Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
201707905/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:4176, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2016 heeft de RDW de aan [appellant sub 1] verleende erkenning bedrijfsvoorraad en de daarbij behorende bevoegdheden met ingang van 13 januari 2016 voor onbepaalde tijd ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/408
AB 2019/126 met annotatie van H.E. Bröring
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707905/1/A2.

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], handelend onder de naam [autobedrijf], wonend te [woonplaats],

2.    de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW), gevestigd te Zoetermeer,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 augustus 2017 in zaak nr. 16/2391 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de RDW.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2016 heeft de RDW de aan [appellant sub 1] verleende erkenning bedrijfsvoorraad en de daarbij behorende bevoegdheden met ingang van 13 januari 2016 voor onbepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 31 maart 2016 heeft de RDW het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 juni 2016 heeft de RDW de besluiten van 6 januari 2016 en 31 maart 2016 ingetrokken en met ingang van 31 maart 2016 een waarschuwing met verscherpt toezicht gegeven.

Bij uitspraak van 17 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen de besluiten van 31 maart 2016 en 1 juni 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2018, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.B.M. Swart, advocaat te Almere, en vergezeld door [gemachtigde], en de RDW, vertegenwoordigd door mr. B.S. Kruize, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant sub 1] exploiteerde ten tijde van belang [autobedrijf] in Almere. Op 27 november 2015 heeft een bedrijvencontroleur van de RDW een bedrijfscontrole uitgevoerd bij dat garagebedrijf. De bevindingen zijn neergelegd in een rapportage.

1.1.    Naar aanleiding van deze rapportage heeft de RDW bij brief van 9 december 2015 [appellant sub 1] medegedeeld het voornemen te hebben de aan hem verleende erkenning bedrijfsvoorraad en de daarbij behorende bevoegdheden voor onbepaalde tijd in te trekken. [appellant sub 1] heeft in reactie op dit voornemen zijn zienswijze ingediend.

1.2.    Vervolgens heeft de RDW bij besluit van 6 januari 2016, gehandhaafd bij besluit van 31 maart 2016, de sanctie aan [appellant sub 1] opgelegd. Daaraan heeft de RDW ten grondslag gelegd dat door de bedrijvencontroleur is geconstateerd dat op 18 september 2015 het voertuig met kenteken [A] in strijd met artikel 9, zevende lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad (hierna: de Regeling) in de bedrijfsvoorraad is aangemeld, terwijl het voertuig niet bestemd was om te worden verkocht. Volgens het beleid van de RDW, dat is neergelegd in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2015 wordt deze overtreding aangemerkt als een categorie II overtreding. Tevens is geconstateerd dat [appellant sub 1] bij het aanmelden in de bedrijfsvoorraad van het voertuig met kenteken [B] in strijd met artikel 10c van de Regeling een onjuiste tellerstand heeft ingevoerd. Deze overtreding wordt in de Toezichtbeleidsbrief 2015 aangemerkt als een categorie I overtreding. Ook is geconstateerd dat [appellant sub 1] het voertuig met kenteken [C] in de bedrijfsvoorraad heeft aangemeld zonder dat het overschrijvingsbewijs (deel II) aan hem is overhandigd. Dit is een overtreding van artikel 58c van het Kentekenreglement die in de Toezichtbeleidsbrief 2015 als een categorie II overtreding wordt aangemerkt. Nu er twee overtredingen zijn geconstateerd die worden aangemerkt als categorie II overtreding en een overtreding die wordt aangemerkt als een categorie I overtreding wordt overeenkomstig het in de Toezichtbeleidsbrief 2015 neergelegde beleid de erkenning bedrijfsvoorraad en de daarbij behorende bevoegdheden voor onbepaalde tijd ingetrokken. De RDW heeft daarbij bepaald dat een wachttijd voor het doen van een nieuwe aanvraag geldt van 12 weken.

1.3.    Bij besluit van 1 juni 2016 heeft de RDW de besluiten van 6 januari 2016 en 31 maart 2016 ingetrokken en met ingang van 31 maart 2016 een waarschuwing met verscherpt toezicht gegeven wegens het per 1 april 2016 gewijzigde beleid, zoals neergelegd in de Toezichtbeleidsbrief 2016. Volgens het nieuwe beleid wordt bij een constatering inzake onjuiste tellerstanden de eerste twee keer hierop geattendeerd voordat deze overtreding als een categorie I overtreding wordt aangemerkt. Onder het nieuwe beleid leiden de geconstateerde overtredingen derhalve tot een meervoudige overtreding met twee categorie II overtredingen waarvoor een waarschuwing met verscherpt toezicht de aangewezen sanctie is.

Wettelijk kader

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de RDW terecht drie overtredingen heeft geconstateerd. De RDW heeft zich op het standpunt mogen stellen dat [appellant sub 1] op 18 september 2015 het voertuig met kenteken [A] in zijn bedrijfsvoorraad heeft aangemeld terwijl het voertuig niet bestemd was om te worden verkocht. Verder heeft de RDW terecht geconstateerd dat [appellant sub 1] het voertuig met kenteken [C] in de bedrijfsvoorraad heeft aangemeld zonder dat het overschrijvingsbewijs aan hem is overhandigd. De RDW heeft zich daarbij, gelet op de bewoordingen van artikel 58c, derde lid, van het Kentekenreglement, terecht op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van een digitale kopie daarvoor niet voldoende is. Gelet op de geconstateerde overtredingen was de RDW ten tijde van het besluit van 6 januari 2016 en op basis van het op dat moment geldende beleid bevoegd om de erkenning van de bedrijfsvoorraad in te trekken. Deze sanctie was onder dat beleid, gelet op de omstandigheden van het geval, eveneens als een evenredige sanctie aan te merken. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het laten voortduren van de intrekking van de erkenning voor onbepaalde tijd vanaf de bekendmaking van het nieuwe beleid op 22 maart 2016, hoewel het beleid op dat moment nog niet in werking was getreden, niet langer is aan te merken als een evenredige sanctie. Vanaf dat moment was het voor iedereen kenbaar dat de RDW de combinatie van de drie bij [appellant sub 1] geconstateerde overtredingen niet langer voldoende grond vond voor intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad. De RDW heeft niet zorgvuldig gehandeld door bij het besluit van 31 maart 2016 niet het per 1 april 2016 gewijzigde beleid te betrekken. Gelet hierop heeft de rechtbank de besluiten van 31 maart 2016 en 1 juni 2016 vernietigd en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voor onbepaalde tijd per 22 maart 2016 wordt omgezet in een waarschuwing met verscherpt toezicht. De rechtbank heeft tot slot over het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 1] geoordeeld dat de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad over de periode van 22 maart 2016 tot 26 mei 2016 onrechtmatig is geweest. Ter zitting is komen vast te staan dat de kosten die [appellant sub 1] heeft gemaakt voor de betaalde motorrijtuigenbelasting en de tenaamstelling voldoende met stukken zijn onderbouwd. De schade die [appellant sub 1] stelt te hebben geleden in verband met de kosten die hij heeft moeten betalen om de auto’s te verzekeren heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft [appellant sub 1] aannemelijk gemaakt dat een deel van de geleden schade het gevolg is van de vernietigde besluiten. Deze schade komt evenwel niet voor vergoeding in aanmerking, omdat [appellant sub 1] niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat [appellant sub 1] vanaf de bekendmaking van het nieuwe beleid op 22 maart 2016 een verzoek om een voorlopige voorziening had kunnen indienen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het voorgenomen beleid door de plaatsing in de Staatscourant op 22 maart 2016 voor [appellant sub 1] kenbaar kon zijn en er, gelet op de beleidswijziging, een gerede kans bestond dat het verzoek zou zijn toegewezen.

Hoger beroep van [appellant sub 1] en incidenteel hoger beroep van de RDW

Overtredingen

4.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de RDW terecht drie overtredingen heeft geconstateerd.

    Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de RDW zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voertuig met kenteken [A] niet voor verkoop bestemd was waardoor het niet in de bedrijfsvoorraad mocht worden opgenomen. Het voertuig was bestemd om te worden verkocht en zou worden gesloopt indien de noodzakelijke reparatie geen doorgang zou vinden. Voorts is de zoon van [appellant sub 1] mogelijk geïnteresseerd om het voertuig te kopen. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de weergave van de verklaringen in de rapportage. De verklaring van zijn zoon is in de rapportage onjuist weergegeven en de verklaring is niet door [appellant sub 1] ondertekend. Dat de gegevens van de bedrijvencontroleur in de rapportage zijn opgenomen maakt niet dat van de juistheid en volledigheid van de weergave van de verklaring mag worden uitgegaan.

    [appellant sub 1] voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de constatering van de RDW dat hij het voertuig met kenteken [C] in de bedrijfsvoorraad heeft aangemeld zonder dat het overschrijvingsbewijs aan hem is overhandigd juist is. Hij beschikte ten tijde van het aanmelden van het voertuig in de bedrijfsvoorraad over een door de verkoper op haar telefoon aan hem getoonde foto van het kentekenbewijs waarmee hij de authenticiteit daarvan kon verifiëren. Voorts heeft de verkoper het overschrijvingsbewijs meteen na de verkoop aan hem ter beschikking gesteld.

    Nu gelet op het voorgaande slechts sprake is van één overtreding, had de RDW de erkenning bedrijfsvoorraad niet voor onbepaalde tijd mogen intrekken, aldus [appellant sub 1].

4.1.    Alleen voertuigen die bestemd zijn om te worden verkocht, bewaard of bewerkt, mogen in de bedrijfsvoorraad worden en zijn opgenomen. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) (Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 33 en 107) worden hiermee voertuigen bedoeld die ofwel worden verhandeld ofwel uiteindelijk worden gesloopt.

    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de RDW zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voertuig met kenteken [A] niet voor verkoop bestemd was. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat volgens de rapportage van de bedrijvencontrole [appellant sub 1] en zijn zoon op 27 november 2015 ten overstaan van de bedrijvencontroleur hebben verklaard dat het voertuig op dat moment niet te koop was omdat de motor eerst gerepareerd moest worden, dat het vinden van een vervangende motor lastig en duur is en dat het voertuig op dat moment werd gebruikt om reclame voor het bedrijf te maken. In beginsel mag van de juistheid van een verklaring van een bedrijvencontroleur worden uitgegaan en aan de inhoud van een dergelijke verklaring komt een sterke bewijskracht toe. De bedrijvencontroleur heeft immers geen belang bij het afleggen van een valse verklaring (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1780). Het enkele feit dat de rapportage niet door de bedrijvencontroleur is ondertekend betekent niet dat daaraan geen betekenis toekomt. De rechtbank heeft voorts belang mogen hechten aan de zienswijze van [appellant sub 1] waarin hij verklaart dat het voertuig uit de bedrijfsvoorraad is gehaald en op naam is gezet, dat het voertuig een kapotte motor heeft en eerst wordt gerepareerd voordat deze te koop wordt aangeboden. Uit deze verklaringen, die met elkaar overeenstemmen, kan worden afgeleid dat het voertuig ten tijde van de controle niet bestemd was om te worden verhandeld en dat het ook niet bestemd was om uiteindelijk te worden gesloopt, zodat dit voertuig ingevolge artikel 9, zevende lid, van de Regeling niet in de bedrijfsvoorraad mocht zijn opgenomen.

    Dat het voertuig verkoopbaar was betekent niet dat het bestemd was om te worden verkocht. Uit de door [appellant sub 1] niet betwiste verklaring dat het voertuig op het moment van de controle werd gebruikt om reclame voor het bedrijf te maken, kan worden afgeleid dat het voertuig op dat moment niet bestemd was om te worden verkocht. Dat het voertuig, eventueel na een reparatie, verkocht zou kunnen worden is daarbij niet van belang. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit artikel 9, tweede lid, van de Regeling volgt dat bij voortduring moet worden voldaan aan de eis dat een voertuig bestemd is om te worden verhandeld.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de RDW terecht een overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Regeling heeft geconstateerd.

4.2.    De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat gelet op de bewoordingen van artikel 58c, derde lid, van het Kentekenreglement een digitale kopie niet afdoende is om aan het vereiste van dit artikelonderdeel te voldoen. Nu niet in geschil is dat [appellant sub 1] ten tijde van het aanmelden van het voertuig met kentekenen [C] in de bedrijfsvoorraad slechts beschikte over een digitale foto van het kentekenbewijs die op een telefoon aan hem werd getoond, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de RDW terecht een overtreding van artikel 58c, derde lid, van het Kentekenreglement heeft geconstateerd.

4.3.    Gelet op het voorgaande en nu niet in geschil is dat [appellant sub 1] bij het aanmelden in de bedrijfsvoorraad van het voertuig met kenteken [B] een onjuiste tellerstand heeft ingevoerd heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de RDW terecht drie overtredingen heeft geconstateerd.

4.4.    Het betoog faalt.

Evenredigheid sanctie en schadeperiode

5.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 6 januari 2016, gelet op het destijds geldende beleid, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Er is sprake van relatief lichte overtredingen die verklaarbaar zijn en die bij de RDW of derden niet tot nadeel hebben geleid. Voorts had de aanstaande beleidswijziging reeds ten tijde van het besluit van 6 januari 2016 bij de RDW bekend behoren te zijn. Nu het besluit van 6 januari 2016 gelet op het voorgaande onrechtmatig is, komt de gestelde schade voor de gehele periode vanaf 13 januari 2016 tot 26 mei 2016 voor vergoeding in aanmerking.

    [appellant sub 1] voert subsidiair aan dat de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad per 7 maart 2016, de datum van de vaststelling van het gewijzigde beleid, niet langer evenredig was. Uit een brief van de RDW van 25 februari 2016 volgt dat de RDW in ieder geval op dat moment wist dat het beleid gewijzigd zou gaan worden.

    De RDW betoogt in het incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad vanaf 22 maart 2016 tot 31 maart 2016 onrechtmatig is geweest. De RDW voert daartoe aan dat het besluit van 6 januari 2016 rechtmatig is en tijdig op het daartegen gemaakte bezwaar is beslist, zodat pas vanaf het besluit op bezwaar van 31 maart 2016 sprake is van een onevenredige sanctie.

5.1.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:752) wordt overwogen dat het door de RDW gevoerde beleid, zoals is neergelegd in de Toezichtbeleidsbrief 2015, een gedifferentieerd systeem behelst van in ernst en gewicht oplopende overtredingen met daaraan gekoppelde, in zwaarte oplopende maatregelen, waarin in algemene zin rekening is gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders alsmede hun staat van dienst. De Afdeling acht dit beleid als zodanig niet onredelijk. In de Toezichtbeleidsbrief 2015 heeft de RDW in algemene zin te kennen gegeven hoe de belangenafweging uitvalt en hoe zij van haar bevoegdheid ter zake van het bepalen van de zwaartesanctie gebruik maakt. Onverkorte toepassing van dit beleid, zoals dit tot 1 april 2016 gold, leidt tot intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voor onbepaalde tijd. [appellant sub 1] heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat deze sanctie, gelet op de omstandigheden van zijn geval, onevenredig is. Nu bij [appellant sub 1] een drietal overtredingen is geconstateerd heeft de RDW, gelet op het algemene belang van de verkeersveiligheid, bij het besluit van 6 januari 2016 tot het opleggen van deze sanctie kunnen overgaan.

5.2.    Dat de RDW op 7 maart 2016 de Toezichtbeleidsbrief 2016 heeft vastgesteld die gunstiger is voor [appellant sub 1] betekent niet dat de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad vanaf dat moment onevenredig is geworden. Een wijziging van het beleid maakt niet dat het voorheen geldende beleid reeds daarom onredelijk is. De Toezichtbeleidsbrief 2015 gold bovendien nog tot 1 april 2016.

5.3.    Het voorgaande neemt niet weg dat de RDW, door bij het besluit van 31 maart 2016 niet de Toezichtbeleidsbrief 2016 te betrekken, een besluit heeft genomen dat [appellant sub 1] onevenredig benadeelt. Nu op grond van de Toezichtbeleidsbrief 2016 voor de drie geconstateerde overtredingen een veel lichtere sanctie wordt opgelegd, te weten een waarschuwing met verscherpt toezicht in plaats van een intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voor onbepaalde tijd, en dit beleid de volgende dag in werking zou treden, had de RDW bij het besluit van 31 maart 2016 ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ten gunste van [appellant sub 1] van de Toezichtbeleidsbrief 2015 dienen af te wijken, door aan hem per die datum een waarschuwing met verscherpt toezicht op te leggen. Gelet hierop heeft de rechtbank, zij het op iets andere gronden, het besluit van 31 maart 2016 terecht onrechtmatig geacht.

5.4.    Gelet op het voorgaande vangt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de schadeperiode aan op 1 april 2016. Deze periode loopt door tot 26 mei 2016, de datum waarop [appellant sub 1] weer over een erkenning bedrijfsvoorraad beschikte.

5.5.    Het betoog van [appellant sub 1] faalt en het betoog van de RDW slaagt.

Verzekeringskosten

6.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de gestelde schade in verband met de kosten die hij heeft moeten betalen om de aangekochte voertuigen te verzekeren niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft middels een factuur aangetoond dat Agass voor het aanmelden van de aangekochte voertuigen bij de verzekeraar per voertuig € 20,00 in rekening heeft gebracht. Bovendien is aan hem geen boete opgelegd voor het niet-verzekeren van die motorvoertuigen. Verder is Agass bij de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM) geregistreerd als een partij die financiële diensten aanbiedt in onder meer het verzekeringswezen.

6.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant sub 1] de gestelde kosten voor het verzekeren van de aangekochte voertuigen niet aannemelijk heeft gemaakt. [appellant sub 1] heeft met de overgelegde factuur van Agass niet onderbouwd voor welke werkzaamheden kosten in rekening zijn gebracht. Daarbij wordt betrokken dat uit de door [appellant sub 1] overgelegde uitdraai uit het register van de AFM blijkt dat Agass pas per 3 juli 2017 schadeverzekeringen aanbiedt. Voorts blijkt uit een steekproef van de RDW dat de voertuigen die Agass bij de verzekeraar zou hebben aangemeld niet of pas enkele dagen na de tenaamstelling verzekerd werden.

    Het betoog faalt.

Schadebeperkingsplicht

7.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de schade als gevolg van de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat hij niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. [appellant sub 1] voert daartoe aan dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd om een voorlopige voorziening in te dienen teneinde zijn schade te beperken. Daartoe is van belang dat het niet voor zijn rekening en risico dient te komen dat hij niet op de hoogte was van het nieuwe beleid. Voorts is het aan de RDW om ervoor te zorgen dat hij zo weinig mogelijk schade lijdt als gevolg van het onrechtmatige besluit. Verder was, gelet op het op 22 maart 2016 nog geldende beleid, geen sprake van een gerede kans dat het verzoek zou zijn toegewezen. Tot slot voert [appellant sub 1] aan dat ook indien hij om een voorlopige voorziening zou hebben verzocht, hij schade zou hebben geleden. De door hem geleden schade zou tot aan de datum van de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening hebben voortgeduurd en hij had voor het indienen van de voorlopige voorziening eveneens kosten voor rechtsbijstand en griffierecht dienen te betalen.

7.1.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het vragen van een voorlopige voorziening in dit geval niet als een in redelijkheid te verlangen schadebeperkende maatregel is aan te merken. Daartoe wordt overwogen dat, nu de RDW bij het besluit van 31 maart 2016 niet op grond van artikel 4:84 van de Awb ten gunste van [appellant sub 1] van de Toezichtbeleidsbrief 2015 is afgeweken, terwijl het nieuwe beleid één dag later in werking trad, van [appellant sub 1] niet kon worden gevergd wegens het gewijzigde beleid van de RDW een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het meer op de weg van de RDW lag om het gebrek in zijn eigen besluit op bezwaar te herstellen dan dat het op de weg van [appellant sub 1] lag om een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.

    Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

8.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.1 is overwogen is het hoger beroep gegrond. Het incidenteel hoger beroep is, gelet op hetgeen onder 5.4 is overwogen, eveneens gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het besluit van 1 juni 2016 heeft vernietigd, heeft bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en de rechtbank het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd. De Afdeling zal, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.4 en 6.1 is overwogen en nu de kosten die [appellant sub 1] heeft gemaakt voor de betaalde motorrijtuigenbelasting en de tenaamstelling door de RDW niet worden betwist, de hoogte van de door de RDW aan [appellant sub 1] toe te kennen tegemoetkoming vaststellen op een bedrag van € 2.064,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2016, zijnde de dag van het verzoek om vergoeding van deze kosten in beroep.

9.    De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 augustus 2017 in zaak nr. 16/2391, voor zover de rechtbank het besluit van 1 juni 2016 heeft vernietigd, heeft bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en de rechtbank het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer om aan [appellant sub 1] te betalen een vergoeding van € 2.064,58 (zegge: tweeduizend vierenzestig euro en achtenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

V.    wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

VI.    veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de directie van de Dienst Wegverkeer aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Slump    w.g. Komduur

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018

809. BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 62

1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

2. Aan de erkenning kunnen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bevoegdheden worden verbonden; een zodanige bevoegdheid maakt deel uit van de erkenning. Het in de artikelen 62 tot en met 66 ten aanzien van erkenningen bepaalde is van overeenkomstige toepassing op bedoelde bevoegdheden.

(…)

Artikel 64, eerste lid

1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. (…) Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de bedrijfsvoorraad van degene aan wie de erkenning is verleend en van de ter zake van die bedrijfsvoorraad door deze gevoerde administratie.

Artikel 65

(…)

2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend:

(…)

c. handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

(…)

4. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.

Artikel 65a

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het intrekken, wijzigen en schorsen van de erkenning.

Artikel 9 van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad

(…)

2. Het erkende bedrijf draagt er zorg voor dat bij voortduring wordt voldaan aan de eisen en voorschriften die gelden voor de erkenning.

(…)

7. Het erkende bedrijf draagt er zorg voor dat alleen voertuigen die bestemd zijn om te worden verkocht, dan wel op grond van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Kentekenreglement te worden bewaard of bewerkt, in de bedrijfsvoorraad worden en zijn opgenomen.

(…)

Artikel 58c, derde lid, van het Kentekenreglement

Het erkende bedrijf bedrijfsvoorraad is verplicht binnen een week, nadat hij het deel II of I B en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, bij de Dienst Wegverkeer om opname in bedrijfsvoorraad te verzoeken onder overlegging van deel II of I B, het overschrijvingsbewijs en de bedrijfsvoorraadpas.