpijp is afgekeurd. Dit betekent volgens [appellanten] dat sprake is van een overtreding, die niet door de verleende omgevingsvergunning gelegaliseerd kan worden.

4.1.    Vaststaat dat in de cafetaria zonder daartoe vereiste vergunning een afvoerpijp is gebouwd, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.2.    Anders dan [appellanten] betogen, bestond er ten tijde van het besluit van 4 mei 2016 concreet zicht op legalisatie, nu geen van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden voor de aangevraagde vergunning voor de activiteit bouwen zich voordeed. De omstandigheid dat [vergunninghoudster] tot op heden geen uitvoering heeft gegeven aan de bij besluit van 2 juni 2016 verleende omgevingsvergunning, leidt niet tot een ander oordeel. Dit is immers niet relevant voor de vraag of er ten tijde van belang concreet zicht op legalisatie bestond. Zoals het college ter zitting heeft aangegeven, gaat het ervan uit dat [vergunninghoudster] de vergunde ontgeuringsinstallatie zal realiseren nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden en zal het na uitvoering controleren of het gerealiseerde voldoet aan de verleende omgevingsvergunning.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college van handhaving mocht afzien.

    Het betoog faalt.

Overige beroepsgronden  

5.    Hetgeen [appellanten] overigens in het hogerberoepschrift aanvoeren, is een nagenoeg letterlijke herhaling van de gronden die zij in beroep bij de rechtbank hebben aangevoerd. De rechtbank heeft op de beroepsgronden beslist en deze gemotiveerd weerlegd, waarbij zij tot het oordeel is gekomen dat het besluit van 17 november 2016 in rechte stand kan houden. [appellanten] hebben in hoger beroep niet uiteengezet, dat en waarom de desbetreffende overwegingen onjuist zijn. Gelet hierop kan het aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018

531-855.